Een nieuw, wankel thuis in Amerika

Ook in haar nieuwe boek mengt Christine Otten fictie en de werkelijkheid: die van de Amerikaanse (muziek)geschiedenis. Maar dat is eerder verwarrend dan meeslepend.

Christine Otten: Als Casablanca. Atlas, Amsterdam. ISBN 9789045000503; 239 blz. euro 18,50

De nieuwe roman van Christine Otten nodigt uit tot intensief googlen maar zo’n check beantwoordt niet alle knagende vragen.

Otten kruipt in de huid van de niet bestaande journaliste Laura Achenbach, wier naam een hommage lijkt aan de al lang dode schrijfster Laurie Langenbach. Laura is naar de Verenigde Staten gereisd omdat ze onderzoek wil doen naar Paul Robeson, die zwarte zanger die in de eerste helft van de vorige eeuw met diepe bas de Mississippi bezong in ’Ol’Man River’.

Eenmaal in New York vliegen de twee vliegtuigen in de Twin Towers, en dat verandert alles. Laura is niet langer een vrouw met een plan en een man thuis, integendeel, ze voelt zich ontredderd en ontheemd, maar ze kan en wil ook niet terug naar Nederland.

In ’Café One’ op Columbus Avenue ontmoet ze bij toeval Charles Perry, een Afro-Amerikaanse vijftiger, ex-Black Panther en theatermanager in Harlem. Perry maakt diepe indruk en stuurt haar voor recuperatie naar Detroit, ooit het mekka van de soulmuziek. Meer bijzondere ontmoetingen volgen.

In Detroit woont Perry’s neef Khalid el-Hakim, in het dagelijkse leven onderwijzer, maar ondertussen fanatiek bezig met het opzetten van een museum voor de geschiedenis van de zwarte Amerikanen. Khalid woont samen met de Nigeriaans-Britse Tania McGee die haar best doet om haar puberdochter in Engeland ook naar Detroit te halen.

Ergens onderweg ontmoet Laura de fotografe Leni Sinclair, eind jaren vijftig vanuit Oost-Duitsland naar de VS gevlucht, waar ze trouwde met popmanager John Sinclair en naam maakte als fotografe van blues- jazz- en rocklegenden, onder meer Miles Davis en John Lennon. Google Leni Sinclair en je belandt al gauw op een site waar haar portretten te bewonderen zijn.

’Als Cassablanca’ biedt, kortom, een curieuze mengeling van fictie en (Amerikaanse) geschiedenis. Wie Charles Perry opzoekt, leert bijvoorbeeld dat dit de naam is van een zwarte Amerikaanse schrijver die al decennia dood is, maar misschien ook wel van een echte theatereigenaar uit Harlem.

Leni Sinclair, John Sinclair, Khalid el-Hakim bestaan echt, zoals ook te lezen is in Ottens verantwoording. Otten sprak met hen. Zo leverde de geschiedenis van Leni Sinclair een paar hoofdstukken in het verleden op: haar tocht door een verwoest Duitsland als klein meisje, haar vlucht over de oceaan als twintigjarige eind jaren vijftig. Tussendoor schetst Otten ook de geschiedenis van Detroit, haar neergang van soultempel naar industriestad.

De mengeling van fictie en werkelijkheid, afwisselend in de eerste en de derde persoon, herinnert aan Ottens vorige boek, het voor de Libris-prijs genomineerde en bejubelde ’De laatste dichters’. Toen gaf de schrijfster een fictionele draai aan de levensverhalen van de zwarte dichters, de ’godfathers van de hiphop’ die in de jaren zestig het Afro-Amerikaanse protest een stem gaven. Ottens stijl was ritmisch, jazzy, melodieus, in harmonie met het ritme van de oervaders van de rap.

Melodie, muzikaliteit en ritme ontbreken echter in het fragmentarische ’Als Casablanca’. De mengvorm verwart hier meer dan dat ze meesleept. De roman is soms te impliciet, en dan weer erg uitleggerig. „Het was bijna alsof met de vernietiging van het WTC, mijn verleden ook in een klap was uitgewist (..) ik was iemand zonder geschiedenis, zonder familie. Iemand die zichzelf opnieuw kon bedenken.” lezen we op bladzijde 18.

Mooi is wel hoe Otten de ontheemding verschillende vormen geeft. Iedereen in het boek heeft zijn oorspronkelijk thuis verlaten en in Amerika een beter, echter thuis gevonden. Maar dat nieuwe thuis blijkt nu ook wankel. Driftig is men bezig zich te verbinden, zijn geschiedenis te herschrijven.

Het museum van Khalid, de foto’s van Leni, de muziek van Laura, het heeft allemaal dezelfde functie. De functie die Otten aan haar eigen boek ook geeft. „Ik denk dat iedereen een verhaal nodig heeft, een geschiedenis, achtergrond,maar dat hoeft niet per se je eigen hoogstpersoonlijke geschiedenis te zijn.”, laat ze Perry zeggen.

Als witte Nederlandse vrouw mag je je heus ook laten vangen door een misschien wel echte zwarte activist of een dode zwarte zanger. Tuurlijk. Het enige is dat die liefde tussen Laura en haar redder in deze vorm nogal vaag en mysterieus blijft, en dat ’Als Casablanca’ het vooral van de mooie gedachte moet hebben.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden