Een nieuw licht voor de schilder

Aan het einde van de negentiende eeuw deed het elektrische licht zijn intrede. De tentoonstelling ’Nachtlicht’ laat zien hoe Nederlandse schilders dat nieuwe fenomeen in hun werk gebruikten.

Als je alleen naar de bovenste helft kijkt van het nachtgezicht op het Amsterdamse Koningsplein dat Jan Sluijters in 1927 schilderde, ziet de nacht er bedreigend uit. De twee spitsen van de Krijtbergkerk aan het Singel steken onheilspellend af tegen een kolkende wolkenpartij, die baadt in zwak maanlicht.

Zo hadden schilders de nacht al eeuwen afgebeeld: als een verstild, geheimzinnig domein vol onbekende gevaren, sinistere dromen, mysterieuze krachten.

Maar als we de blik verder naar beneden richten, dan barst er ineens een carnaval van lichtjes los. Verstild is het zeker niet, op straatniveau: een tram piept door de bocht, tussen fietsers door. Een chique geklede dame en heer lopen aan de onderkant met een beetje haast het beeld uit; ze zijn misschien op weg naar een late voorstelling. En in de verte vergaapt het winkelende publiek zich aan de felverlichte etalages en lichtreclames in de Leidsestraat.

In de negentiende eeuw veranderde de nacht van karakter. In de eeuwen daarvoor was de nacht vooral donker geweest, en daardoor onbegaanbaar. Je had kaarsen en olielampen, en vanaf de late Middeleeuwen brachten sommige grotere steden rudimentaire vormen van straatverlichting aan. Maar om nou te zeggen dat die een uitgebreid nachtleven mogelijk maakten, nee.

In 1816 ontstak Koning Willem I de eerste gaslamp in Nederland. Later, vanaf ongeveer 1880, deed het elektrische licht zijn intrede in de Nederlandse straten. De nacht kon onderdeel worden van het dagelijks leven.

De tentoonstelling ’Nachtlicht’ in museum De Wieger in Deurne laat zien hoe Nederlandse schilders tussen 1880 en 1940 het nieuwe fenomeen van het elektrisch licht in hun werk gebruikten. Er hangt veel, zo’n zeventig werken van kunstenaars als George Hendrik Breitner, Isaac Israels, Leo Gestel en Jan Sluijters. En daardoor is goed te zien hoe verschillend ze omgingen met het nieuwe licht.

Neem Loe Louber. In 1923 schilderde ze ’Blaricum bij avond’. De avond is hier niet donker meer, de maan en een kunstlamp lichten de lucht uit in geometrisch geordende vlakken die in tamelijk vriendelijk, zacht blauw geschilderd zijn. De nacht is logisch geworden, lijkt het, gekoloniseerd door het kunstlicht. Hij is nog wel mooi, maar hij is ook zijn geheimzinnigheid kwijt.

Hoe anders is het op het schilderij ’Stadsgezicht bij avond’ van Jan Sluijters, dat ernaast hangt: een onherbergzaam stedelijk nachtlandschap vol geheime en gevaarlijke hoeken. De lantaarns en lichtjes die hij schilderde zijn niet sterk genoeg om die allemaal uit te lichten; ze dragen eerder bij aan de contrastwerking, ze maken de spelonken van de stad extra donker.

Want natuurlijk betekende het feit dat hij nu verlicht werd niet dat de nacht automatisch een soort tweede dag werd. Er doemden nieuwe gevaren op: niet langer magische, maar morele. Het uitgaansleven explodeerde in de jaren rond 1900. Vooral het Parijse uitgaansleven werkte rond die tijd als een magneet op jonge Nederlandse kunstenaars als Leo Gestel en Kees van Dongen. Een dansgelegenheid als de Folies Bergère had vijftien elektriciens in dienst om de uitbundige lichtversieringen aan de praat te houden.

Veel schilders voelden zich aangetrokken tot zulke dancings waar tot in de kleine uurtjes gedronken werd, en legden de taferelen die zich daar afspeelden vast. Dansende paartjes, vrouwen die sigaretten rookten, het was veel conservatieve critici een gruwel. „In de tijden van het ergste verval onzer kunst werden geen verschrikkelijker producten van wansmaak en onmacht aan den wand gehangen”, brieste de schrijver Frederik van Eeden in 1909 naar aanleiding van een caféscène van Kees Maks.

Maar het waren niet alleen zulke nieuwe taferelen die vat kregen op de verbeelding van schilders. Ook de specifieke kwaliteiten van het nieuwe licht zelf vormden een uitdaging. Lange tijd hadden schilders gewerkt met de techniek van clair-obscur: sterk aangezette lichteffecten die de dramatische werking van het schilderij moesten vergroten.

Het was een techniek die wel een bepaald soort lichtbron veronderstelde. Van een flakkerende olielamp kun je je voorstellen dat die een deel van een gezicht verlichtte, en een ander deel niet. Hoe clair-obscur uitpakt bij het gelijkmatige, ver dragende elektrische licht zie je bijvoorbeeld op het schilderij ’Zaterdagavond’ van Jan Ouwersloot. Een marktkoopman prijst daar zijn waren aan, en is veel helderder geschilderd dan zijn omgeving. Het resultaat is niet dramatisch, maar juist een beetje cartoonesk en abstract.

Isaac Israels wist de gelijkmatigheid van het elektrische licht prachtig in verf te vangen toen hij in 1893 een hoedenwinkel op de Nieuwendijk schilderde. We zien opgedofte dames die naar de etalages kijken, binnen in de winkel is ook veel bedrijvigheid – de verlichte etalage was een populair thema in die tijd, leren we op de tentoonstelling. Maar het schilderij lijkt geen duidelijk onderwerp of middelpunt te hebben, tot je je realiseert dat het Israels misschien wel om het licht zelf ging. Alle figuren zijn subtiel, maar prachtig gehuld in de geel-oranje gloed van de lampen die in de winkel hangen.

Kunstenaars gebruikten andere manieren om contrasten aan te zetten. Nicolaas van der Waay schilderde het publiek in de pauze van een voorstelling in het Concertgebouw. Tussen rijen heren in het zwart zitten vier meisjes in lichte jurken. Ondanks het gelijkmatige kunstlicht dat de ruimte vult spatten ze van het doek af.

Maar een echt nieuwe manier om contrasten te schilderen boden de verschillende kleuren waarin het elektrisch licht scheen, zeker in de dancings en theaters. Op een doek van Herman Bieling zien we cabaretier J.L. Pisuisse op het podium staan. Het tafereel is uitgevoerd in kleuren die een beetje ’onecht’ aandoen: het publiek baadt in paars licht, op het podium domineert oranje.

Maar ook op straat kon een schilder die er oog voor had zulke contrasten aantreffen. George Hendrik Breitner maakte veel stadsgezichten bij avond. Soms zijn ze heel ingetogen, zoals zijn Rokin in de avondschemering, waarin de straatlantaarns slechts subtiele lichteffecten geven. Soms leek hij uit te proberen hoe ver hij kon gaan, zoals in ’Paardentrams op de Dam’. We zien de trams zelf nauwelijks, het is donker. Maar ze hebben wel kleine rode en groene lichtjes. De weerspiegeling van die kleine lichtjes, overdadig uitgesmeerd over een beregende straat, vult het halve schilderij, in een uitbundig spel van groen en rood. Zo mooi en dramatisch kan een klein kunstlichtje zijn.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden