Een nationaal minderhedendebat, maar hoe?

De auteur is directeur van een managementadviesbureau.

Steeds weer blijken de meningen in de politiek zó verdeeld, dat consensus over de inhoud en de doelstellingen van zo'n discussie niet te verwachten is. Nog vlak voor de jongste Statenverkiezingen pleitte VVD-voorman Bolkestein voor een aanscherping van het asielbeleid. Vervolgens werd hij aangevallen door de andere partijen in de paarse coalitie. Toen kwam Bolkestein c.s. met een voorstel voor een spreidingsbeleid van allochtonen. Daardoor werd zelfs de eigen VVD-minister Dijkstal, die het allochtonenbeleid moet coördineren, overvallen. Hij gaf te kennen dat hij weinig in dit voorstel zag.

Dit recente voorbeeld laat al zien dat van de politici geen goede regie van zo'n maatschappelijke discussie kan worden verwacht. Maar er is nog meer te noemen. De afgelopen tien jaar zijn wij van het ene minderhedenbeleid in het andere terechtgekomen. Alle grote politieke partijen hebben daarin hun aandeel gehad.

Ongeveer tien jaar geleden kwam het beleid voor 'probleemcumulatiegebieden'. De problemen van oude wijken van grote steden met grote concentraties van minderheden zouden integraal worden aangepakt. Het Sociaal en Cultureel Planbureau stelt achteraf vast: 'Of het probleemcumulatiegebiedenbeleid iets heeft opgeleverd is nog steeds een onbeantwoorde vraag. Het was niet te onderzoeken. Als beleidsmaker weet je niet wat je doet als je de gevolgen van je beleid niet kunt meten.' Onder het vorige kabinet werd het paradepaardje 'sociale vernieuwing' uitgevonden. Dit beleid kon de hoge pretenties ook al niet waarmaken.

De politiek kan beter het particulier initiatief de ruimte en de middelen geven zo'n discussie op te zetten, en zich zelf tot de te volgen procedure beperken.

Volgens drs. Pinto van het Inter-Cultureel Instituut in Groningen oefent de angst om voor racist te worden uitgemaakt een verlammende werking uit op de totostandkoming van een nuchtere analyse van de minderhedenproblematiek. Velen zullen zich in deze opmerking kunnen vinden. Die nuchtere analyse moet er wel komen. Anders heeft discussiëren geen zin en heeft beleid geen fundament.

Daarbij zullen wij moeten uitgaan van een palet van verschillende meningen, om zoveel mogelijk groepen in de samenleving de ruimte te geven in te haken op de discussie. Een hoofddoelstelling van zo'n discussie is het allochtonenvraagstuk bespreekbaar te maken. Vervolgens is het te verwachten dat de beoogde communicatie het vraagstuk voor velen zal verhelderen. Uiteenlopende groepen moeten worden uitgenodigd zelf oplossingen aan te dragen. Daarbij kan worden verwacht dat de discussie scherpe tegenstellingen zal laten zien, maar dat deze in het verloop van de discussie zullen verzachten.

Tegenstrijdigheden

Wat de inhoud van de discussie betreft zou het goed zijn de tegenstrijdigheden in heersende opvattingen bloot te leggen en te voorzien van gematigd kritisch commentaar. Een eerste tegenstrijdigheid betreft het benoemen van allochtonen als probleemgroep.

Sommigen betogen dat allochtonen beter niet als probleemgroep kunnen worden benoemd. Als voorbeeld kan dienen het verhoudingsgewijs hoge aantal allochtonen in huizen van bewaring en gevangenissen. Dit verschijnsel zou niet verklaard moeten worden uit de allochtone afkomst, maar uit de armoede waarin velen verkeren.

Pleitbezorgers voor het wél benoemen van allochtonen als probleemgroep brengen daartegen in dat voor elk beleid, elk plan en elke subsidie een doelgroep moet worden aangegeven. Om beleid voor allochtonen meetbaar te maken zullen de kenmerken van de allochtone doelgroep zorgvuldig in kaart moeten worden gebracht.

De moeilijkheid hierbij is dat groepen allochtonen onderling grote verschillen kunnen vertonen. En naarmate allochtonen langer in Nederland zijn, zal de verscheidenheid van hun problemen steeds groter worden. De een heeft wel werk, voelt zich wel geïntegreerd, heeft een hogere opleiding etc. en de ander niet.

Andere tegenstrijdige opvattingen hebben te maken met de vorm en de mate van hulpverlening. Er zijn mensen die iedere specifiek op allochtonen gerichte hulpverlening willen vermijden of alleen willen richten op aansluiting op voor iedereen toegankelijke voorzieningen. Zij wijzen erop dat hulpverlening mensen afhankelijk maakt van professionals. Dat is funest voor het mobiliseren van eigen krachten en voor zelforganisatie. Dat zelfmanagement is nodig om niet ten prooi te vallen aan verdere vervreemding.

Daartegenover staan de aanhangers van vergaande positieve discriminatie. Daarin wordt dan een middel gezien om allochtonen sneller hun achterstanden te laten inhalen. Dit middel roept veel weerstanden op bij mensen die door de positieve discriminatie zelf gediscrimineerd worden, bij voorbeeld omdat zij als autochtonen bij sollicitaties worden gepasseerd door allochtonen. Maar ook van de kant van allochtonen zelf komen bezwaren. Het zelfrespect wordt niet erg gestimuleerd als men alleen een baan krijgt omdat men allochtoon is. Met het aantrekken van een uniform van parkeerwachter of portier is dat probleem nog niet verholpen.

Dominante cultuur

Dan is er de opvatting dat de Nederlandse cultuur de dominante cultuur hoort te zijn, tegenover de mening dat alle culturen een principieel gelijkwaardige plaats naast elkaar moeten innemen. Bij de eerste mening staat voorop dat allochtonen zich moeten aanpassen aan de Nederlandse samenleving en de Nederlandse cultuur. Inburgeringsprogramma's zijn daar op gericht. Een probleem hierbij is dat de Nederlandse cultuur een diffuus begrip is. Ook de Nederlandse cultuur bestaat uit vele subculturen. O.a. geloof, afkomst en arbeidsmarktpositie spelen daarin mee.

Een tegenovergestelde mening is dat de positieve elementen van verschillende culturen tot een dialoog voeren, en door samensmelting tot een nieuwe cultuur zullen leiden. De praktijk daarvan is echter nogal eenzijdig bij de onderkant van de samenleving gelegd. Daar is de druk moeilijk hanteerbaar omdat de competitie, bij voorbeeld om goede huisvesting en banen, de onderlinge relaties te veel domineert. Het establishment heeft daarvan veel minder te duchten en kan er daarom vrijblijvend over spreken.

Een laatste onderwerp van tegengestelde meningen is de toegang van nieuwe allochtonen in ons land. Nederland is vol, stellen velen; wij kunnen de problemen met allochtonen niet managen. Deze mening hoeft niet alléén een afwijzing van allochtonen in te houden. Er zijn ook mensen die betogen dat integratie van allochtonen nooit kan slagen als er steeds weer nieuwe groepen bij komen. Daardoor worden de middelen verdund, het sociale verband bezwijkt onder de dynamiek.

Aan de andere kant zijn er groepen die vinden dat er altijd plaats moet zijn voor vluchtelingen, zeker als ze in hun moederland bedreigd worden.

Er zijn meer onderwerpen te noemen. Het gebrek aan perspectief voor allochtonen, de financierbaarheid van de voorzieningen die door de aanwezigheid van allochtonen noodzakelijk zijn, de conflicten tussen verschillende generaties. Die onderwerpen blijven hier buiten beschouwing.

Samenvattend: de maatschappelijke discussie moet mikken op aanknopingspunten voor geheel verschillende meningen. De angst om een eigen mening naar voren te brengen kan zo worden bestreden. Vervolgens kan vanuit zo'n maatschappelijke discussie worden getracht alternatieve scenario's te ontwerpen, zoals dat ook met de brede maatschappelijke discussie over energievoorziening is gebeurd. Er is toen een 'groen' scenario opgesteld, dat naast andere scenario's, de beleidsalternatieven zichtbaar maakte.

Het ontwerpen van alternatieve scenario's kan ook voor het allochtonenvraagstuk nieuw beleid stimuleren.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden