Een naam dankzij Linnaeus

©Hanneke van Dijk

De winter lijkt voorbij. Het is nu tijd om op zoek te gaan naar nieuwe planten voor de tuin. Bladerend in boeken en zoekend op internet kom je planten met de mooiste namen tegen. Hoe komen ze eigenlijk aan hun naam?

Alle planten hebben een naam, als je ergens over wilt communiceren moet je weten waar je het over hebt. Planten die in Nederland in het wild voorkomen hebben meestal een Nederlandse naam, ook wel volksnaam genoemd. Maar die kan van provincie tot provincie verschillen. Het ellendige onkruid met de grote witte bloemen wordt nu meestal aangeduid als haagwinde, maar vroeger bijvoorbeeld als witte bonjour-madame, wit wijfje of lieve-heershemdje.

Als een plant tegelijkertijd met verschillende namen wordt aangeduid weet niemand meer waar je het over hebt. Als je dan ook nog met mensen in andere landen erover wilt praten is dat helemaal onmogelijk. Daarom is het handig dat planten ook nog een wetenschappelijke naam krijgen die in alle landen en in alle talen hetzelfde is. Aangezien het Latijn al eeuwenlang de taal is van de wetenschap werd dit dus de taal van de botanische wetenschap.

Het Latijn was dus het uitgangspunt bij de naamgeving van de planten, maar in de loop der eeuwen zijn er ook Griekse en Oosterse leenwoorden gebruikt. Ook werden planten genoemd naar mensen waarvan de naam verlatijnst werd. Een schatkamer op dit gebied is het 'Verklarend woordenboek van wetenschappelijke plantennamen' van dr. C.A. Backer. Hierin wordt de herkomst en betekenis van de namen gegeven. Handig voor wie niet op het gymnasium heeft gezeten.

Planten kregen dus Latijnse namen en een voorbeeld hiervan was de weegbree die tot 1753 aangeduid werd met Plantago foliis ovato-lanceolatis pubescentibus spica cylindrica scapo tereti een mondvol voor een plant met eirond, lancetvormig, behaard blad in de vorm van een voetzool met een aarvormige bloeiwijze en ronde stengels. Bijzonder onhandig.

Dat vond Linnaeus ook. Carl Linnaeus werd in 1707 in Zweden geboren. Zijn vader was predikant en verwachtte dat zijn zoon hem op zou volgen. Maar Linnaeus was veel meer in planten geïnteresseerd en ging geneeskunde studeren. In die tijd hoorde botanie tot de geneeskunde. Toen hij in de Zweedse stad Uppsala studeerde waren de hoogleraren geneeskunde meer af- dan aanwezig en moesten de studenten hun eigen weg zoeken. Linnaeus legde de botanische tuin opnieuw aan, publiceerde als student al toonaangevende geschriften, gaf medische studenten colleges over planten en werd later hoogleraar. Hij besloot een nieuw classificatiesysteem te bedenken waarbij een plant twee namen kreeg in plaats van een hele serie. De eerste was de geslachtsnaam en de tweede de soortnaam. Deze binominale nomenclatuur baseerde hij op het aantal meeldraden en stampers van de bloem. Al eerder schreef hij een poëtisch werkje met als titel 'De inleiding tot de bruiloft der planten'. Hij schreef dit in het Zweeds in plaats van zoals toen gebruikelijk was in het Latijn. Het ging over de geslachtelijkheid van planten: kroonbladen die dienden als bruidsbed, zo heerlijk geparfumeerd dat de bruidegom en bruid hun huwelijk met grote plechtigheid daarin konden vieren. Dit werd Linnaeus niet in dank afgenomen. In die tijd was het seksleven van planten geen onderwerp van gesprek en men vond Linnaeus maar een vies mannetje. Maar hij trok zich daar niets van aan en ging verder met de naamgeving van de planten.

In 1753 publiceerde hij 'Species plantarum' waarin hij alle destijds bekende planten, dat waren er ongeveer 6000, beschreef en ze een vereenvoudigde naam gaf. De weegbree heette nu: Plantago media L. De L. staat voor de naamgever en bij plantennamen wordt in wetenschappelijke publicaties de naamgever als afkorting achter de soortnaam weergegeven en heel vaak kom je daar de L. van Linnaeus tegen. Dit binominale systeem was een succes en werd onmiddellijk overgenomen. Bijzonder is dat dit systeem (wat veel ingewikkelder is dan hier beschreven) zo goed in elkaar zit dat het nog steeds de basis van de naamgeving van de planten is. Tegenwoordig wordt DNA-onderzoek gebruikt voor wat Linnaeus intuïtief toepaste. Het mag duidelijk zijn dat wetenschappelijke namen van planten nuttig zijn om te weten waar je het over hebt. Linnaeus, later toen hij in de adelstand was verheven, Carl von Linné genoemd, noemde een bescheiden plantje met kleine roze bloemetjes naar zichzelf, Linnaea borealis.

Bij een kwekerij of tuincentrum zie je vaak ook een derde naam op het kaartje staan. Dat is dan een cultivarnaam. Als een plant twee namen heeft komt hij ergens ter wereld in het wild voor. Zo heet bijvoorbeeld de wilde akelei, Aquilegia vulgaris. Maar als een kweker een akelei ontdekt met afwijkende bloemen, en deze verder gaat kweken, krijgt de plant een derde naam erbij, een cultivarnaam. Aquilegia vulgaris 'Nivea' is hier een voorbeeld van.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden