Een mooi wit doodskopje, met dunne wandbeenderen en een snavel als een kort pincet

Roy Brown, John Ferguson, Michael Lawrence en David Lees: Vogelsporen. Determineergids voor sporen, veren, braakballen, schedels en andere tekens van Europese vogels. Uitgave Tirion, Baarn. Paperback, 232 blz., ¿ 49,50.

Zo'n boek had ik moeten hebben, toen ik zeventien was. Dan had ik niet de schedel van een goudplevier aangezien voor die van een kievit. Die goudplevier vond ik in zo'n vergevorderde staat aan het Grote Vogelmeer in de Kennemerduinen dat je aan het uiterlijk alleen maar kon gissen welke vogel het geweest moest zijn. De kop nam ik mee en thuis kookte ik die uit om de schedel te bewaren. Ontrukt aan de vergankelijkheid: een mooi wit doodskopje, met dunne wandbeenderen en een snavel als een kort pincet, geschapen om er wadwormpjes en kreeftjes mee uit het slik te pikken en insekten op de kwelder mee te pakken.

Heel wat minder moeite gaf de herkenning van de schedel van een stormmeeuw, die we op het strand vonden. Daar hadden we weinig aan te doen, want die was helemaal schoon, maar had nog wel een gave gele hoornschede om de snavel. De meeuw was niet doodgegaan aan stookolie, voor zover we dat konden nagaan. Zeekoeten en alken wel. We vonden die altijd bij een winters strandbezoek. Als aasgieren wierpen wij ons op de lijken om ze te onthoofden. Dat was gebruikelijk in de jeugdbond, waar bijna iedereen een schedelverzameling had. Excursies lieten een spoor van rompen na, ontdaan van kop, vleugels en poten.

Ik doe al lang niet meer aan lijkschennis. Mijn oude collectie is naar een zoon gegaan en vervolgens naar een van zijn vrienden in dezelfde jeugdbond. Er moet nog wel iets van over zijn.

Toch heb ik nog van alles met sporen in de natuur. Herkenning en duiding van die tekens behoren tot de diepste natuurbelevenissen. Daar horen schedels natuurlijk net zo goed bij als ruiveren, maar interessant wordt het pas als het de resten zijn van een maaltijd. De veren tonen welke vogel het slachtoffer geworden is; de manier waarop de prooi geplukt is, verraadt wie de dader was. En daar bestond tot nu toe maar weinig schriftelijks over. Wel diersporengidsen, waarin ook wel eens wat over vogelsporen stond, maar niet wat nu voor mij op tafel ligt, een gids alleen over sporen die vogels achterlieten. Een must voor al die jonge natuuronderzoekers, die nog steeds alles mee naar huis nemen wat ze in het veld aan dode dingen tegenkomen. (Ik ben ervan overtuigd dat dit gedrag de sleutel is tot grote natuurkennis!)

Pootafdrukken, veren, nesten, slaapplaatsen, braakballen, schedels, etensresten... Het boek belooft niets te veel. Er staan meer dan duizend plaatjes in, buiten de zevenenveertig kleurplaten van vogelveren om. Gevonden veren herken je aan de tekening, maar vooral aan de kleuren.

In de Lauwersmeer vind ik een uiteengerukte duif. Een houtduif, wat te zien is aan de witte dwarsband over de vleugel die elke volwassen houtduif heeft. Maar ook als het een jong is, zonder die vleugeldwarsband, kan ik het toch zien aan de staartveren, die aan de onderkant blauwgrijs zijn met een zwarte top en een witte dwarsband. Maar wie heeft deze duif gevangen en opgegeten? Een kat, een vos, een sperwer, misschien een slechtvalk of een havik? De veerschachten zijn bij de basis geknakt en gebroken, een zeker spoor van een roofvogel, die met zijn kromme snavel de duif heeft geplukt. Voor een sperwer is een houtduif een wel wat grote prooi, haviken zitten hier nauwelijks en een uur eerder zag ik een slechtvalk laag over de jonge bomen jagen. Die is het naar alle waarschijnlijkheid geweest.

Sporen duiden is goed kijken naar de vondst en tegelijk naar de plek waar de sporen zijn gevonden. En vooral ook je voorstellingsvermogen gebruiken. Je weet dat braakballen van uilen zijn als je ze vindt onder een slaapboom, waar de uilen overdag in verblijven. Maar een uilebraakbal wordt moeilijker te identificeren als je die in het vrije veld vindt. Ook roofvogels en reigers hebben braakballen, zelfs kraaien en meeuwen. Je moet dan met een loep in de hand uitzoeken wat de vogel gegeten heeft om erachter te komen wie de onverteerbare resten heeft uitgespuugd. En dat vereist dan weer vooral kennis van het voedsel van die vogel.

Kijken in de vogelsporengids attendeert je op zaken die je ooit gezien hebt, maar achteloos voorbij bent gelopen. Dat gebeurt mij ook vaker dan me lief is. Het drukt me er weer eens met de neus op dat alles in de natuur een betekenis heeft. Treffend is de afbeelding van een paddestoel met piksporen van spreeuwen, die insektelarven, wormpjes en slakken uit de oude zwam hebben gehaald. Door wulpen omgewoeld mos in de duinen lijkt sprekend op een speelplek van konijnen, waar je net zulke gebroken mospolletjes aantreft. Zo'n paadje van een bergeend langs de waterkant kan evengoed van een andere watervogel zijn, die steeds dezelfde route loopt. Het moeten de pootafdrukken in de modder zijn, die uitsluitsel geven.

In de sneeuw zijn de pootafdrukken van fazant, kraai, meerkoet, waterhoen, reiger, eend en kokmeeuw gemakkelijk genoeg te herkennen. Veel moeilijker is het met de fijne hiërogliefen van zangvogels zoals merel, roodborst, winterkoning, sijs, vink, koolmees en mus. Ze zijn in de gids even duidelijk afgebeeld als de zoogdiersporen in de diersporengidsen, in trippel- of hippatroon met de maten erbij. Met dit boek in de hand gaat er buiten een nieuw boek voor je open. Nooit weg rond Oud en Nieuw, als er buiten zo weinig te beleven lijkt. Het zou leuk zijn als het eens lekker ging sneeuwen.

NATUUR DEZE WEEK

Boomhazelaars zijn bomen uit Turkije, die hier nogal eens als straat- of parkboom zijn aangeplant. De eerste boomhazelaars komen nu net in bloei met geelgroene katjes, die wat langer zijn dan die van onze gewone wilde hazelaars. ù Na de vorst is het aantal plantesoorten dat nog bloemen heeft, drastisch gedaald. Herderstasje, staartgras, klein kruiskruid en madeliefje behoren tot de taaie volhouders. In een beschutte tuin zag ik de bergenia of schoenlappersplant al in volle bloei. In een andere tuin, op het noorden nog wel, bloeien de eerste sneeuwklokjes. Ze behoren niet tot de gewone soort met smalle grijsgroene bladeren, maar met breder en groener blad. De bloemen van dit grote sneeuwklokje zijn ook wat groter dan die van het gewone sneeuwklokje. Het gewone sneeuwklokje heeft wel al witte bloemknoppen tussen het blad, dat de grond uit schiet. Soms is dat niet goed te zien, omdat er nog zoveel dor blad boven op ligt. ù Stijfselzwam, fluweelpootje, geweizwammetje, elfenbankje, paarse en gele korstzwam, oesterzwam, helmmycena en stobbezwammetje zijn de paddestoelen die je nu nog in bos en park tegenkomt. ù Bij zacht weer dansen de wintermuggen in zwermpjes tussen de struiken in de tuin. Ze komen ook wel in huis en dan verbaas je je over hun lange haardunne poten. Wintermuggen steken niet. ù Rode regenwormen en slaslakjes kruipen rond in de bovenste laag dor blad op de bosgrond. Zij vormen het voedsel van de houtsnippen, die zich in tegenstelling tot de verwante watersnippen in het bos ophouden, waar ze overdag door hun schutkleuren tussen het dorre blad bijna niet te ontdekken zijn. ù Bonte kraaien zag je vroeger vaak aan het strand, nu nog maar zelden. Een enkele laat zich zien op de Waddeneilanden en in de Lauwersmeer, maar de meeste blijven tegenwoordig 's winters in hun noordelijke broedgebied. ù Eksters zoeken buiten de broedtijd elkaars gezelschap. Je ziet er soms wel meer dan twintig bijeen, lang niet altijd vreedzaam, want ruzie is onder eksters aan de orde van de dag. ù Jagende sperwers wagen zich regelmatig in de bebouwde kom, paniek zaaiend tussen de rustig voedsel zoekende vogels in de tuinen. De grote vrouwtjes jagen op merels, kramsvogels en koperwieken, de kleinere mannetjes op vinken, mussen en putters.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden