Een monumentale uitgave van Lucretius

Met zijn leerdicht ’De rerum natura' probeerde Lucretius de Romeinse intelligentsia te bevrijden van hun angst voor de goden en de dood. De Nederlandse vertaling en toelichting van Piet Schrijvers is hartverwarmend.

’Lucretius, dichter en propagandist’. Zo luidt de titel die P.H.Schrijvers, emeritus hoogleraar Latijnse Taal- en Letterkunde aan de Universiteit van Leiden, meegeeft aan zijn inleiding op een tweetalige uitgave (Latijn en Nederlands) van het antieke leerdicht ’De rerum natura’. De zes boeken, vertaald als ’De natuur van de dingen’, zijn het werk van de dichter Titus Lucretius Carus uit de eerste helft van de eerste eeuw voor Chr.

Dichter en propagandist: deze omschrijving geeft precies weer tussen welke twee polen de dichter-filosoof Lucretius tijdens zijn vrij korte leven (hij werd waarschijnlijk niet ouder dan 45 jaar) zijn ’obsessie’ vorm heeft gegeven, zoals Schrijvers het noemt. Die obsessie behelst het bevrijden van zijn (erudiete) Romeinse lezers van angst voor de goden en van angst voor de dood.

Als aanhanger van de derde-eeuwse Atheense filosoof Epicurus trachtte hij het epicurisme als levenshouding aanvaardbaar te maken voor de Romeinse intelligentsia. Dat was een zware opgave, omdat de epicureïsche leer over het genot voor de meeste Romeinen niet te verenigen was met de belangrijkste deugd: pietas, de meestal religieus bepaalde plichtsbetrachting jegens de goden, de staat en de familie.

Met name Lucretius’ tijdgenoot Cicero stond sterk afwijzend tegenover het epicurisme, hoewel zijn beste vriend Atticus een Epicureeër was. Er bestonden dan ook veel misverstanden over de leer, niet alleen wat het genot betreft, maar ook over de goden: het odium van ’goddeloosheid’ is de school tot in moderne tijden aan blijven kleven.

Die misverstanden poogt Lucretius uit de wereld te helpen, zoals al meteen blijkt uit de befaamde opening van het eerste boek, het gebed tot Venus. De goden bestaan wel, maar zij leven in een volstrekt andere wereld dan wij; zij hebben niets met ons te maken. Al vrij snel komt Lucretius, aan de hand van het voorbeeld van de veldheer Agamemnon die zijn dochter op het altaar van de godin Artemis slachtte, tot een van de beroemdste regels uit het gedicht: tantum religio potuit suadere malorum, ’zozeer kon godsdienst leiden tot misdadigheid!’

Nee, de wereld waarin wij leven wordt geheel beheerst door natuurlijke processen, en in zes boeken zet Lucretius deze uiteen. In de eerste twee boeken behandelt hij uitputtend Epicurus’ leer van de (onzichtbare) atomen en de lege ruimte, die in hun voortdurende werveling de zichtbare werkelijkheid tot stand brengen. Zoals Lucretius het Griekse woord ’atoom’ vermijdt, maar van zaden, kiemen of (eerste) deeltjes spreekt, gebruikt Schrijvers ook nergens het woord atoom – terecht, want door de moderne atoomfysica waar Lucretius uiteraard geen weet van had, is dat woord misleidend. Dat neemt niet weg dat ’De natuur van de dingen’ altijd en met de Verlichting in toenemende mate een invloedrijke doordenking van de fysieke werkelijkheid is geweest. De technische inhoud van de eerste twee boeken compenseert de dichter met vaak pakkende beelden en vergelijkingen.

In boek drie staat de vergankelijkheid centraal, niet alleen van het lichaam, maar ook van de ziel en de geest, die evenzeer uit deeltjes bestaan. De ziel kan niet onsterfelijk zijn; derhalve raakt de dood ons niet. In boek vier werkt Lucretius deze zielsleer uit in een verhandeling over de waarneming en het denken, over onze lichamelijke en geestelijke functies als mens. Fascinerend is de beschrijving van fenomenen als de slaap, het dromen, de zaadlozing of de (on)vruchtbaarheid.

Gaan de eerste vier boeken dus over de deeltjes en hun werking in de ’beeldjes’ (simulacra) die zij uitzenden, de laatste twee boeken behandelen kosmologische en meteorologische onderwerpen. Onder de laatste vallen ook naar antiek gebruik dingen als vulcanisme en aardbevingen. In boek vijf krijgt ook de cultuurgeschiedenis van de mensheid een plaats.

Het hele gedicht eindigt met de huiveringwekkende beschrijving van de pest in Athene in 430 vChr. Dat Lucretius ervoor koos met zoveel sterven en doodsangst zijn werk te besluiten, is paradoxaal. Schrijvers behandelt die in een essay dat hij aan de vertaling heeft toegevoegd: ’Schildknaap en tolk van Epicurus – Lucretius in Nederland’. Naar mijn idee completeert hij daarmee deze uitgave tot het monumentale werk dat het is. Hij geeft een buitengewoon belezen en kritisch verslag van Lucretius in Nederland – maar ook daarbuiten –, vanaf ’Het schilderboeck’ van Karel van Mander uit 1604 tot de moderne dichters Ida Gerhardt en Cees Nooteboom.

Opmerkelijke feiten zijn dat tussen 1709 en 1966 geen volledige Lucretius-vertaling in Nederland meer is verschenen, en dat de dichter tijdens de Noord-Nederlandse Verlichting vrijwel afwezig is geweest. Ook maakt Schrijvers gewag van het ’Gereformeerde Lucretius-Reveil’ rond 1900: het waren het proefschrift van de gereformeerde rector van het Marnix-gymnasium in Rotterdam J. van der Valk en de bloemlezing van VU-hoogleraar J. Woltjer van Latijnse dichters Serta Romana (voor gebruik op de middelbare school!), met daarin een ruime portie Lucretius, waarmee de dichter in Nederland vaster voet kreeg.

De vertaling van Schrijvers is hartverwarmend precies en schuwt eigentijds taalgebruik niet, bijvoorbeeld: „en hoeveel schade wordt niet aangericht door hoogmoed, / verloedering, onbeschoftheid, luxe, lanterfanten?” Het ritme verleidde hem wellicht tot het vers „uit hele kleine, gladde, ronde eerste-deeltjes” met een naar mijn gevoel nog steeds ongrammaticaal ’hele’ in plaats van ’heel’.

Groter aarzeling heb ik bij zijn keus de epische versmaat van zes dactylen in het origineel te vervangen door de alexandrijn, zes jamben (’Het hemelse gerecht heeft zich ten langen leste’). Schrijvers spreekt van de in het Nederlands ’ietwat overjarige dactylische hexameter’, terwijl ik die kwalificatie eerder aan de alexandrijn zou geven. Maar ja, die discussie sleept zich al zó lang voort. De ritmische vrijheden die de vertaler zich veroorlooft, maken dat ’De natuur van de dingen’ op de rand van het prozagedicht balanceert. Is dat erg? Nee, en we krijgen er zó veel voor terug.

Perziken en vaas: Romeins fresco uit Herculaneum, ongeveer 50 voor Christus. (Trouw)
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden