Review

Een moederskindje en zijn vrouwen

Op een dag verlaat Nina Fischer, kettingrokende balletdanseres, haar man. Ze neemt haar 12-jarige zoontje mee: hij mag voortaan op de balletschool slapen. Hoe de jonge puber dat beleeft, hoe zijn seksualiteit tussen al die jonge meisjes vroeg, te vroeg ontluikt, beschrijft Herman Stevens in zijn nieuwe roman ’Moederziel’. Een empathische, zintuiglijke roman, in de traditie van Vestdijk.

’Moederziel’, de titel van Hermans Stevens’ jongste roman, drukt het mooi uit: dat het om de ‘moederziel’ gaat én dat de hoofdpersoon alleen is, wezenlijk alleen. In zijn vier vorige romans richtte Stevens steeds een monument voor de vrouw op. Zijn ‘helden’ werden begoocheld door een ‘femme fatale’. Het waren in zekere zin mythen rond een zelfde thema. Zijn werk, wars van mode en andere grillen, deed daarbij denken aan grote voorgangers als Proust en Vestdijk.

In ’Moederziel’ heeft Stevens zich over zijn eigen verleden ontfermd. Het is ’zijn meest ambitieuze en zijn meest autobiografische roman’, heet het op het omslag. Bij een andere schrijver zou je dat merkwaardig vinden, autobiografische boeken zijn meestal helemaal niet de meest ambitieuze; heuse fictie is immers het hoogst haalbare. Maar voor de briljante stilist en verhalenbouwer Stevens is die stap naar zijn eigen verleden juist weer heel bijzonder: hij delft eindelijk in zijn eigen goudmijntje.

Hoofdpersoon Wessel de Roos, kind van gescheiden ouders, groeit op bij zijn moeder, nota bene in een oude balletschool in Rotterdam waar zijn moeder, een gewezen danseres, lesgeeft. Vanuit deze ongebruikelijke biotoop leert het twaalfjarig jongetje de wereld kennen, die uiteraard voornamelijk uit meisjes bestaat. Gebiologeerd ziet hij toe hoe ze zich omkleden, hoe ze op zijn bed komen zitten, hoe ze met hem als enige jongen in deze moderne serail omgaan en flirten: de drie Yvonnes, Sylvia, Saskia, Floortje.

Voornaamste gids in dit bestaan is zijn moeder, de kettingrokende Nina Fischer die haar huwelijk beu was, haar man vriendelijk gedag heeft gezegd en met hun enige zoon is vertrokken. Wessels vader, notaris elders in Rotterdam, leeft zonder merkbaar verdriet verder in het oude huis, ontvangt van tijd tot tijd zijn zoon en zijn vrouw en speelt een beetje de wijze patriarch op de achtergrond.

Dat is het gekke, als je het zou verzinnen zou deze constellatie onwaarschijnlijk overkomen maar gebaseerd op de realiteit geloof je erin. Dat komt doordat Stevens zich nauwkeurig aan het perspectief van zijn opgroeiende alter ego houdt: zijn ouders redetwisten wel eens wat, de meisjes om hem heen fladderen voorbij met hun eigen levens maar de hoofdpersoon, en met hem de lezer, weet niet meer dan wat hij ziet en ervaart. Een vreemde wereld die veroverd moet worden.

Tot Wessels vertrouwde wereld daarentegen behoort zijn moeder, maar voor de lezer is juist zij een nogal uitzonderlijk exemplaar. Voor alle feministische golven uit is ze al volledig geëmancipeerd. Wie ’Moederziel’, dat in het jaar 1968 speelt, legt naast Hans Münstermanns met de AKO-literatuurprijs bekroonde roman ’De bekoring’, spelend in 1960, ook over een vrouw die het huiselijk nest verlaat, proeft het verschil van de tussenliggende jaren: Nina Fischer keert niet met hangende pootjes terug.

Een van de karakteristieke kenmerken van Stevens’ proza is dat hij als geen ander een ongrijpbare en zintuiglijke wereld van ervaringen weet op te roepen: heel dat Rotterdamse puberleventje komt tot leven zonder dat je er precies je vinger op weet te leggen: ,,Hij liep langs de spiegelwand en probeerde uit zijn ooghoek te kijken hoe hij eruitzag voor de gemiddelde voorbijganger. Een blonde jongen met zijn handen in zijn zakken. Hij haalde zijn handen uit zijn zakken en liep nog een keer voorbij. Op weg naar zijn kamer duwde hij voorzichtig de roze deur open. Alles liever dan zijn eigen kamer. De kleedkamer was verlaten. Er hing alleen een ceintuur aan een haakje. Dat hing er al weken, vergeten, het elastiek versleten. Verder was er geen spoor van de meisjes die zich er elke week omkleedden. Behalve de lucht. Die was nog nooit zo bedwelmend geweest.’’ Synesthetische beschrijvingen die de lezer zo die ruimte binnenvoeren.

Behalve een roman over een eenzelvig, gevoelig jongetje en zijn vrijgevochten moeder is ’Moederziel’ ook een roman over het middelbare schoolleven aan het eind van de jaren zestig, begin zeventig, een tijd van drastische ommekeer, hier bijna beschreven als een soort stuip van de maatschappij.

Voor de kenner van die tijd, waartoe ik mijzelf reken, is het een feest der herkenning, vol subtiel verweven decorstukken (de hoes van ’Atom Heart Mother’, popfestival in Kralingen), maar in de eerste plaats heeft Stevens toch die universele vreemde overgangstijd die de puberteit is, prachtig in kaart gebracht, van ontluikende seksualiteit, kwetsbare ambities, emotionele groeischeuten.

In het begin vraagt Wessel nog naïef aan zijn moeder ‘Waarom zijn meisjes mooi?’ maar even later is hij al voluit verliefd op zijn Saskia, zo verslingerd zelfs dat de beide moeders het premature stelletje een omgangsverbod opleggen. En tegen het eind lijkt de waarheid van ’vroeg rijp, vroeg rot’ ingelost als ,,het met Wessel al snel bergafwaarts was gegaan na zijn grote liefde. Er waren alleen nog meisjes die even aan hem roken maar ze merkten meteen dat hij zijn beste tijd al had gehad. Meisjes zagen dat meteen. Nooit zag hij het licht nog terug waarin hij had gebaad.’’ Zo wordt Wessel al op jeugdige leeftijd de lotgenoot van zijn moeder wier eigen danscarrière ook voortijdig ten onder is gegaan.

Daarmee is ’Moederziel’ een roman over een dubbel verloren paradijs, over wensdromen en teleurstellingen die, voel je, de rest van het leven ook wel zullen bepalen.

Natuurlijk, het autobiografische karakter van dit boek geeft de gedachte in dat Stevens’ vorige werk thematisch wel terug zal gaan op die jeugdervaringen in de balletschool. Maar meer dan dat is ’Moederziel’ een Bildungsroman die doelbewust aansluit bij soortgelijke ondernemingen uit het verleden, ’Tonio Kröger’, ’Terug tot Ina Damman’, ’Le Grand Meaulnes’. Geen plot of spektakel maar een fijn netwerk van emoties en gebeurtenissen die de menselijke ziel plooien en vormen. Daarin doet Stevens een beetje denken aan de Vlaming Erwin Mortier, ook zo’n hedendaags auteur die eerder naar Proust kijkt dan naar Grunberg zal ik maar zeggen. Maar Stevens is minder geparfumeerd en koket en bevalt me ten slotte stukken beter. Hij is een esthetisch schrijver, maar met een even scherpe als empathische blik.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden