Review

Een metafysicus en een gewone sterveling

Bij de Leuvense uitgeverij P is onlangs werk verschenen van de Argentijn Roberto Juarroz (1925-1995), en van de Mexicaan Jaime Sabines (1926-1999). Buitenlandse poëzie in vertaling is een zeldzaamheid geworden, uitzonderingen als Nobelprijswinnaars of klassiek geworden auteurs daargelaten. Een lovenswaardig initiatief dus, van een uitgever die tegen de stroom in durft te gaan.

Alle dichtbundels van Juarroz, veertien in totaal, zijn verschenen onder een en dezelfde titel, namelijk 'Verticale poëzie'. Ze zijn slechts van elkaar te onderscheiden door een volgnummer. Waarom vertaler Guy Posson voor het elfde deel, dat uit 1988 dateert, heeft gekozen, verantwoordt hij niet in zijn overigens verhelderende nawoord. In elk geval betekent deze tweetalige uitgave de introductie van Juarroz' poëzie bij de Nederlandstalige lezer, die het tot nu toe moest stellen met een kleine keuze uit dit oeuvre.

Juarroz past in een Argentijnse metafysische, beschouwende traditie, in zijn werk overheerst het heldere denken. En dat levert sobere verzen op, ontdaan van elke franje.

Het lijdt geen twijfel dat literatuur voor Juarroz bittere ernst was. Net zoals zijn grote voorbeelden Eliot, Rilke en Baudelaire, meende hij dat poëzie zich op de verticale as van het bestaan bevond, samen met alles wat het leven de moeite waard maakt. Is de mens gedoemd om steeds dieper te vallen naarmate hij ouder wordt, poëzie biedt hem de mogelijkheid om af en toe op te stijgen, om de wet van de zwaartekracht om te keren. Immers, ,,klimmen duurt niet eens/zoveel langer of zoveel korter/dan dalen'.

Juarroz' poëtica is erop gericht het onzegbare uit te drukken, het onmogelijke te bewerkstelligen, het wezen der dingen te doorgronden - ook een verwant dichter als Octavio Paz omschrijft het vermogen van de poëzie in dergelijke termen. Bij Juarroz echter geen lyrische ontboezemingen: Paz had het in een lovend essay in dit verband over de 'vermoeiende doorschijnendheid' van zijn Argentijnse collega. Anders dan bij Borges, die evenmin iets moest hebben van pathos, is het in het werk van Juarroz vergeefs zoeken naar enige couleur locale. Er komen geen straatnamen of typische Argentijnse personages in zijn verzen voor, hij weert elke beschrijving of anekdotiek. Maar ook al kunnen Juarroz' gedichten bezwaarlijk hermetisch worden genoemd - hij gebruikt geen moeilijke woorden of beelden en geen ingewikkelde zinnen- toch vergen ze een inspanning van de lezer.

Ondanks Juarroz' veelvuldig gebruik van negatieve woorden, en van vragende vormen die zijn twijfel uitdrukken, is zijn werk niet nihilistisch, wel op een bepaalde manier minimalistisch: er is bijna niets, maar juist op dat weinige komt het aan. Er is geen enkel houvast, aangezien de toekomst niet bestaat, het heden louter verandering is en het verleden evenmin soelaas biedt: ,,Er bestaat geen voltooid verleden/waar wij op kunnen steunen

/zoals op een balkon/om een roerloos landschap gade te slaan.'

Daarom moet de dichter van die verwarring vertrekken en daarmee aan de slag gaan. Hij moet ,,stukjes leegte uitknippen/en ze terzijde leggen/opdat geen mens ze invullen zou.//Daarna die knipsels nemen,/als vlijtige scholieren/met hun kleurige vellen doen,

/en er een huis, een boom, een landschap mee maken,/en wie weet zelfs de figuur van een mens.'

Eigenlijk is het Juarroz' overtuiging dat er niets anders op zit dan telkens opnieuw te beginnen, telkens opnieuw te graven naar de kern van de dingen, in de lucide wetenschap dat die kern onbereikbaar is. Deze paradoxale zoektocht is wellicht de belangrijkste drijfveer van zijn aparte dichterschap.

In meer dan één opzicht kan de Mexicaan Jaime Sabines gelden als een tegenpool van zijn Argentijnse tijdgenoot. Aan zijn dichterschap, waaruit nu voor het eerst bij diezelfde P een tweetalige selectie in het Nederlands is verschenen, ligt immers maar weinig speculatie ten grondslag. Het is veeleer voortgevloeid uit het dagboek dat Sabines zijn leven lang bijhield, en draagt daar ook de sporen van. Het betreft vaak prozagedichten, waarvan de praatstijl ook wel eens bedriegt: ze beginnen meestal gemoedelijk maar worden naderhand hartstochtelijk, sarcastisch of rauw. Anders dan Juarroz haalde Sabines de dichtkunst voortdurend van haar voetstuk, wat bijvoorbeeld ook blijkt uit de titel van de bloemlezing, 'Dichter? Nee, voetganger'. Sabines realiseert zich dat hij voor zijn stadgenoten een gewone sterveling is, en hoedt er zich wel voor zich door ingebeelde roem op sleeptouw te laten nemen. Ondanks die zelfspot -of juist daarom- was hij erg geliefd bij het grote publiek. Enigszins gecultiveerde Mexicanen kennen verzen van hem uit het hoofd, en zijn publieke optredens werden druk bijgewoond. Als geen ander belichtte hij dan ook alle aspecten van de menselijke conditie, en wist hij in de uitwerking van die thema's eenvoud aan diepgang te paren. Een enkele keer leidde zoveel pretentieloosheid ook wel tot gratuite formuleringen.

De bloemlezing, samengesteld en van een nawoord voorzien door Marco Antonio Campos, bestrijkt de hele loopbaan van Sabines en is geordend volgens thema (achtereenvolgens de poëzie, de stad, de liefde, de dood, het dagelijks leven). Stefaan van den Bremt zorgde voor een evenwichtige vertaling van gedichten én nawoord. Terecht beschouwt hij de bundel 'Tarumba' (1956) als een hoogtepunt in Sabines' oeuvre. Tarumba fungeert hier als eigennaam, als het alter ego van de dichter dat voortdurend wordt aangesproken: ,,Ik weet niet wat jij voor iets bent,/wat jouw echte naam is,/maar je zou mijn broer kunnen zijn of mezelf.' Tarumba is de bondgenoot die hem begrijpt in zijn rabiate streven naar onafhankelijkheid en in zijn ophemeling van het heidense leven.

Sabines' ongeremde levensdrang is een paradoxaal gevolg van harde confrontaties met de dood, waarover hij aangrijpende en realistische gedichten heeft geschreven. Zo bezweert hij zijn vader, Majoor Sabines, om uit zijn graf op te staan, en aan zijn moeder Doña Luz biedt hij alle mogelijke diensten aan, maar niets helpt, want ,,er zit geen poëzie in de dood'. Wanneer Sabines ook nog zijn tweeëntwintigjarige zoon verliest, neemt hij zich voor om nooit meer over de dood te dichten. Hoewel hij daar niet in slaagt, gooit hij het in 'Tarumba' toch overwegend over een andere boeg. Hij weigert zich gewonnen te geven en blijft onvermoeibaar genieten, leven en werken. Want ook al liet hij geen gelegenheid onbenut om de poëzie te demystificeren, hij erkende dat ze zijn lotsbestemming was, een gedrevenheid die hij dan wél weer met Juarroz gemeen had.

De vertaling van twee zo verschillende dichters helpt om een dam op te werpen tegen de dreigende verschraling van het buitenlandse poëzielandschap. En dat kan elke literatuurliefhebber alleen maar toejuichen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden