Eén met de geit in het uur van de dood

Willem Jan Otten beschouwt films over onmogelijke keuzes. Vandaag: 'Le Quattro Volte', over de mens als geit.

Dichter en essayist Willem Jan Otten (1955) ontving voor zijn beschouwend proza de P.C.Hooftprijs.


Een paar weken na de dood van mijn vader stuurde een vriend, die veel bij mijn vader was geweest in de jaren na de laatste beroerte, mij een foto van een meeuw. 'Hij zit er nog steeds', stond er bij de foto geschreven. Natuurlijk herkende ik de meeuw terstond: er was nooit een bezoek voorbijgegaan zonder dat mijn vader naar hem gewezen had. We hebben het ooit nagekeken in de vogelgids: het was een zilvermeeuw. Mijn vader was steeds moeilijker gaan spreken, maar het is hem gelukt om hem 'de jenevermeeuw' te noemen. Dat had te maken met het tijdstip waarop de meeuw op de daklijst van het gebouw aan de overkant meestal wegvloog: ongeveer vijf uur 's middags. Hij had daar dan een groot deel van de middag gezeten.


Mijn vader was niet alleen, toch geloof ik dat de meeuw hem verloste van een eenzaamheid. Misschien moet ik het zo zeggen: de meeuw deed mijn vader zijn eenzaamheid, die vooral een opgeslotenheid was, beseffen, op een te verdragen manier.


Het is nu allemaal bijna tien jaar geleden, het appartement is al lang verkocht, mijn vaders weduwe ook alweer gestorven. Ik weet niet hoe oud meeuwen worden. De foto kan ik nergens meer vinden. Waar ik woon zie ik, op mijn beurt, eigenlijk altijd wel een meeuw op de daklijsten van één van de woontorens tegenover mij - en nooit denk ik niet, als er een zilvermeeuw in mijn blikveld neerstrijkt, aan mijn vader, of laat ik zeggen, ik denk heel vaak 'daar ben je weer'. Geen indrukwekkende gedachte, maar de vier woorden bevatten wel mijn hele vader. Want dat is er gebeurd: mijn vader is verhuisd naar de zilvermeeuw.


Er is een Italiaan die van ons vermogen om zielen te laten verhuizen naar dieren, naar planten, en zelfs naar zakken houtskool, een weergaloze film heeft gemaakt. Hij heet Michelangelo Frammartini, en 'Le Quattro Volte' is zijn tweede film. Hij heeft in 2011 kort in anderhalf filmhuis gedraaid. Zelf heb ik hem in Brussel gezien, op een middag. Er zaten nog vier andere mensen in de zaal.


Er is geen eenvoudiger film gemaakt dan 'Le Quattro Volte', of het moest 'Svyato' zijn van Victor Kossakovski, waarin we niets anders meemaken dan dat een peuter zijn eigen spiegelbeeld ontdekt. Met eenvoudig bedoel ik niet dat het makkelijk is geweest om de film te maken - maar dat het uitgangspunt zo vanzelfsprekend is. Er gebeurt iets heel diepzinnigs uiterst vanzelf. Net zo vanzelf als naar een zilvermeeuw kijken en zeggen 'daar ben je weer'.


'Le Quattro Volte' heeft niet zozeer een verhaal, als wel een structurerend principe. Er sterft na een half uur een oude man, een herder van geiten. Het laatste wat hij ziet is een geit, aan zijn voeteneind. Het is van groot belang te beseffen dat dit geen droom is...


Er is maar één werkelijkheid in deze film: wat je ziet is onze ene om zo te zeggen documentaire werkelijkheid. Het is op zichzelf al een kunststuk om verteld te kunnen hebben, zonder een woord dialoog of uitleg, dat iemand op zijn sterfbed bezoek krijgt van zijn geitenkudde; en ook om ons te laten geloven dat wij met de ogen van de stervende kijken naar de Laatste Geit - maar waar het wérkelijk om gaat is dat het beeld op zwart gaat, nadat we een kist in dorpsprocessie naar een begraafplaats gedragen hebben zien worden - een kist waar we niet in hebben kunnen kijken, maar waarvan we 'weten': daar ligt de gestorvene in - enfin, het beeld wordt zwart, en daarna zien we hoe, plompverloren, uit het achterste van een staande geit, een boreling-geit ploft, kleddernat, plens, op de strooien vloer van een stal.


De film heeft weergaloos geluid. Het is één van de stilste films die ik ken, toch doet hij je scherp luisteren. Je hoort elk ding afzonderlijk zichzelf zijn - de specifieke, droge ruis van een plataan, de doffe stomp van een platte schep in een houtskoolbranderij, het gereutel van een pick-up met drietaktmotor - maar het eerste geluid van dit geitekind overtreft alles wat sinds de geboorte van Isaak te horen is geweest. De plof, het schurend stro, en natuurlijk de eerste, bijna toonloze blaat.


Er is geen bioscoopbezoeker die nu niet 'weet' dat dit geitje de gestorven herder 'is'. Aanhalingstekens zijn ergerniswekkend als vlooien, maar het moet even - want we zitten hier in een ontologische knoop. Er wordt een geitje geboren, voor onze ogen, dat van meet af aan ook de herder is, die we, al eveneens voor onze ogen (en vooral: die van de geiten) gestorven hebben zien zijn. Dat geitje is nu de hoofdpersoon. Het brengt het verhaal verder, het vertelt hoe het verder gaat met de gestorvene. Alles wat het meemaakt - het drooggelikt worden door de moeder, het leren lopen op vier stijve stokken, het zoeken van de spenen, het spelen van wie het hoogst op een haverkist durft te staan, het mee met de kudde voor het eerst het platanenbos door - alles wordt nu mede beleefd door een dode. We zijn in het hevigst denkbaar, prilste heden: dat van een geitekind - maar ook in het hiernamaals, of laten we zeggen: het naleven, van de gestorvene.


Het wordt uiteraard nog geheimzinniger; de film heet niet voor niets 'de vier keren'. Want het geitje zal sterven. Na van de kudde te zijn geraakt, iets wat je totaal niet verbaasde, want de herder was ook een eenzaat geweest. In een interview vertelde Frammartini dat herders ook nu nog in het Calabrië waar de film geschoten is, outcasts zijn. Ze staan te dicht bij hun dieren, dat verontrust de mensen die 'binnen', in het citadelachtige stadje wonen. Herders leven, met hun kudde en hun stal, altijd aan de rand van de mensenwereld, 'en lopen gevaar dieren te worden'. Frammartini weet te vertellen dat herders in de Oudheid om die reden niet mochten getuigen in rechtszaken.


Ik moest denken aan de Oedipus. De tragedie begint met een herder die, zwervend met zijn kudde, ver van de stad een kindje met doorgesneden pezen vindt. Als dit kind, dat Oedipus wordt, later moet ontdekken wie hij zelf is (de gruwelijkste ontdekking die een mens kan doen: hij is de moordenaar van zijn vader, en de minnaar van zijn moeder) is het de opgetrommelde, getuigende herder, die het verhaal compleet, en dus voor Oedipus fataal maakt.


Frammartini memoreert dat de eersten die Jezus zagen en begrepen wie hij was, eveneens herder waren. "Ze leven op de grens van het goddelijke, het menselijke en het dierlijke."


Hoe dan ook, het geitje met de herderziel sterft even moederziel alleen als een half uur eerder de herder. Allener welbeschouwd, want om de herder heen hadden zich geiten verzameld. Het is even ontstellend als Bambi, en het gebeurt aan de voet van een kaarsrechte hoge sparachtige boom. We hebben het geitje even tevoren naar de boom zien staren. Dat wil zeggen: we hebben het klaaglijk blatend omhoog zien kijken, en daarna een shot gezien van een kaarsrechte sparachtige boom die hevig ruisend in een opgestoken wind van voet tot kruin door de camera werd afgetast.


Dat is een shot met oude papieren. Opkijken langs een boom en de kruin hevig zien bewegen is een aankondigingsbeeld, omineus, doodsimmanent, het komt bij Tarkovski voor, bij Malick, bij Kurosawa. Het is surrealistisch om een geit getroffen te laten zijn door een boomkruin, maar voor ons is het niet alleen de geit, het is ook de dode, we hebben een geitje opgeladen met het doodsbesef van de herder.


'Antropomorfie' is het woord dat in dit verband valt: het aan dieren menselijke eigenschappen toekennen. Het staat in een kwade reuk - volgens biologen moeten we afleren om de natuur op te zadelen met 'onze' eigenschappen. Het is beter om onszelf als hele apen te beschouwen, dan apen als halve mensen.


'Le Quattro Volte' doet me twijfelen aan de houdbaarheid van deze opvatting. Toen het geitje net geboren was, hebben we een volwassen geit te zien gekregen die, met haar horizontale pupillen, eerst naar de boreling keek. We zagen het geitje, het lag met wijdbeense poten nog plat en kleddernat op de harde stalvloer. Uiteraard was er geen uitdrukking op het kijkende geitengezicht te zien, dat hebben geiten nu eenmaal niet. Toch deelde ik iets met haar, en dat noemde ik (binnensmonds): ontroering. Dat is maar een woord, voor een innerlijke, onzichtbare ervaring die niemand anders kent dan ik, en die ik bij een ander, ook als het een mens is, alleen maar kan vermoeden.


Na dit kinderkijkshot laat Frammartini dezelfde geit even later (ze is dan buiten) naar boven kijken. Shot van een onbeschrijflijk mooie mediterrane hemelpartij met pluimende en verende wolken. Het shot blijft nadrukkelijk lang staan. En weer denk je: de geit is getroffen door de hemel. Het heeft een geheimzinnige uitwerking, dit shot - de herder is nog maar een paar minuten dood, we hebben van het babygeitje net de herder gemaakt, en nu kijken we met de ogen van een volwassen geit, die zojuist óók het geitje geboren heeft zien worden, naar de hemel... zoals je na iemands dood onwillekeurig naar boven kijkt, God weet waarom, dat doen mensen nu eenmaal, zelfs als ze geen barst geloven van het bestaan van de ziel, of van wat ook, vergewissen ze zich onwillekeurig van de hemel.


Het latijnse woord voor geit is capra (het zit verbasterd in kamperfoelie, geitenblad), en je vraagt je af of wat Frammartini doet niet 'capramorfie' moet heten. Wat hij wil laten zien, is niet dat wij hele geiten zijn, en ook niet dat geiten halve mensen zijn, maar dat we dit alles allemaal zijn - wij kunnen een geitje zijn, en zijn het, als we met haar naar de numineuze boomkruin kijken. Vreemder nog: we kunnen door de ogen van een geit de herder zijn, die in het uur van zijn dood zijn geiten aan zijn bed ziet staan. We kunnen - wat ik minstens zo raadselachtig vind - met de herder naar de van stofdeeltjes verzadigde atmosfeer in de dorpskerk kijken en delen in een ervaring van numinositeit. Van heilig ontzag. Het shot is even roerloos en zwevend geheimzinnig als dat van de geitenhemel even later. En welbeschouwd: als dat van de waaiende boomkruin nog weer later, in het uur van de geitjesdood.


En we kunnen de herder begrijpen, althans: volgen, als hij van dat heilige stof het drankje maakt dat hij elke dag voor het slapengaan drinkt. Het is schokkend achterlijk en bijgelovig, de Vereniging tegen de Kwakzalverij moet een vignet laten ontwerpen om ons tegen deze film te waarschuwen. Toch is het een uitdrukking van waar het Frammartini de hele film door, detail voor detail, en zonder een spoor vooringenomenheid, om gaat: de verwevenheid der dingen, goddelijke, menselijke, dierlijke, plantaardige.


Want de hoge kaarsrechte pijnboom, waaronder de herder in zijn incarnatie van geitje gestorven is, wordt geveld. Daarna worden zij, geitje en herder, als kaal geslagen stam, het dorp in gezeuld - en zullen zij opgericht worden als meiboom, waaronder het dorp het jaarlijkse ritueel viert van jongens die hun mannelijkheid bewijzen door er in te klimmen. Antropologen kunnen vertellen of dit inderdaad een vruchtbaarheidsrite is. De film doet dat niet, want er wordt geen enkel woord in gesproken, en dus wordt er niets uitgelegd.


Ik zei al, het is de meest vanzelfsprekende film denkbaar.


De boom wordt verzaagd naar de houtskoolbranderij gebracht, naar de 'vierde keer': herder, geitje en meiboom worden brandstof, in een schitterend gefotografeerde sequentie waar we, eindelijk, begrijpen waar de stompende, doffe klappen toch vandaan kwamen die we de hele film door op de achtergrond hebben gehoord. Het zijn de scheppen van de kolenbranders, die kunstig vervaardigde, iglo-achtige bouwsels van smeulende houtskool pletten. De fotografie wordt hier soms bijna abstract, toch ontgaat het je niet dat de assige, pikzwarte boomtakresten op menselijke beenderen lijken, of op geitenbotjes.


En zo begint de vierde keer, na de verhuizing van mens in dier, en die van dier in boom, de verandering van ding, houtskool, in - ja wat?


Als er ten slotte uit de schoorsteen van het huis waar de herder een uur geleden in gestorven is, een rookpluim verschijnt - nadat we meegemaakt hebben dat hij in zijn verhoutskoolde hoedanigheid in een juten zak bij de hospita is afgeleverd - ja, wat gebeurt er dan?


Je moet het gezien hebben om het te geloven, maar heus, dit pluimpje rook bevat de hele herder, het hele geitje, de hele boom, niets, niemand, gaat verloren en alles gaat op in heel het al.

Kijk en bespreek de film

Essayist Willem Jan Otten belicht in Letter&Geest maandelijks een film-tegen-beter-weten-in, over onmogelijke keuzes. Die is daarna te zien in debatcentrum De Balie. Daar bespreekt Otten de film na met een gast.


Wanneer? 'Le Quattro Volte' is te zien op woensdag 11 januari, 20 u. Ottens gast is regisseur Leonard Retel Hemrich, maker van onder andere 'De stand van de maan'.


Waar? De Balie, Kleine-Gartmanplantsoen 10 (Leidseplein), Amsterdam.


Kaarten?


Trouwlezers betalen geen euro 10, maar euro 8. Reserveer via www.trouw.nl/exclusief, of bel: 020-5535100.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden