Een mens verwacht wel iets beters van de toekomst

De achttienjarige Tom Zimba woont in een dichtbevolkt gebied dat grenst aan Harare, de hoofdstad van Zimbabwe. In 1991 liet zijn moeder hem en zijn zesjarige zuster in de steek. Ze bleven achter bij hun vader, een man die van het uitgaansleven hield. Maar in 1997 werd vader ziek, te ziek om te werken.

Eric Beauchemin

Tom: "We woonden in één kamer. Zeer klein, gemaakt van bordkarton. Als het regende kwam het water naar binnen. We schuilden in een hoek. Een bed hadden we niet, we kookten en sliepen op de grond. Twee lakens hadden we. Een paar maanden later kreeg hij tbc. Hij sliep bijna de hele dag. Ik bleef thuis en zorgde voor hem. We hadden niets te eten."

"In juni ging hij naar het Nazarethziekenhuis. Ze stuurden hem terug naar huis. Hij kon niet meer opstaan om naar het toilet te gaan. Hij liet alles lopen op de lakens. Ik sliep niet meer in dat huis, het stonk er te erg. 's Ochtends kwam ik en gaf hem te eten, bracht hem naar buiten, waar de zon schijnt. 's Avonds hielp ik hem op te staan en naar huis te lopen. Op 17 juni sprak hij opeens niet meer. Niets zei hij. Ik ging dus naar de kliniek, vertelde het aan de zusters. Ze lieten een ambulance komen en we gingen naar het Harare-ziekenhuis."

"Bij aankomst in het ziekenhuis vroegen ze mij om zijn identiteitskaart. Die had ik niet. Mijn vader was Zambiaan, dus ik ging naar de Hoge Commissie voor de Vluchtelingen. Daar zeiden ze mij dat ze zijn paspoort, foto's en ID-kaart nodig hadden. Ik ging dus op zoek naar mijn vaders ID-nummer. De mensen van de registratie vertelden mij dat ik naar de plaats moest gaan waar mijn vader was geregistreerd. Ik heb echter geen geld. Twee weken lang ging ik heen en weer tussen het ziekenhuis en de plaats waar ze ID-kaarten maken. Het is ongeveer 15 kilometer. Ik ging iedere dag te voet, in de ochtend, in de avond kwam ik weer terug. Ik leende van iemand 50 dollar (20 Zimbabwaanse dollar is 1 gulden-red), zo konden zij een ID-kaart maken voor mijn vader."

"Op 23 juni werd hij ontslagen uit het Harare-ziekenhuis, maar hij kon niet lopen en niet spreken. Hij staarde de mensen aan zonder iets te zeggen. Iedere dinsdag moest hij komen voor oefeningen. Tegen de mensen van het ziekenhuis vertelde ik dat ik het geld niet had om hem iedere dinsdag te brengen. Maar de zusters zeiden dat zijn bed nu voor een ander was."

"Ik leende 70 dollar voor een taxi om mijn vader naar huis te brengen. Ik had nog eens 25 dollar nodig voor pasfoto's van mijn vader. Het kostte me enkele dagen. Op 6 juli moest ik naar de Hoge Commissie van Zambia met de foto's en zijn ID-kaart. Ik stond op, ging naar hem kijken. Hij was zwaar aan het ademen. Ik ging een bad nemen, maar toen ik terugkwam ademde hij niet meer. Hij was dood. Dus dat betekende dat ik niet meer naar de Zambiaanse Hoge Commissie hoefde te gaan."

"Met zijn ID-kaart ging ik naar het Budiriro-politiebureau en vertelde wat er gebeurd was. Ik vertelde het aan de buren. Sommigen gaven wat geld om het lichaam naar het mortuarium te brengen. Mensen uit de buurt gingen naar de burgemeester van Harare die geld gaf om een kist te kopen. We kregen een klein graf op de Grandview Begraafplaats. Op 10 juli kregen we een open vrachtwagen die plaats bood aan tien mensen en de kist. Mijn zus en ik, en andere mensen, gingen dus naar de Grandview- begraafplaats."

"Toen mijn vader ziek was, dacht ik dat hij beter zou worden. Ik was helemaal in de war. Ik wist niet wat ik moest doen. Ik dacht dat ik terug naar school zou gaan als hij weer beter was. Maar toen ik zag dat hij dood zou gaan, wilde ik mijn moeder gaan zoeken. Maar ik wist niet waar ik moest beginnen."

"De mensen in Mashambanzou, van de liefdadigheid, namen ons mee van de plek waar we woonden. Ze gaven spullen - wat lakens, een kookstel, wat borden, een pot en wat kleren - en brachten ons naar de hutten waar we nu leven. In het begin brachten ze eten. Iedere maand kregen we 20 kilo, maar dat is niet genoeg. We moesten bij de buren halen. Als zij zeiden dat ze niets hadden, gingen we slapen zonder dat we iets in onze mond hadden gestopt."

"We hebben ook last van ratten. 's Nachts, als ik slaap, komen ze en eten ze de maaltijd of de groenten. Als de ratten niks vinden, eten ze de zeep."

"Mijn zus wil niet naar school als ze niet gegeten heeft. Maar ik ga zelfs als ik niet gehad heb. Mijn zus is daar boos om. Ik heb het haar proberen uit te leggen, maar ze begrijpt het niet. Ze weigert zondag naar de kerk te gaan. Omdat ze geen kleren heeft, zegt ze. Haar vrienden hebben veel kleren, iedere zondag gaan ze met andere kleren naar de kerk. Dat is dus een probleem. Ik weet niet wat ik eraan moet doen. Misschien ziet ze niet in hoe we leven."

"Als ik niet op school ben, ben ik vooral in mijn huis. Met mijn zuster kan ik nergens over praten. Als zij ook thuis is, slaapt ze in haar eigen huis, en ik slaap of lees in mijn eigen huis. De enige vrienden die ik heb zijn op school. Als mijn vrienden over verhalen praten die ze op de radio of televisie hoorden, ga ik weg. Ik lees de krant niet of luister niet naar de radio of kijk niet naar de televisie. We hebben dat niet. Ik voel me alleen, in eenzaamheid."

"Nu is er in Zimbabwe corruptie en vriendjespolitiek in de industrie. Het is erg moeilijk voor mij een baan te vinden. Mensen als ik, wat moeten we doen in de toekomst? Een mens verwacht wel iets beters van de toekomst. Maar we zullen doorgaan een leven te leven dat niet zo is als we het verwachtten. Het zal erg, erg moeilijk zijn voor mij iets te doen. Ik zal thuis blijven en niets doen en dan zal er steeds weer armoede zijn. We zullen blijven lijden. Nu zijn we jong en wordt er voor ons gezorgd, maar als we oud zijn zal het leven nog harder worden."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden