Een massa frivole schilderkunst in een zakelijke stad beeldende kunst

'Rotterdamse meesters uit de Gouden Eeuw' t/m 15 jan. in het Historisch Museum 'Het Schielandshuis', Korte Hoogstraat 31 in Rotterdam, di-za 10-17 uur, zo en feestd. 13-17 uur, gesl. beide Kerstd. en 1 jan. Cat. ¿ 49,50/¿ 75.

Hoe gaat dat: een museumdirecteur wil zijn vertrek in stijl kenbaar maken. Hij organiseert nog één keer een spectaculaire tentoonstelling en is al voor de afloop verdwenen. Maar de expositie blijft als laatste proeve van zijn kunnen voorgoed aan zijn naam verbonden, overstijgt alles wat hij daarvoor deed. 'De grote parade' van Edy de Wilde in het Stedelijk in Amsterdam en '1928' van Wim Crouwel zijn voorbeelden van tentoonstellingen waar ze nog lang aan worden herinnerd.

A.M. Meyerman in Rotterdam koos voor dezelfde weg. Als scheidend directeur van het Rotterdams Historisch Museum Het Schielandshuis voert hij nog één keer een spektakel op met memorabele trekken. Memorabel, omdat het Rotterdam in één keer terug zet op de culturele kaart van de 17de eeuw. Rotterdam, dat ook in het verleden leed aan een verkeerd cultureel imago, blijkt in de Gouden Eeuw een interessant artistiek klimaat te hebben gekend. Dat kan zeker na deze expositie gezegd worden.

Schilderkunst in de 17de eeuw is geografisch gezien onverbrekelijk verbonden aan de drie grote steden: Haarlem, Amsterdam en Utrecht. Daar zaten de meeste schilders, daar kwamen ook de opdrachtgevers op af en was een vrije markt te vinden. In kleinere steden was op een beperkte schaal natuurlijk ook het een en ander aan de hand. In Leiden, Den Haag, Middelburg, Kampen, Dordrecht en Delft waren kleine groepen schilders actief, die werk maakten dat gretig aftrek vond.

Vreemd genoeg wordt Rotterdam in dit rijtje nooit genoemd. Toch waren hier gedurende de hele eeuw zo'n 250 kunstenaars actief. Dat hun werk aftrek vond, bewijst het feit dat velen zich konden specialiseren in bijzondere onderwerpen. Zo wordt de Rotterdamse schilderkunst niet alleen door de traditionele onderwerpen als portret, landschap, interieur en stilleven beheerst, er zijn ook onderwerpen te vinden die vrijwel nergens anders voorkomen. Dat geldt bijvoorbeeld voor stalinterieurs, maanlandschappen en de zogeheten 'brandjes', voorstellingen van stadsdelen die in brand staan.

Deze bijzondere aspecten hebben de Rotterdamse schilderkunst geen landelijke uitstraling kunnen geven. Daar zijn wel redenen voor te vinden. Rotterdam miste schilders van naam en faam: geen fijnschilder als Gerard Dou in Leiden, geen portrettist als Frans Hals in Haarlem, geen landschapschilder als Aelbert Cuyp in Dordrecht, geen Vermeer van Delft, geen stillevenschilder als de Bosschaerts in Middelburg. Rotterdam moest het stellen met namen als Willem Buytewech, Jacob Ochtervelt, Adriaen van der Werff, Cornelis Jansz. Snellinck, die bepaald geen slechte schilders waren maar die niet echt aanspraken. Een tweede reden ligt in het ontbreken van een 'Rotterdamse School'. De kunstenaars in de Maasstad verenigden zich bentsgewijs, klonterden niet tezamen op grond van gelijkgestemde opvattingen, maar bleven individualisten die alleen voor zichzelf opkwamen. De afwezigheid van een toonaangevende schilderspersoonlijkheid is daar waarschijnlijk debet aan.

Het beeld dat de Rotterdamse kunst in de Gouden Eeuw te zien geeft, mag dan lijden aan een tekort aan aansprekende kwaliteit, weinig gevarieerd en beperkt is het zeker niet. De stad kende een groot aantal kleine meesters die zeer bedreven waren in één of twee genres en daarin uitblonken door originaliteit en frivoliteit. Hoe zakelijk de stad dan ook mocht zijn, het ontbrak de kunstenaars niet aan een luchtige en lichtvoetige opstelling. Nergens kom je een overdreven moraliserende toon tegen, zelden wordt gewaarschuwd tegen menselijke afwijkingen. Zelfs een schilder als Adriaen van der Werff, die in zijn portretten het belerende vingertje opstak, had nog altijd meer met humor dan met een domineestoon te maken.

De meeste kunst is ontstaan in het verlengde van de smaak van de burgerij, en dat betekende naast portretten niet al te beladen kunst met een voorkeur voor het alledaagse. De kerk speelde als opdrachtgever geen rol meer, het kunstminnend publiek des te meer. Geliefd waren die taferelen die appelleerden aan gevoelens van trots of een hang naar het pittoreske. Een reder die zijn schepen geportretteerd wilde zien, zorgde voor werk bij de maritieme schilders, even goed als er vraag was naar landschappen.

Het is opvallend dat de in Rotterdam geschilderde landschappen zo druk bevolkt zijn. Er gebeurt altijd wat: een veerman trekt zijn schuit van de oever, reizigers zijn op weg naar een verre einder, soldaten vermaken zich of er heerst economische bedrijvigheid. Altijd is er een aanleiding, nooit staat het landschap op zichzelf.

Als zovele andere steden stond Rotterdam open voor het vreemde. Door de komst van Vlaamse emigranten in het begin van de 17de eeuw, die met hun nieuwe kunst autochtone schilders alras confronteerden, konden provinciaalse trekjes in de schilderkunst worden weggedrukt. Zo werd aanvankelijk in de trant van Pieter Bruegel de Oude gewerkt, wat leidde tot realistische, breed opgezette landschappen met een doorkijkje tot aan de horizon. Maar halverwege de 17de eeuw raakte het boslandschap met gesloten formaties van bomen plotseling in zwang. Het realisme werd ingewisseld voor idealisme, Bruegel werd te Rotterdam voor Lorrain ingeruild. Gaandeweg slopen ook classicistische trekken de schilderkunst binnen, het begin van een internationale oriëntatie en daarmee het einde aankondigend van een oorspronkelijke, plaatselijke stijl.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden