Een martelaar op zoek naar een zaak

Drie jaar na zijn dood werd hij al heiligverklaard - een tempo dat niet voor vele heiligen is weggelegd. Stormachtig was zijn leven in de twaalfde eeuw, pendelend tussen Engeland en Frankrijk. En gewelddadig was zijn dood in 'zijn' kathedraal in Canterbury. Maar wie was nu eigenlijk de held in die strijd tussen kerk en straat?

De pelgrims uit de verste hoeken

Van Engeland, gaan Canterbury bezoeken

En de zalige, heilige martelaar

Die de zieken redde uit doodsgevaar.

Geoffrey Chaucer dichtte zijn Canterbury Tales tweehonderd jaar na de gewelddadige dood van de martelaar van wie in bovenstaande regels sprake is. Het graf van Thomas Becket (1118-1170), aartsbisschop van Canterbury, was lange eeuwen het middelpunt van wijde verering. Hij was in leven eerst de steun en toeverlaat, en vervolgens de doodsvijand van een Engelse koning geweest. En niet van de minste: Hendrik II (1133-1189) stamde af van de Normandische koningen die sinds de overwinning van Willem de Veroveraar bij Hastings in 1066 Engeland bestuurd hadden.

Met Hendriks aantreden in 1054 kwam een eind aan een lange burgeroorlog tussen de koning en de feodale baronnen in Engeland. Bovendien schonk hij de Engelse troon Aquitanië, zo'n beetje heel Zuidwest Frankrijk, dat hij door huwelijk had verworven. Later zou dit bezit de verhoudingen tussen Engeland en Frankrijk vergiftigen, en de inzet van de Honderdjarige Oorlog worden. Maar vooreerst was het een extra kroonjuweel voor een koning die meer Frans dan Engels georiënteerd was.

,,Alle mensen hadden hem lief, want hij sprak eerlijk recht en sloot vrede. Niemand waagde het kwaad te doen, want hij boezemde groot ontzag in.' Zo schreef een chroniqueur kort na Hendriks troonsbestijging. Achteraf oordeelde de publieke opinie minder gunstig over een koning met een notoir opvliegend karakter, een koning die op zijn sterfbed moest vaststellen dat zijn twee zonen met zijn Franse vijanden heulden. Maar bovenal: die het christendom verbijsterd had met de moord op Thomas Becket, Engelands hoogste kerkvorst.

Ook Becket behoorde tot de Normandische bovenlaag van Engeland, zij het niet tot de adel maar tot de burgerstand. Zijn vader, een koopman uit Rouen, was naar Londen verhuisd. Hij kon Thomas een goede opleiding geven, deels aan de kerkscholen en deels aan het hof van een adellijke klant van de zaak. De heftige schommelingen in het leven van Thomas zijn vast ook een effect geweest van de uiteenlopende milieus waarin hij opgroeide. Hij bracht het in de kerk tot diaken, werd secretaris van de Aartsbisschop van Canterbury, en behandelde in die functie veel juridische en diplomatieke kwesties voor de Engelse kerk Hij vergat zichzelf daarbij niet, en zijn prachtlievende huishouding baarde opzien. Iets van een parvenu heeft hem altijd aangekleefd.

Toen Hendrik aan de macht kwam beval de aartsbisschop Thomas aan bij de jonge koning. Hendrik had wetgevende ambities, en de Common Law, het stelsel van overgeleverde rechtsregels dat tot op de dag van vandaag in Engeland de plaats van een wetboek inneemt, begint met zijn inspanningen. Thomas werd in 1155 kanselier van de koning, ook een post waarin hij zijn juridische en bestuurlijke talent kwijt kon. Zijn voormalige broodheer, de kerk, plukte de wrange vruchten van de promotie, want Hendrik beijverde zich met behulp van zijn kanselier om greep te krijgen op de bezittingen van de kerk, op de benoemingen van prelaten, en op de kerkelijke rechtspraak.

Thomas kweet zich zo goed van zijn taak dat Hendrik hem na de dood van de aartsbisschop van Canterbury diens zetel aanbood, in de veronderstelling dat hij zo de hele kerk naar zijn hand kon zetten. Maar al kort na zijn benoeming in 1162 maakte de nieuwbakken aartsbisschop, die nog niet eens tot priester was gewijd, duidelijk dat het hem menens was met zijn kerkelijke verantwoordelijkheden: hij excommuniceerde edelen en hovelingen en hij onttrok priesters aan het koninklijk gezag. Vooral op het punt van de bevoegdheid van de kerk om haar rechtspraak buiten de koning om te regelen, knapte de goede verhouding tussen Hendrik en Thomas.

De grootvader van de koning, Hendrik I, had het met een voorganger van Thomas in Canterbury, de scholasticus Anselmus (1033-1109), ook al aan de stok gekregen over de bevoegdheden van wereldlijke en geestelijke heersers. Paus Gregorius VII (1021-1085) had zich sterk gemaakt om de kerk te bevrijden uit de horigheid aan de vorsten en edelen waarin zij terecht was gekomen. Die hervormingsbeweging blies Thomas nieuw vuur in.

Hendrik vond zijn voormalige rechterhand nu plotseling tegenover zich, bij zijn pogingen een centraal gezag te vestigen. Er volgden dreigementen, herroepingen, rechtszaken, vervloekingen en verbeurdverklaringen. Thomas vluchtte naar Frankrijk, en zocht de hulp van de paus. Die was wel genegen om Thomas bij te staan, want ook zíjn gezag was in het geding: Hendrik wilde namelijk elk gerechtelijk beroep op de paus aan koninklijke toestemming verbinden. Aan de andere kant had paus Alexander III de Engelse koning nodig in zijn strijd met een tegen-paus die het tegen hem opnam.

Na zes jaar wederzijds dreigen en soebatten, en een onwillige verzoening tussen de partijen, keerde de aartsbisschop naar Engeland terug. In Canterbury deed hij, op eerste kerstdag, vanaf de kansel ogenblikkelijk alle bisschoppen in de ban die het in zijn afwezigheid met Hendrik hadden gehouden. Toen de koning dat vernam liet hij zich in woede ontvallen of niet iemand hem verlossen kon van die man. Vier ridders lieten zich dat niet voor gezegd, begaven zich naar Canterbury, en vermoordden Thomas Becket op 29 december 1170 in zijn kerk.

De verontwaardiging onder de christenen was ontzaglijk: Thomas werd heilig verklaard, de koning moest publiekelijk zweren dat hij nooit Thomas' dood bevolen had, en niettemin een grote boete voldoen. De voorrechten van de kerk die hij had willen opheffen bleven gehandhaafd. Het stond 1 - 0 in de match tussen Kerk en Staat. Dat had Hendrik VIII, die vier eeuwen later het absolute koningschap in Engeland probeerde te vestigen, goed door: hij liet het gebeente van Thomas opgraven en verbranden, en zijn naam werd uit alle dienstboeken van de nieuwe nationale kerk in Engeland geschrapt.

Een voorbeeldig script over de strijd tussen de machten in deze wereld. Het heeft aan vertolkers niet ontbroken, en twee ervan prentten zich diep in mijn geest: een prisma-boek, 'De twee zwaarden' van Alfred Duggan, 1955, waarop Thomas Becket afgebeeld lag, bloedend op de altaartrappen, terwijl vier in capes gehulde figuren zich uit de voeten maken; en het toneelstuk Moord in de kathedraal van T.S. Eliot (1935), dat in de jaren vijftig nog wel eens werd opgevoerd.

Voor mijn vader was het theater de plaats waar de wereld zijn lessen kreeg, en als toneelcriticus was hij ook maatschappijcriticus. Zijn wantrouwen tegenover de gevestigde orde ontleende hij allereerst aan Sophocles' Antigone, de tragedie van het meisje dat tegen de bevelen van de stadsbestuurders in, het lijk van haar broer begroef die tegen Thebe was opgetrokken. Maar ook aan het drama van Thomas en Hendrik. Het oordeel over hun strijd is lange tijd in het voordeel van de burgerlijke ongehoorzaamheid geweest, die hogere plichten boven 's lands wetten verkiest.

Mijn vader en ik liepen achter. De nationale geschiedschrijving heeft sinds een eeuw weinig goeds meer te zeggen over de bisschop die de koninlijke rechtspraak dwarsboomde. Een aardig voorbeeld van die herwaardering is te vinden in de autobiografie van de filosoof Lord Bertrand Russell (1872-1970). De opvoeding van het jonge genie was grotendeels in handen van zijn verwanten, want scholen onderwezen maar bijgeloof. Zo kwam het dat zijn tante Agatha de kleine 'Bertie' leerde dat de twist tussen Hendrik II en Thomas Becket ging over de halsstarrige weigering van de bisschop om Hendriks verlichte wetgeving te aanvaarden. Pas veel later vernam hij dat Becket daar met zijn leven voor had geboet. In de vurige verzen van Moord in de kathedraal verwoordt Thomas zelf op een ogenblik de bezwaren tegen een politieke kerk:

Toen ik 's konings brood had en 's konings wijn,

Was het nooit mijn verlangen Gods dienaar te zijn.

Wie God dient doet eerder en groter kwaad

Dan hij die in dienst van een koning staat;

Want wie een groter zaak dient laat zich al snel

Zelf dienen door de zaak, ook al doet hij wél.

Concurreren met politici schaadt de zaak,

Want die wordt door hun wezen politiek gemaakt. (In de vertaling van Michel van der Plas)

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden