Een manier van zuiver leven

Hoe blijven we geestelijk gezond, als de traditionele religie het laat afweten? Kan een blik in de mystiek ons helpen? De Radboudstichting wijdde er vorige week in Utrecht een 'summerschool' aan. Theoloog en hoogleraar Frans Maas voerde zijn gehoor langs vijf mystici. Slot: Dag Hammarskjöld.

ROSAN HOLLAK

Het is op een zondag, 17 september 1961, dat het vliegtuig waarmee VN-secretaris-generaal Dag Hammarskjöld naar Ndola in het toenmalige Rhodesië (Zimbabwe) vloog, neerstort. De Zweed was op een inspannende missie in voormalig Belgisch Congo om te bemiddelen in de burgeroorlog die daar was uitgebroken. Kort na zijn ongeluk (of was het sabotage? De toedracht van het ongeval is nooit bevredigend opgelost) werd er in het appartement van Hammarskjöld een dagboek gevonden. In de inleidende brief die de secretaris-generaal aan dit werk, met de titel Merkstenen, had toevoegd, schreef hij dat hij het boek opvatte als een witboek over zichzelf en God.

De vondst van dit manuscript deed menigeen, ook zijn naaste medewerkers, versteld staan. In zijn publieke leven had Hammarskjöld altijd wat religie betreft een neutrale positie ingenomen. Dat deze zelfde man nu een wereld van mystiek in zich bleek mee te dragen, kwam voor velen als een verrassing. Een van de redenen die men aandroeg om zijn verborgen innerlijke leven te kunnen verklaren, was dat Hammarskjöld zich als secretaris-generaal had willen beveiligen tegen anti-religieuze sentimenten.

Waar gaat Merkstenen over?

De titel, in het Zweeds 'vügmarken', verwijst naar het markeren van de weg, een gebruik bij de bergsport. Hammarskjöld zelf was een fervent alpinist. Het markeren van de weg, door groepjes stenen op belangrijke knooppunten neer te leggen, was voor hem een manier om de weg terug te kunnen vinden. Merkstenen kan in figuurlijke zin zo worden opgevat: het is een beschrijving van een tocht door het onbekende land van het geloof.

Dag Hammarskjöld was op zoek. Hij zocht naar een manier om zuiver te leven. Als kind was hij opgegroeid met de steile, orthodoxe idealen van de Zweeds Lutheraanse kerk. De waarden die hij uit dit geloof meekreeg kwamen hem als achterhaald voor. Ze vielen volgens hem niet te verenigen met de gecompliceerde problemen uit de na-oorlogse periode, een tijd waarin kerk en theologie, wereld en samenleving zo hevig met elkaar in botsing waren gekomen. Hammarskjöld wilde een synthese bewerkstelligen tussen de oude geloofsbelijdenissen waarmee hij was grootgebracht, en de nieuwe wereld waarin hij zich bevond.

Een eerste antwoord op zijn poging om deze synthese te concretiseren, vond hij in de ethiek van Albert Schweizer. In deze ethiek werden twee van Hammarskjölds idealen met elkaar verenigd: het ideaal van de volledige dienstbaarheid aan de gemeenschap en het ideaal om te streven naar een fundamentele gerichtheid op de mens. Hierin lag volgens Hammarskjöld 'een sleutel die voor de moderne mens de toegang opent tot de wereld van het Evangelie'.

De ambitieuze Zweed wilde zich ontworstelen aan het streven naar zichzelf. Hij mocht niet afhankelijk worden van de waardering en bevestiging van anderen, hij vond dat hij alles in absolute zelfovergave moest doen.

Maar dit streven naar zelfovergave was geen eenvoudige taak. Met overgave doelde hij niet zozeer op een actieve, doelbewuste ethische handeling, als wel op een overgeven aan God van wie het bestaan niet eens zeker is. Het klinkt vreemd, maar juist in het onzeker zijn tegenover God zag Hammarskjöld een manier om in een soort duistere chaos te geraken waar het fundament van het bestaan pas echt duidelijk kon worden.

In een rede voor de Canadese radio hield, zei hij hierover: “Geloof is een toestand van de geest en van de ziel. In deze zin kunnen we de woorden van de Spaanse mysticus St. Jan van het Kruis verstaan: Geloof is de vereniging van de ziel met God.”

Voor St. Jan was de ziel het levensprincipe van de mens. Hij was ervan overtuigd dat in het diepste centrum van de ziel God zetelde. Hammarskjöld vond dat ook. Volgens hem bestond geloof uit een ontvankelijke houding van de ziel waardoor God zich kon meedelen.

Maar deze mededeling lag buiten het bereik van verstand of zintuigen. In het geloof zocht hij een goddelijk licht waardoor hij zou worden geleid, maar dat in niets zou overeenstemmen met wat de mens gewoonlijk kon waarnemen of begrijpen. Echt geloven impliceerde het verliezen van de vertrouwde steunpunten uit de dagelijkse realiteit. Geloof was een houding waarbij de mens zijn eigenmachtig handelen opgeeft en zich durft te 'laten vallen'. Hij zag het als een stervensproces: een natuurlijk ontworstelen aan de zekerheid van het bestaan en het openstaan voor een duisternis die God is.

Hammarskjöld heeft in Merkstenen vaak over eenzelfde soort duisternis gesproken als waarover St. Jan het had in zijn gedicht 'De donkere nacht'. Het opgeven van de zekerheden overdag, door toe te geven aan de duisternis van de nacht, staat gelijk aan het binnentreden in God. Maar, en dat is wat vooral Hammarskjöld heeft ervaren, bij een binnentreden in die nacht is het mogelijk dat God niet gevonden wordt. Dat is het moment waarop de mens totaal verlaten is en waar sterven en leven lijken samen te vallen. Maar dat is ook het ogenblik waarop de mens pas echt in volledige zelfovergave kan zijn.

Dit is waar Dag Hammarskjöld naar streefde en waar zijn dagboek een getuigenis van vormt. Merkstenen neemt de lezer mee naar de diepste afgronden van een mysticus. Hammarskjöld heeft in zijn dagboek zijn eenzaamheid tot op het bot blootgelegd maar tevens laten zien hoe de mens de duisternis, en niet zijn eigen verlangen, kan laten spreken.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden