Een man van de simpele aanpak

Architect zijn was voor hem geen baan, maar een manier van leven. In Afrika leerde hij dat de simpelste aanpak meestal de beste is.

Zo duur was de restauratie van de Grote Kerk in Breda geschat, dat het herstel onbetaalbaar leek. Maar dan was er altijd nog Joop van Stigt. De hoogleraar bouwtechniek aan de TU Delft stond erom bekend dat hij met simpele middelen veel kon bereiken.

Van Stigt bekeek de plannen voor de restauratie. Hij vroeg zich af waarom het nodig was om gedurende de hele restauratie de kerk rondom in de steigers te laten staan, een enorme kostenpost. Zouden alle werknemers iedere dag overal bij moeten kunnen? Als het aan hem lag, zou hij de kerk bij de restauratie stap voor stap aanpakken. Dat scheelde miljoenen in de begroting. En dan de aanpak van de vervuiling. Daarvoor was een dure en technisch hoogstaande aanpak begroot. Maar als thuis een pan was aangebrand, zei Van Stigt, dan zette hij die een nacht in de week, gewoon in warm water. De dag erna kon je het vuil er zo afwassen. Zo zou hij ook de Onze Lieve Vrouwekerk in Breda willen schoonmaken, ook bekend als de Grote Kerk. Met water. Mannetje, slangetje, wat geduld en klaar. Voordeel was ook dat het zandsteen zo minder werd aangetast dan bij het werken met de hogedrukspuit en chemische middelen. Ook dat scheelde nogal wat. Architectenbureau Van Stigt kreeg de opdracht. De restauratie van de Grote Kerk van Breda kostte uiteindelijk veel en veel minder dan oorspronkelijk gepland.

Dat de meest simpele aanpak geen noodoplossing is, maar meestal juist de beste, had Joop van Stigt geleerd bij de Dogon in Mali. Als jongen al had hij zich voorgenomen later scholen te bouwen in Afrika. Met oudere broers in een groot katholiek gezin hoefde hij geen missionaris meer te worden. Joop was op een andere manier een doener. Op school al viel zijn onrust op, zijn ongeduld. Zijn handen moesten iets maken, niet alleen maar bladzijden omslaan.

Tijdens militaire dienst verbijsterde hij zijn medesoldaten door te gaan pottenbakken. Hij was in archeologie geïnteresseerd, bekeek boeken over de Oudheid. Het vervaardigen van de verkeersborden was ook echt een klus voor hem, vond zijn commandant. Soldaat Joop van Stigt beschilderde meteen de helmen, maar wel met figuren uit het oude Egypte.

Na de lagere school was hij naar de ambachtsschool gegaan en toen als timmerman gaan werken. Hij timmerde bekistingen van trappenhuizen van de woningen van architect J.P. Kloos in de Amsterdamse wijk Nieuw-West. Het viel op dat hij geen gewone timmerman was. Via avondstudie had hij zijn opleiding op niveau gebracht. Overdag werkte hij bij architect Alexander Bodon, 's avonds deed hij de hts. Op de Academie van bouwkunst kwam hij in contact met Aldo van Eyck, die hem eind jaren vijftig vroeg om mee te werken aan het nieuw te bouwen Burgerweeshuis. Het viel Van Stigt op dat de grote architect Van Eyck een omslachtige oplossing had gekozen voor de aanpak van de koepels van het Burgerweeshuis. Dat kon echt eenvoudiger. Van Eyck mocht het wel, zo'n jongen die met suggesties kwam. Had Herman Hertzberger al niet eens gezegd dat je onder architecten praters hebt en makers?

Van Aldo van Eyck hoorde Joop van Stigt verhalen over Mali. Van Eyck kwam daar al vanaf 1957, samen met de Rotterdamse architect-ontdekkingsreiziger Herman Haan. In zijn tijdschrift Forum schreef Van Eyck over het bouwen van het Dogonvolk onder de titel: 'Het verhaal van een andere gedachte'. Diep in de Sahel, dagen reizen van de hoofdstad, leefde dit volk. Hun gemeenschap met lemen huizen vormde een lichaam met een stevige sociale structuur. Elk bouwwerk had een organische plaats.

Pas in 1972 had Van Stigt gelegenheid om eindelijk naar Afrika te gaan. Daar, op die afgelegen plek zonder wegen en met nauwelijks water, zag hij hoe architectuur de gemeenschap kan dienen. Waar in Nederland de sociale verbanden steeds losser werden, was bij de Dogongemeenschap een hechte sociale organisatie. Van Stigt keek zijn ogen uit. Hij herkende zijn eigen uitgangspunt om met simpele middelen te werken en daarnaast altijd de mensen voor ogen te hebben die in die gebouwen gaan leven. 'Pas simple, pas bon', het motto van de Dogon, werd ook zijn motto: als het ingewikkeld is, deugt het niet. Je moest het doen met wat er is, en dat was altijd genoeg.

Hij was gegrepen door de cultuur van de Dogon. De sociale idealen van het Nieuwe Bouwen zag hij daar terug. Dat ze deelden van wat er was, dat deed hem ook denken aan de oorlogswinter, toen hij als 11-jarige om te overleven naar het Noord-Hollandse De Rijp was gegaan. Daar hadden mensen die zelf ook weinig hadden, hun eten met hem gedeeld.

Hij romantiseerde het leven van de Dogon overigens niet. Op het schooltje zaten niet veel kinderen, zag hij, en al helemaal weinig meisjes. Ouders hadden liever dat hun kinderen hielpen met het maken van waterputten, dan dat ze leerden lezen en schrijven. Water halen was een taak voor vrouwen.

Na die eerste reis ging hij terug, met zijn vrouw Gonny. Een oncomfortabele tocht, waarbij ze het laatste stuk bovenop een vrachtwagen moesten staan, en zich vasthouden aan een stang. De vrachtwagen reed eens per vijf dagen naar de Dogon. Van Stigt kende zijn Gonny uit de Vredeskerk, in Amsterdam. Zij was de dochter van een architect en werkte als accountant. Een vrouw met zakelijk inzicht, verstand van architectuur en van boekhouding. Samen zetten ze het bureau op. Joop zat vol plannen en praktische oplossingen, zij regelde contracten, onderhandelde en dacht mee. De Dogon noemden haar 'mevrouw de minister van financiën'.

Architect zijn was voor Joop van Stigt geen baan, maar een manier van leven. Het bureau was aan huis, daar hadden ze ook een galerie. Jaarlijks gingen ze naar de Dogon, in Mali.

Daar legde Van Stigt bijvoorbeeld een dam aan, wat betekende dat er uren gelopen moest worden om de zakken cement ter plekke te krijgen. Hij had geen moeite met de hitte. Tegen het middaguur stelden de Dogon voor om pauze te houden, tot het wat minder heet zou zijn. Dat vond de rossige Hollander niet zo nodig. Het leek of hij een onuitputtelijke bron van energie had. Zijn energiemotor leek wel op zand te lopen.

In Nederland hoorde hij als architect bij het Nieuwe Bouwen. Het vervolg ervan was de bouw van woningen in de Bijlmer, en in Almere-Haven. Van Stigt had duidelijke ideeën hoe in de Bijlmer mensen elkaar zouden ontmoeten in de binnentuinen. Later, toen het in de Bijlmer sociaal gezien minder ideaal verliep, hield hij contact met de bewoners.

Zoon André kwam bij het bureau, maar zoon Jurriaan begon voor zichzelf. Daar moest Van Stigt eerst even aan wennen. De ervaringen in Mali hielpen hem om de keuze te respecteren. Ook dit was 'het verhaal van een andere gedachte'.

In Amsterdam raakte Joop van Stigt betrokken bij de redding van het olympisch stadion, gebouwd in 1927. Samen met zoon André bedacht hij betaalbare oplossingen voor de renovatie. Hij kreeg daarvoor de Nationale Renovatieprijs.

Zo voorkwam hij ook in de P.L. Takstraat in Amsterdam de sloop van het trappenhuis met de appartementen, een monument uit de jaren twintig, met woonruimte die te krap was geworden. Alleen de gevels moesten blijven staan, volgens het oorspronkelijke plan. Met het motto van de Dogongemeenschap in zijn achterhoofd bedacht Van Stigt iets anders. De woningen in de P.L. Takstraat konden met niet al te veel ingrijpen wat vergroot worden, zodat ook het interieur van het monument behouden bleef. Steeds zou trappenhuis voor trappenhuis aangepakt worden. Dat betekende dat alleen de bewoners van dat deel dat onder handen genomen werd, tijdelijk elders moesten wonen. Als de bewoners van ieder trappenhuis steeds opschoven naar dat deel dat al klaar was, konden de buren van de P.L. Takstraat contact met elkaar blijven houden. Zelf wilden ze dat ook graag. Liever twee keer verhuizen, dan in een vreemde omgeving zitten. Stap voor stap is vaak efficiënter dan alles in een keer, hield Van Stigt de gemeente Amsterdam voor. En zoals gewoonlijk gebeurde het zoals hij wilde. Zo overtuigd was hij wel.

Na zijn zeventigste bleef hij doorwerken. Steeds meer tijd, geld en energie ging naar de Dogon. Een handiger aanpak van het putten van water zorgde ervoor dat kinderen langer naar school konden. Bouwen stond altijd in dienst van de bevolking. De school breidde uit. Joop van Stigt werd een halve Afrikaan. Hij kreeg speciale namen van de Dogon en werd geëerd als Chevalier de l'Ordre National de Mali.

Dat hij last van zijn rug kreeg, verbaasde niemand. Hij had op het dak gestaan, twee containers gevuld met ijzer.

Het bleek kanker. Herstel zat er niet meer in.

Joop van Stigt werd op 6 januari 1934 geboren in Amsterdam en overleed daar op 4 november 2011.

Joop van Stigt 1934-2011

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden