Een man met een stem

(TEKENING KEES WENNEKENDONK) Beeld
(TEKENING KEES WENNEKENDONK)

Voor de theoloog Willem Barnard, die als dichter meestal zijn nom de plume Guillaume van der Graft voerde, was het geloof essentieel, ook in zijn gedichten. Voluit en naïef geloven ging hem slecht af.

’Je voelt je miskend, mannetje! Jazeker, ik geef het toe. Maar soms denk ik: als ik dan miskend en welbewust terzijde geschoven word, door literatoren en door theologen _ zou ik dan misschien een flard van de waarheid gevat hebben? Want bij de meerderheid is de waarheid niet, nooit.’

Deze zinnen schreef Willem Barnard op 2 oktober 1987 in zijn dagboek. Karakteristiek, vanwege de twijfel over zijn literaire plaats, maar ook vanwege die opmerking over de wal en het schip, literatuur of theologie, zijn twee archimedische punten.

Voor de theoloog Willem Barnard, die als dichter meestal zijn nom de plume Guillaume van der Graft voerde, was het geloof essentieel, ook in zijn gedichten. Net zo essentieel overigens als het ongeloof, dat Vestdijk ooit een wezenlijk aspect van zijn werk noemde. Voluit en naïef geloven ging Barnard/Van der Graft slecht af, daarvoor twijfelde hij te zeer, was hij ook te zeer beïnvloed door het filosofisch existentialisme.

Na een studie letteren en theologie in Leiden en Utrecht werd hij Nederlands Hervormd predikant en stond hij in diverse gemeenten, onder meer Nijmegen en Amsterdam. Maar meer denker dan zieleherder ontwikkelde hij zich toch vooral als een twintigste-eeuwse ’woordenherder’ of zoals hij het ooit zelf formuleerde ’imker van de woorden’. Zijn predikantschap legde hij voortijdig neer, toen hij het niet langer dragen kon.

Religie was voor hem altijd meer dan vroomheid en godsvertrouwen. Niet voor niks verschenen zijn verzamelde gedichten onder de titel ’Mythologisch’. Het verhaal van de religie greep hem meer dan de religie zelf. Of liever gezegd, de religie speelde zich voor hem af in het verhaal, zoals de waarheid in de taal schuilgaat.

In zijn bundel ’Lichtval/tongval’ – ook al karakteristiek die verbintenis tussen het zichtbare en het talige – schrijft hij in het gedicht ’Geen hymne voorradig’:

’Het beste is nog niet geschreven

het ligt verborgen in de taal.’

Het is een tekst die misschien ook best terecht had kunnen komen in de nieuwe psalmberijming van de protestantse kerken waarvan hij de centrale figuur was, met om zich heen collega-dichters als Ad den Besten, W.J. van der Molen, Jan Wit en J.W. Schulte Nordholt of in het ’Liedboek voor de Kerken’, waar hij talloze teksten voor heeft geleverd.

Maar het zou verkeerd zijn hem voornamelijk met die protestantse lied-renaissance te associëren. Als dichter ontsteeg hij de christelijke poëzie met gedichten die misschien wel een religieuze kern hebben maar die toch vooral zoeken naar een plaats in de wereld, naar de betekenis van de zichtbare verschijnselen.

Hij had een sterk ontwikkeld gevoel voor de geheimzinnigheid van het bestaan, die hij in welgevormde lyrische maar nooit betekenisloze woorden beschreef, bijvoorbeeld in dit kleinoodje ’De weg’:

De weg schilt de zon. Wij rijden

tussen twee avonden bos.

Waar wij pauzeren, de heide

is één paarse middag. Mos

van heel lang nadenken dekt

enkele boerderijen.

Het heet hier Gortel, zo’n naam

schiet wortel. Inheemse bijen

schrijven de honing op

die uitlekt van een oeroude

geheimtaal, in zwang bij

vrouwen en bloemen.

Thematisch speelt angst en vertwijfeling, naast toch ook een groot gevoel voor schoonheid, een opmerkelijke rol in zijn werk. Zijn eerste gedichten ontstonden in de oorlogsjaren, die hij, omdat hij de loyaliteitsverklaring weigerde te ondertekenen in het kader van de Arbeitseinsatz, voor een deel in Berlijn, in ballingschap dus, doorbracht.

Zijn eerste bundel heette dan ook ’In exilio’. Het is een gevoel dat nooit helemaal wegraakt in zijn gedichten maar op den duur wel gesublimeerd raakt. Hij is typisch een vertegenwoordiger van een wijsheid die weet dat zij niets weet, maar misschien komt het nog eens: ’lichtdragend loop ik op de tast / in het autochtone donker’ schrijft hij in een van zijn latere gedichten.

De Nederlandse literatuurgeschiedenis heeft Guillaume van der Graft/Willem Barnard eigenlijk nooit goed kunnen plaatsen, vandaar ook zijn goed aangevoelde literair-historische onbevredigdheid. Enerzijds lijkt hij afkomstig uit de traditie van Nijhoff en Achterberg, anderzijds naderde hij toch ook de experimentele Vijftigers, zijn generatiegenoten. Al in 1946, dus nog voor het optreden van Lucebert en de zijnen, schreef hij een essay ’Uitzicht op een critische poëzie’ waarin hij van zijn eigen dichtkunst en die van geestverwanten zegt dat ze ’in tegenstelling tot de ouderwetsche een gebeurtenis op zichzelf is’. Ook voor hem was het woord concreet, tastbaar en autonoom. Je ziet dat hij in zijn gedichten op zoek is naar meerduidigheid, zijn taal legt niet vast maar is associatief.

Ook in zijn dagboeken, die nog niet zolang geleden uitkwamen, geeft hij lucht aan zijn gecompliceerde persoonlijkheid; zijn teksten daar vallen op door de vele twijfels en de hartstochtelijke menselijkheid. Die gesteldheid bepaalt ook zijn geschriften als essayist, bijvoorbeeld ’Lieve gemeente’ en ’Op een stoel staan’. In elk geval hield de zoektocht van deze theoloog-dichter nooit op. Op latere leeftijd verruilde hij de Hervormde kerk nog voor de Oudkatholieke kerk.

Persoonlijk herinner ik me een gesprek met hem in de tuin waarin hij mij zei dat hij achter mijn verklaarde agnostische levenshouding een vorm van gefrustreerde orthodoxie vermoedde. Dat was ook een eigenschap van hem: hij keek, met mildheid overigens, door poses heen.

Voor zijn gedichten ontving hij diverse prijzen, onder meer in 1954 de Van der Hoogtprijs voor zijn bundel ’Vogels en vissen’. Voor zijn verdienste als theoloog werd hem in 1966 een Utrechts eredoctoraat toegekend. Willem Barnard/Guillaume van der Graft stierf gisteren, op 90-jarige leeftijd.

Hierbij het volgende gedicht:

Zelden gelukt het

Zelden gelukt het te schrijven

op een zo simpele wijze

dat de woorden als kinderen

ademen in het

bed van de taal

onder de dekmantel van het gedicht.

Soms slapen ze allemaal

als rozen

soms richt

een zich op

kleine slapeloze

en vraagt om iets onbestaanbaars.

Men geeft hem een pop, een betekenis

een pose

iets ongehoords.

Men haast zich het licht aan te steken

men blijft op de rand

van de taal zitten lezen

woord voor woord

hand in hand.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden