EEN MAN KAN ALTIJD ZIJN VERHAAL KWIJT

Van geschoolmeester over 'taalfouten' is Joan Swann, als taalkundige verbonden aan de Engelse Open Universiteit, niet gecharmeerd. Maar met anti-seksistische richtlijnen voor taalgebruikers heeft ze geen moeite. Integendeel: 'Als je op goede gronden kunt aannemen dat woorden of uitdrukkingen seksistisch zijn, behoor je ze te vermijden, net als andere vormen van seksisme'. Een gesprek over old women, the man in the street, herstory en mannen die thuis veel vaker dan hun vrouw hun verhaal kwijt kunnen.

JAAP DE BERG

Joan Swann heeft zich gespecialiseerd in de studie van vrouwonvriendelijk idioom en aanverwante taalverschijnselen. Met een collega van het Centre for Language and Communications van de Open Universiteit in Milton Keynes schreef ze er een boek over: 'Gender Voices' (Blackwell, Oxford). Dezer dagen reisde ze naar Groningen om haar stem te laten horen in een universitaire lezingenreeks onder het motto 'You Tarzan, Me Jane'.

Deze omkering van een gevleugeld filmwoord markeert een facet van het Engels - en het Nederlands - waar feministen zich geregeld aan stoten: vrouwen kunnen hun ervaringen er wat moeilijker in kwijt dan mannen. Zo signaleerden onderzoeksters in de jaren tachtig onder Londense schooljongens een overvloedig assortiment aan - seksueel gekleurde - scheldwoorden voor meisjes, waarbij de voorraad verbale projectielen van de andere partij maar armzalig afstak.

Dat het Engels vrouwen discrimineert, kan Swann moeiteloos met vele voorbeelden illustreren. Een bloemlezing. An old man staat gewoon voor een bejaard manspersoon, an old woman is vaak net zo'n mannelijke ouwehoer als ons oud wijf. Een mannelijke professional heeft gestudeerd - rechten bijvoorbeeld -, een vrouwelijke kan domicilie houden op de walletjes. Master en mistress zijn van oorsprong parallelle termen, maar alleen de tweede is het slechte pad opgegaan. Hussy is housewife in vermomming, maar betekent onder andere sloerie.

Wat het Engels en het Nederlands ook gemeen hebben, is de vrouwonvriendelijke reikwijdte van de voornaamwoorden he/hij en his/zijn. Zoals in onze taal iedereen slechts kan doen wat hij wil, zo geldt in het Engels: everybody can do as he likes. Hij/he wordt hier geacht vrouwen in te sluiten; je hoort of ziet er alleen niets van.

Vrouwen die weigeren aldus buiten beeld te worden gehouden, hebben allerlei alternatieven bedacht. Echt bevredigend is er, helaas, geen. Toepassing van vrouwelijke vormen maakt mannen op hun beurt onzichtbaar - en al hebben ze daar vermoedelijk niet voortdurend bezwaar tegen ('Iedereen die zoiets in haar hoofd haalt, moet op haar lazer hebben'), een gewoonte zullen ze er niet van willen maken.

He en hij vervangen door s/he en z/hij oogt gekunsteld, lost het probleem met his en zijn niet op en biedt slechts op papier soelaas. Stelselmatig he or she (hij of zij) en his or her (zijn of haar) te gebruiken is omslachtig: 'Wie dit volhoudt, is op zijn of haar achterhoofd gevallen'. Maar een betere oplossing ziet ook Swann niet, althans niet voor het geschreven Engels. De informele gesproken variant laat wel een handige uitweg open - consequent meervoud gebruiken: 'Everyone thinks they have the answer', 'Has anybody brought their camera?'. Op papier staat dit onverzorgd, vinden velen. Swann respecteert hun oordeel.

Een ander struikelblok van formaat voor menige Englishwoman is het woordje man, althans in zijn eeuwenoude betekenis 'mens' ('God created man in his own image ... male and female created he them'). Ook in Swanns ogen is man besmet door zijn primaire betekenis 'mannelijk persoon'. Waarom niet the ordinary person in plaats van the man in the street? Zo verkiest ze tevens work-hour boven man-hour en artificial of synthetic boven man-made.

Het is een koud kunstje, erkent Swann, zulke voorstellen belachelijk te maken door erop voort te borduren met kwinkslagen in de trant van 'straks herdopen ze het eiland Man nog als the Isle of Person en wordt Personhattan het centrum van New York'. “Dat is het probleem met ideeen voor verandering die een bepaald aspect van de taal raken, ze zijn zo'n gemakkelijke prooi voor grapjassen.”

Een argeloze waarnemer valt het niet mee, weerstand te bieden aan het vermoeden dat ook op sommige suggesties van feministen vermakelijkheidsbelasting te heffen valt. Neem de introductie van herstory, naast history. Swann wil er geen kwaad van horen. “Daar zit niet zozeer een poging achter de taal te veranderen als wel de behoefte een eenzijdig beeld van de geschiedenis te corrigeren. History gaat meestal over mannen, en daar leg je met herstory de vinger bij. Je moet het zien als een taalkundig spel, maar wel met een serieuze bedoeling.”

Vermoedelijk is tot dusverre de indruk gewekt dat Swann de strijd tegen seksistich taalgebruik vooral wil voeren door de Engelse woordenschat te zuiveren van ongerechtigheden. Dat is een misvatting. “Seksisme”, beklemtoont ze, “zit niet zozeer in de taal zelf als in de manier waarop je haar gebruikt. Het gaat niet om het systeem van de taal maar om de toepassing ervan. Discriminatie van vrouwen via de taal is minstens evenzeer een sociale kwestie als een taalkundige. Je kunt je er op verschillende manieren tegen te weer stellen. Je kunt proberen rechtstreeks de taal te beinvloeden - zoals in het geval van he or she -, maar je kunt ook, en dat is vaak belangrijker, proberen iets te veranderen aan de context waarin taal gebruikt wordt.”

“In discussies waaraan mannen en vrouwen deelnemen, zijn het doorgaans - onderzoek heeft dat bevestigd - de mannen die de boventoon voeren. Ze nemen makkelijker het woord, ze interrumperen vaker. Dat geldt natuurlijk niet voor ieder invidu of voor alle situaties, maar globaal genomen ligt het wel zo. Daar is via training best wat aan te doen. Als je het belangrijk vindt dat in klassegesprekken op school de meisjes meer tot hun recht komen, kun je oefensessies voor hen organiseren, en dat is ook gedaan, met succes. Of je kunt je stijl van lesgeven aanpassen: meer met kleine groepen werken, minder met hele klassen. Of onderwerpen aansnijden die meisjes beter liggen. Daarmee kun je natuurlijk andere bedoelingen hebben dan het taalgebruik te beinvloeden, maar een verandering daarvan is vaak wel het gevolg.”

Veel hedendaagse taalkundigen zijn wars van voorschriften. Ze beperken zich er toe, de taal te beschrjven.

“Voor mij ligt dat wat genuanceerder. Van traditionele voorschriften - die of die constructie is 'ongrammaticaal' en dus verwerpelijk - ben ik niet gecharmeerd. Daarmee bestendig je de onverdraagzame theorie dat er zoiets als een definitieve grammatica bestaat, die bewaakt moet worden door een elite. Anders ligt het met ethische - bij voorbeeld anti-seksistische - richtlijnen. Als je op goede gronden kunt aannemen dat taalgebruik seksistisch is, behoort het vermeden te worden, net zoals andere vormen van seksisme.

Je moet natuurlijk wel oppassen dat je veranderingen op dit niveau niet verwart met echte maatschappelijke verbeteringen. Er is weinig gewonnen wanneer je een voorzitter geen chairman meer noemt, maar chairperson of chair, terwijl alle chairs in kwestie mannen blijven. Dit soort ingrepen heeft op zichzelf niet zoveel effect, maar ze gebeuren gelukkig meestal in een hele context van maatschappelijke verandering. Je moet ze zien als een onderdeel van een proces om iets te wijzigen in de relaties tussen vrouwen en mannen.''

In hoeverre verschilt de taal van vrouwen van die van mannen, zijn daar algemene uitspraken over te doen?

“Er bestaan nogal wat populaire ideeen over die niet door onderzoek zijn bevestigd. De gedachte bijvoorbeeld dat sommige woorden - adorable, oh, dear - typisch vrouwelijk zouden zijn, of dat vrouwen meer versterkende bijwoorden als simply en truly zouden gebruiken. Maar verschillen zijn er zeker, al hangt heel veel van het individu en de situatie af. Neem zoiets elementairs als de toonhoogte. Er zijn natuurlijk fysieke oorzaken waardoor die bij vrouwen hoger is, maar dat verschil wordt doorgaans sterker aangezet dan fysiek nodig is.

Ook in het taalgebruik heeft onderzoek wel verschil aan het licht gebracht. Als je mannen en vrouwen in dezelfde sociale groep vergelijkt, blijkt dat - generaliserend gezegd - vrouwen meer vormen met een hoog prestigehalte gebruiken en minder slordig spreken. Runnin' en goin' - in plaats van running en going - zul je eerder bij mannen horen. In kringen waar het heel gewoon is om 'we does' te zeggen, komt 'we do' het meest bij vrouwen voor. Daar zijn verschillende verklaringen voor gegeven. Het kan liggen aan de manier waarop vrouwen naar status streven; mannen verwerven die via hun beroep, vrouwen zijn aangewezen op hun appearance, en daar kun je ook hun taal toe rekenen.

Een andere theorie is dat vrouwen wrijving in de omgang met anderen willen vermijden en zich daarom beleefder gedragen. Dat is vaak een kwestie van machtsverhoudingen. Je kunt het niet allemaal herleiden tot sekse, tot gender, en zeker niet tot aangeboren eigenschappen. Gender ('schertsend: geslacht, sekse' zegt Van Dale ten onrechte -JdB) is niet met de geboorte gegeven, maar wordt bepaald door sociaal - deels via de taal - geconstrueerde verschillen. De openingszin van Simone de Beauvoirs 'De tweede sekse' zegt het treffend: 'Je komt niet zozeer als vrouw ter wereld maar je wordt het'.

Maar daarmee alleen is onderscheid in taalgebruik niet te verklaren. Je wordt immers nog zoveel andere dingen: iemand die een beroep uitoefent, moeder, minnares, vriendin. In je taal druk je uit wie je wilt zijn. Daarbij bedien je je deels van geinder-signalen, maar die vormen lang niet het hele verhaal.''

Is het verschil tussen mannen- en vrouwentaal in huiselijke omstandigheden wel eens onderzocht?

“Een Amerikaanse, Pamela Fishman, heeft ooit een taperecorder neergezet bij drie echtparen thuis. Wat ze wilde onderzoeken, was hun conversation management, de manier waarop ze omgingen met gespreksonderwerpen die de ander te berde had gebracht. De vrouwen bleken zich meer dan de mannen in te spannen om de conversatie gaande te houden, vooral met ondersteunende tussenwerpsels als mmm, yeah..., oh... en really? Zo lieten ze merken dat ze hun aandacht erbij hielden. De mannen gebruikten die ook wel, maar pas als hun vrouw een tijdje aan het woord was geweest - en dan was het gesprek vaak meteen afgelopen. Fishman constateerde ook, dat zes van de tien initiatieven om een gesprek te voeren, afkomstig waren van de vrouwen. Maar als zij ergens over begonnen, hadden ze maar een op de drie keer succes; als hun man het initatief nam, kon hij bijna altijd - in 28 van de 29 gevallen - zijn verhaal kwijt.”

In tegenstelling tot velen van haar bondgenoten draagt Joan Swann de naam van haar man. Ze werd in 1949 als Joan Cunningham geboren en gaf die achternaam bij haar huwelijk zonder gewetensbezwaren prijs. “In mijn omgeving was dat toen geen punt. Je dacht er gewoon niet over. Later was het te laat. Toen ik eenmaal in mijn vak als Swann bekend stond, kon ik moeilijk meer terug. Bovendien zou mijn familie daar - ten onrechte - uit hebben opgemaakt dat er iets mis was in mijn huwelijk. Maar als ik nu zou trouwen, werd het Cunningham.”

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden