'Een maatschappelijke plicht van hooge orde'

Honderden brieven schreef de grote natuurkenner en popularisator Jac. P. Thijsse. Een selectie hieruit is nu gebundeld in een bloemlezing. De brieven geven meer inzicht in zijn optreden als gepassioneerd natuurbeschermer dan eerdere publicaties over zijn leven en werk.

Over leven en werk van de grote natuurkenner, -liefhebber en -beschermer Jac. P. Thijsse (1865-1945) is al veel gepubliceerd, maar de correspondentie van de grondlegger van de Nederlandse natuurbescherming bleef tot nu toe grotendeels buiten beschouwing. Daaraan maakt de biologe Marga Coesèl nu een einde. Coesèl, als gastonderzoeker verbonden aan de Artis Bibliotheek van de Universiteit van Amsterdam, heeft een bloemlezing samengesteld uit 700 door Thijsse zelf geschreven brieven.

Een vriendelijke, betrokken, gedreven man. Energiek en grenzeloos optimistisch. Bovendien een even vlot, goed en toegankelijk schrijver als in zijn beroemde Verkade-albums en zijn andere publicaties over natuur en natuurstudie. Dat is het beeld van Jac. P. Thijsse dat opdoemt uit de vele brieven die hij in zijn leven heeft geschreven, aan mensen uit allerlei kringen, jong en oud.

Coesèls belangrijkste selectiecriterium was de inhoud van de brieven. "Door zijn Verkade-albums en vele andere publicaties", schrijft zij in haar verantwoording, "is Thijsse vooral bekend geworden als popularisator van de natuurstudie, maar als natuurbeschermer kwam hij tot op heden minder goed uit de verf."

Die leemte vult zij nu op. Een wezenlijk deel van de door haar uitgekozen brieven zijn gericht aan de jurist Piet van Tienhoven, bestuurslid van het eerste uur - met Thijsse en de bioloog J. Th. Oudemans - van de Vereeniging tot Behoud van Natuurmonumenten. Deze brieven geven meer inzicht in Thijsse's bijdrage aan het opzetten van de natuurbescherming in Nederland.

In alle brieven, ongeacht het onderwerp, valt Thijsse's levendige stijl op, en zijn vermogen om de juiste toon te treffen, rekening houdend met leeftijd en kennis van de geadresseerde. Zijn brieven aan kinderen zijn roerend. Aan Jo van der Hoeven, een jong meisje uit de Achterhoek, schrijft hij op 2 juli 1906 over het observeren van vogels het volgende:

Je moet zoo min mogelijk een kijker gebruiken en vooral behalve op vorm en kleur ook letten op geluid en bewegingen. Doordat ik daarop let kan ik zonder kijker al op groote afstand mijn vogels herkennen.

In een tuin, die bijna uitsluitend uit dennen bestaat, kunnen nestkastjes nog wel wat vogels lokken. Ook is het goed aan de rand van 't dennebosch wat loofhout en kruipende planten te zetten en vooral: zorg voor water. De vogels moeten kunnen drinken en baden. Natuurlijk mag er nooit een kat in den tuin komen.

Lagere scholier Johan Snijder uit Arnhem krijgt advies van Thijsse, hoe om te gaan met een krabbetje dat hij heeft opgevist (24 december 1918):

Beste Johan

Ik vrees dat het krabbetje al dood zal zijn. Als je er nog eens een tusschen de mosselen krijgt, doe hem dan snel met een stuk of tien mosselen in wat water in een groote kom. Van tijd tot tijd wat water bijgieten dat eerst goed geschud is. Het lukt dan wel om hem een poosje in 't leven te houden, maar én krab én mossel hebben frisch bewegend zeewater noodig. Zonnedauw en veenbes kun je vinden in het lage landje bij Laag-Soeren en bovendien nog zooveel als je wilt op de prachtige lage hei bij Hall en Voorstonden en verder de kant van Zutphen op. Als je later een fiets hebt, dan ga je maar eens daarheen want daar is allerlei moois van planten en dieren. Je bent maar goed af dat je in Arnhem woont.

Als je nog eens wat weten wilt, schrijf dan maar gerust, je bent ook al een heele penneman.

Met hartelijke groeten

Thijsse bediende zich nooit van een gezwollen of verheven stijl, een vereiste waaraan ook de bijdragen voor De Levende Natuur moesten voldoen, het tijdschrift dat hij samen met collega-onderwijzer en mede-natuurliefhebber Eli Heimans in 1896 was begonnen. Het blad nam artikelen op die waren gebaseerd op eigen waarnemingen van de inzenders.

De Twentse onderwijzer, natuurkenner en publicist Bernard Bernink schreef blijkbaar wat te 19de-eeuws naar Thijsse's zin:

Waarde heer Bernink

Hartelijk gefeliciteerd met uw vondsten. We hadden u uw opstel al lang willen terugzenden. Het gaat hierbij en gaarne willen wij een nieuwe bewerking van u ontvangen. Als 't kan zullen we dat dan geïllustreerd uitgeven. Maar u moet niet te veel in het declamatorische vervallen, waar o.a. uw aanhef van dit stuk wel wat aan lijdt. Ook dat vers over de vergankelijkheid kunt u beter door een beschrijving van Trientalis (zevenster, red.) of door een kaartje van de door u bewandelde streek vervangen.

In dezelfde brief maant hij Bernink om zijn opstel uit te breiden en 'een soort van botanische gids te maken van 't land dat onder uw inspectie staat'. Dergelijke verzoeken deed Thijsse vaker in zijn brieven. Zelf trok hij zo vaak hij maar kon voor veldstudie de natuur in, altijd vroeg - soms al om drie uur in de morgen. Daarnaast probeerde hij van andere enthousiaste natuurliefhebbers en - kenners zoveel mogelijk te weten komen over de flora en fauna in het hele land.

Thijsse's brieven geven ook informatie over zijn eigen natuurwaarnemingen, waaruit hier en daar ook valt af te leiden wat er na zijn tijd aan flora en fauna verdwenen is uit Nederland. In een brief aan Jo van der Hoeven (april 1913) bijvoorbeeld rept hij van de natuur op Texel, waar hij een paar jaar hoofdonderwijzer was op de zogenoemde Franse school - voor uitgebreid lager onderwijs. Jager Jan Trap uit Oosterend kan haar aanwijzingen geven, schrijft hij, 'voor het bezoeken van de openbare vechtplaatsen der kemphanen in de polder Waal en Burg'. Heel Nederland is inmiddels vrijwel kemphaanvrij.

In vele brieven verspreid in de bloemlezing, die een periode bestrijkt van 1894 tot 1945, maakt Thijsse zich hard voor bijzondere natuurgebieden die hij wil veiligstellen. Zo deed Natuurmonumenten verwoede pogingen om belangrijke delen van de Sint Pietersberg in Zuid-Limburg te redden van afgraving ten behoeve van de cementindustrie.

In een brief aan Piet van Tienhoven (15 maart 1925) spreekt hij zijn zorgen over de afgraving uit, overigens niet zonder ook begrip te tonen voor het werk van het cementbedrijf, omdat daarmee 'nieuwe bronnen van welvaart in ons land worden aangeboord'. Wij moesten ervoor kunnen zorgen, schrijft hij, 'dat de concessies alleen worden uitgegeven voor plaatsen waar het niet hindert'.

Tegelijkertijd denkt de eeuwige optimist die Thijsse was, uit 'de treurige geschiedenis van den Sint Pietersberg' wel een slaatje te kunnen slaan. Want hiermee heeft, zo hoopt hij, de Vereniging tot Behoud van Natuurmonumenten 'nu een prachtig wapen in den hand ter verdediging van andere terreinen'.

Interessante natuurgebieden beschermen, liefst door ze te laten opkopen door Natuurmonumenten, was een belangrijke drijfveer voor Thijsse, maar hij had zeker ook oog voor de recreërende mens. Gebieden afsluiten voor het publiek, zoals Natuurmonumenten in later tijden wel deed, is niet waarnaar hij streefde. In een brief aan Piet van Tienhoven (22 februari 1939) schrijft hij daarover, met als voorbeeld landgoed De Braak, een parkbos bij Paterswolde:

De Braak wijst erop dat toch eigenlijk ieder wooncentrum, ook de kleine steden en dorpen, behoefte hebben aan 'wandeldoelen' in de omgeving en dat de bevolking daarbij een voorkeur toont voor onze ruimte, woeste grond, plassen en watergangen. Die behoefte bestaat niet alleen voor overwerkten, voor zieken en zenuwlijders maar in veel hoger mate voor de gezonden en vooral voor de jeugd, in zijn eerste tiental jaren nog onbezorgd en bewonderend in de jaren van praepuberteit en puberteit zoekend naar kennis en romantiek. De natuurbescherming is dus niet een stokpaardje voor enkele schoonheidsdwepers, maar een levensbehoefte voor het heele volk, voor de volksgezondheid, de volkskracht, opvoeding en moraal.

Waar de mensch geheel van de natuur vervreemdt wordt hij licht de speelbal van onzuivere, demoraliserende genietingen. De zorg voor het behoud van natuurruimte is dus een maatschappelijke plicht van hooge orde.

Thijsse's grenzeloze optimisme had ook een keerzijde. Hij vertrouwde er altijd op dat alles wel ten goede zou keren, ook tijdens de oorlog. Zo schrijft hij op 20 mei 1940 aan Van Tienhoven: "Onze natuurbeschermingszaak is gelukkig voor het Duitsche Rijk een welbekend en uitmuntend verzorgd object en zal dus bij de bezettingscommando's op welwillende behandeling kunnen rekenen." Hij was niet pro-Duits maar gedroeg zich evenmin anti. In de oorlog hield hij iedereen te vriend, wat hem uiteraard door anderen kwalijk werd genomen.

Samensteller van de bloemlezing Coesèl noemt zijn vriendelijke houding jegens de Duitsers eerder pragmatisch of zelf opportunistisch dan naïef. Maar van zo'n intelligente man had je toch misschien wel een kritischer opstelling mogen verwachten. Hij leek die hele bezetting niet zo serieus te nemen, wat dan misschien wel weer kwam door zijn opgewekte karakter en zijn onverwoestbare vermogen steeds overal weer lichtpuntjes te zien.

Zoals in de brief die hij op 11 oktober 1939 aan Arnold Verkade schreef, en waaraan Coesèl de titel van haar bloemlezing heeft ontleend:

Ik lees tegenwoordig veel geschiedenis. Heel nuttig want je ontdekt dan dat het vroeger met de menschen toch nog veel ellendiger gesteld was dan thans. Wanhoop nooit aan vooruitgang.

Wanhoop nooit aan vooruitgang. Brieven van Jac.P. Thijsse. Bezorgd door Marga Coesèl. Uitgeverij Boom, ISBN 9789461055774, 312 blz., actieprijs tot 26 januari €16, daarna €19,90.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden