Een lynx tussen de schapen

Op het Glyndebourne Festival maakte Tania Kross een succesvol debuut als Carmen en presenteerde Peter Eötvös zijn vijfde opera, gebaseerd op een boek van Márquez.

Aan de entourage is sinds het begin van het Glyndebourne Festival in 1934 niets veranderd – schapen grazen op de heuvels van het Zuid-Engelse graafschap Sussex, terwijl de Britse upper class zich in evening dress te goed doet aan de meegebrachte picknick, al dan niet opgediend door de meegebrachte butler. De opera’s die hier van half mei tot eind augustus worden opgevoerd (bijna 80 voorstellingen van 6 verschillende titels) hebben allemaal een zogenaamd long interval, een pauze van anderhalf uur, die de chique schranspartij on the lawn mogelijk moet maken.

Het is een vreemd gezicht, die gelijktijdig etende mensen en schapen en het eerste dat je te binnen schiet is waarom Hyacinth Bucket (spreek uit: Bouquet) hier nog nooit geweest is, of althans een poging daartoe waagde.

Ondanks de folklore van die o zo typische Britse picknick, is het Glyndebourne Festival in bijna 75 jaar uitgegroeid tot een festival om rekening mee te houden. Grote dirigenten zwaaiden er de scepter; van 1978 tot 1988 was Bernard Haitink er muzikaal directeur. Het London Philharmonic Orchestra (LPO) is het huis-orkest van Glyndebourne en begeleidt alle opera’s, uitgezonderd die van vóór circa 1800, waarvoor het authentieke Orchestra of the Age of Enlightenment wordt ingezet. Chef-dirigent van het LPO is sinds 2001 de flamboyante Rus Vladimir Jurowski, die dit jaar onder andere de wereldpremière van Peter Eötvös’ ’Love and other demons’ dirigeerde.

Glyndebourne Opera House was een ambitieus plan van John Christie die voor zijn vrouw, de zangeres Grace Mildmay, een theater op zijn landgoed liet bouwen. Op 28 mei 1934 werd het kleine, maar professionele theater ingewijd met Mozarts ’Le nozze di Figaro’. En hoewel aanvankelijk opgezet om er met name de opera’s van Wagner te produceren, duurde het tot 2003 vooraleer de eerste Wagner-opera in Glyndebourne werd opgevoerd. Wagner werd mogelijk, toen men begin jaren negentig besloot het oude theater af te breken en er een nieuw operagebouw voor in de plaats te zetten. Er was slechts één festival opgeofferd, dat van 1993, toen het nieuwe huis op 28 mei 1994 (precies 60 jaar na de opening van het oude) werd geopend met Mozarts ’Le nozze di Figaro’.

Het verhaal van Glyndebourne is een succesverhaal en het festival draait, inclusief picknick, als een geoliede machine. Bij regen kunnen de picknickers hun met damast gedekte uitklaptafeltjes opstellen op de halfronde gaanderijen die in drie lagen als foyers om het theater liggen.

Dit jaar maakte de Nederlandse mezzosopraan Tania Kross haar debuut in Glyndebourne. Niet zomaar in een rol, maar in de titelrol van Bizets ’Carmen’. De productie van David McVicar ging al in 2002 in première en werd nu hernomen. Een deel van de Britse pers vond Kross’ Carmen te cuddly wat zoveel betekent als te snoezig of schattig. Ook viel ergens de karakterisering minx, een kattekop, een brutale meid. Maar in de voorstelling (de elfde in de reeks) was Kross niet zozeer een minx als wel een lynx, een katachtig roofdier, door niemand te vangen, en elk moment klaar en bereid om de klauwen uit te slaan.

Kross speelde al eens Carmen in ’La tragédie de Carmen’, een kleine versie van Bizets opera, gemaakt door Peter Brook. Pierre Audi regisseerde haar toen, en van de rauwe aardsheid die Kross toen uitstraalde, was in de regie van McVicar zeker een residu terug te vinden. Vooral naar het fatale einde toe werd Kross’ interpretatie steeds aangrijpender, prachtig gesecondeerd door een volbloed Don José van de Amerikaanse tenor Brandon Jovanovich. De stem van Kross kent zijn beperkingen; vooral in de passage naar hogere regionen zou meer brille gewenst zijn. Desondanks presenteerde zij vocaal en theatraal een uiterst interessant portret van de rauwe en super-verleidelijke zigeunerin. Een portret waarvoor het publiek in Glyndebourne in elk geval veel applaus over had.

Zeer succesvol was ook de wereldpremière van Peter Eötvös’ opera ’Love and other demons’, gebaseerd op het prachtige boek ’Over liefde en andere demonen’ van Gabriel García Márquez. De Hongaar Eötvös verstaat de kunst om de kern van een verhaal in uiterst sfeervolle muziek te vangen. Zo scoorde hij een paar jaar terug een wereldhit met ’The three sisters’ (gebaseerd op Tsjechov). Het zo typische Latijns-Amerikaanse coloriet in de roman van Márquez is weliswaar uit de Engelstalige opera verdwenen, maar de muziek volgt naadloos het verhaal van de door een dolle hond gebeten Sierva María en pater Cayetano, die de duivel bij haar moet uitdrijven. Cayetano valt ten prooi aan een andere duivel, die van de liefde.

Eötvös bouwt zijn opera op vanaf een toonreeks gebaseerd op de volledige naam van de hoofdpersoon: Sierva María de todos los Angeles. Ronduit een schitterend begin, en verderop weet de componist de spanning heel mooi vast te houden met muziek die prachtig voor de stem geschreven is. Goede rollen van Allison Bell (Sierva) en Nathan Gunn (Cayetano) en van oudgedienden Felicity Palmer (abdis) en Jean Rigby (Martina). Jurowski en het LPO droegen in hoge mate bij aan het slagen van deze opera, die ongetwijfeld zijn weg naar andere theaters zal vinden.

Als toetje was er een hilarische enscenering van Humperdincks ’Hünsel und Gretel’. Regisseur Laurent Pelly maakte er een aanklacht tegen de consumptiemaatschappij van en veranderde het snoephuisje van de heks in een met zoetwaren volgestouwd supermarktschap. Moddervette kinderen deden de rest. Kazushi Ono dirigeerde de partituur wonderschoon. Een voltreffer!

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden