Review

Een luchtig lesje in de Latijnse literatuur

Pompeius was een laffe papzak, Vergilius was de herenliefde toegedaan, en Scaurus was gewoon een gluiperd. Op losse toon behandelt de belezen Piet Gerbrandy de klassieke Latijnse auteurs.

De Nederlandse literatuur kent heel wat dichters die klassieke talen hebben gestudeerd: Herman Gorter, Willem Kloos, P.C. Boutens, J.H. Leopold, Ida Gerhardt, om maar een willekeurige greep te doen. In deze galerij heeft zich ook een plaats verworven Piet Gerbrandy, die inmiddels een aantal (bekroonde) dichtbundels heeft gepubliceerd en tot voor kort leraar klassieke talen in Groenlo was. Nu is hij docent Latijn aan de Universiteit van Amsterdam.

Daarnaast is Gerbrandy, kleinzoon van de Nederlandse premier in oorlogstijd, een stevig aan de weg timmerende essayist, aan wie een zekere arrogantie niet vreemd is. In de innemende bundel opstellen over klassieke schrijvers uit 2000 (’Boeken die ertoe doen’) beloofde hij de klassieke auteurs die niet aan de beurt waren geweest de komende jaren, als hij ze op zijn pad vond, van commentaar te voorzien: „Wie nu niet aan bod komt, krijgt later wel een kans”.

Wel, die auteurs worden nu, voor zover ze Latijn schreven en niet in het Grieks dat ze meestal wel beheersten, ruimhartig bediend in zijn nieuwste boek, een vrij complete geschiedenis van de Latijnse literatuur onder de titel ’Het feest van Saturnus’. Die titel is programmatisch: hij beperkt zich, overeenkomstig het ’heidense’ feest ter ere van de god Saturnus in december, tot de ’heidense’ auteurs. Al maakt hij een uitzondering voor de dialoog van Octavius, een van de vroegste of misschien het vroegste Latijnse werk van een christen, de jurist Minucius Felix, en voor een boek dat hem aan het hart gebakken is, ’De vertroosting van de filosofie’, in het begin van de zesde eeuw geschreven door Boëthius in de gevangenis, waar hij op zijn executie wachtte.

Maar verder kunnen de christenen niet op zijn sympathie rekenen: „Met Minucius Felix en Tertullianus marcheert de Inquisitie de Latijnse literatuur binnen. Met hen begint een nieuw verhaal dat thuishoort in een ander boek. Ik rangeer hen met graagte op een zijspoor.”

Een citaat als dit is typerend voor de bewogenheid waarmee Gerbrandy de (Latijnse) literatuur benadert, al is hij, nu de eerste grijze haren zijn markante kop zullen sieren, ook wel ingetogener geworden. Zo wordt Vergilius, die toch al tweeduizend jaar geldt als de grootste dichter van de Latijnse literatuur, niet meer met zo’n rabiate afkeer geschilderd als in ’Boeken die ertoe doen’, al houdt hij afstand. Maar over de ’Georgica’, Vergilius’ leerdicht over de land- en akkerbouw, de boom- en bijenteelt, zegt hij nu: „Het is een onbesuisde stelling, maar ik denk dat ze waar is: de Georgica is het beste gedicht ooit geschreven.” Daaruit spreekt heel wat meer bewondering dan uit de uitspraak in 2000: „Wie van Vergilius wil genieten, kan beter Gerhardts Georgica aanschaffen” (die het gedicht vertaalde) – al vind ik die stelling ook weer een tikkeltje overdreven.

Gerbrandy is een leraar pur sang. Hij hanteert een, voor zijn jonge gymnasiasten, aangepast, los taalgebruik. Voorbeelden: „Pompeius wordt afgeschilderd als een laffe papzak” over Caesars Burgeroorlog; „Vergilius was de herenliefde toegedaan”; „Is Aeneas een held of een zak?”; „Ovidius draagt permanent een masker waaronder zich niets bevindt. Zijn houding is wel eens camp genoemd en vergeleken met de postmoderne leegte van Andy Warhol.” ; „Dat de christenen binnen twee eeuwen de tent zouden overnemen, konden Plinius en Traianus niet bevroeden”.

Kortom, Gerbrandy is een verteller die kwinkelerend sprongen naar de eigen tijd kan maken, al doen die soms de tenen samenknijpen, zoals bij de instelling van een staatscommissie onder leiding van de gluiperd Scaurus: „Zo zou een Oost-Europees bewind dat ook aanpakken”, of over het enthousiasme van de geschiedschrijver Velleius Paterculus, dat „ten slotte uiteenspat in een vuurwerk van jubelende uitroepen dat bijna Noord-Koreaanse trekken vertoont.”

Maar zulke uitglijders zijn het privilege van de bevlogen docent, mits hij er karig mee is. En Gerbrandy zal zijn Groenlose schooljongens ongetwijfeld vermaakt hebben met de expliciete erotiek van menig Latijns geschrift – het is alsof je de leraar soms gniffelend met zijn leerlingen mee hoort genieten van de immer pikgerichte strapatsen van de mannelijke auteurs (de Latijnse literatuur kent maar één schrijfster).

Nu wil ik hiermee absoluut niet beweren dat ’Het feest van Saturnus’ vooral of alleen een boek voor adolescenten is, integendeel. Het is een tot tegenspraak en grote instemming prikkelend boek geworden, waarbij de enorme belezenheid van de schrijver imponeert.

Tenminste, Gerbrendy verzekert ons dat hij alle door hem besproken werken ook zelf gelezen heeft om zich een zelfstandig oordeel te vormen. Ik kan alleen maar nederig erkennen dat ik heel wat daarvan in de loop der tijd al snel verveeld terzijde heb gelegd. Het opmerkelijkst daarin is zijn enthousiasme voor de ’Indian summer van weergaloze pracht’ in de laatste helft van de vierde eeuw en het begin van de vijfde. Dichters als Tiberianus, Ausonius en Rutilius Namatianus, prozaschrijvers als Macrobius en Ammianus Marcellinus worden door Gerbrandy zo liefdevol gekenschetst dat je je bijna gaat afvragen waarom je dat in je leven zo achteloos voorbij hebt laten gaan.

Andere uitspraken prikkelen tot tegenspraak. Zo zet Gerbrandy de ’Bucolica’ van Vergilius als te gekunsteld weg. Maar is gekunsteldheid nu niet de raison d’être van het Hellenistisch genre van het herdersdicht, en heeft Vergilius nu juist niet met een nooit je brein verlatende regel als ’Ah Corydon, Corydon, quae te dementia cepit’ (’Ai Corydon, Corydon, wat een waanzin pakte jou’) het mooiste erotische vers van de literatuur geschreven? Let op de slepend-melancholische ae- en e-klanken van het tweede deel, na de harde o- en u-klanken van de eerste helft – zo benader ik, denk ik bescheiden, de poëtica van Gerbrandy.

Zijn onverminderde hartstocht voor Horatius doet mij aarzelen. Ik heb deze zelfgenoegzame en kruiperige hypocriet nooit gemogen: ’dulce et decorum pro patria mori’, ’het is zoet en gepast voor het vaderland te sterven’. Maar wellicht ga ik, Brechtiaan, maar nu aangevuurd door deze begenadigde docent, Horatius toch weer lezen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden