Eén loket en zo-zo-zo beleid

Hoe laag wordt de drempel van het nieuwe Bureau Jeugdzorg? Zo plat als een dubbeltje, wil de wetgever. Niet plat genoeg, vrezen jeugdzorgwatchers. En wat heeft een kind aan recht op jeugdzorg als het eerst een jaar op de wachtlijst moet? Eerste deel van een serie over de voor- en achterkant van de jeugdzorg.

Niemand is echt tegen de nieuwe wet op de jeugdzorg. De betrokkenen vinden alles beter dan de toestand vóór de grote veranderingen, die tien jaar geleden inzetten. Maar ook is praktisch niemand voor het wetsvoorstel dat, na een zoveelste uitstel, op zijn vroegst half 2004 wet wordt. Eerst wil de Eerste Kamer toelichting van de staatssecretaris op een aantal kritische vragen.

In de praktijk is er al veel in gang gezet. Er zijn nu vijftien Bureaus Jeugdzorg, in de meeste provincies en de drie grote regio's. Alleen een paar landelijke organisaties, zoals de William Schrikkerstichting en het Joods Maatschappelijk Werk, staan nog op zichzelf.

Waar de nieuwe jeugdhulpverlening al gestalte heeft gekregen, ziet het er overzichtelijk uit. Als kind, jongere of ouder hoef je niet eens een trap op voor hulp of advies. Meteen bij binnenkomst-op eigen initiatief of na verwijzing door huisarts, school, gg & gd-wijst zich al het loket. Daarna volgt een heldere bewegwijzering naar de achterliggende voorzieningen. Die ene voordeur met een bordje in een ook al zo moderne vormgeving staat voor laagdrempeligheid. Daar eenmaal voorbij, kan de cliënt terecht bij opvoedingsondersteuning, maatschappelijk werk, video-hometraining, psychotherapie, spel- en andere soorten van therapie. Soms-in het ideale geval-is dat in hetzelfde gebouw. Vaker is er een stichting elders in de regio die de diverse vormen van hulp of opvang biedt. Het plaatselijk advies- en meldpunt kindermishandeling (amk) en de jeugdreclassering worden eveneens onderdeel van het nieuwe bureau Jeugdzorg.

Ergens, verderop in de gang of een verdieping hoger, hangt het bordje 'Raad voor Kinderbescherming' en 'Gezinsvoogdij'. Door de meeste vormen van hulpverlening in hetzelfde gebouw of dichtbij te plaatsen kunnen de lijntjes onderling kort zijn. Kinderen, jongeren en ouders kunnen snel worden gehoord, geadviseerd en doorverwezen. Rapportages volgens gestandaardiseerde formulieren zorgen voor een heldere overdracht. Gaat er toch iets mis, dan is er de klachtencommissie (ergens op de derde verdieping) of het klachtenbureau (ergens buiten).

In juni 2003 werd de wet door de Tweede Kamer aangenomen. Het kabinet-Kok I wilde af van de situatie waarbij het van toeval afhing wie de 'hulpvraag' behandelde en naar wie een ouder, kind of jongere werd verwezen. Vaak stuurde men een kind door naar de eigen instelling, van dezelfde stichting of -gezindte. Het aanbod, een baaierd van organisaties, stichtingen of instellingen, bepaalde wat voor hulp er werd geboden.

Dat moest anders: voortaan zou dat veel meer op de echte vraag en behoefte worden afgestemd. 'De vraag van de cliënt staat centraal', heet dat. En: ieder kind heeft recht op jeugdzorg. Is er eenmaal een indicatie gesteld, dan moet het kind of de jongere hulp krijgen, zo snel mogelijk, liefst dicht bij huis, in zo licht mogelijke vorm en van korte duur. 'Zo-zo-zo-beleid', heet dat.

Soms is een paar uur gezinshulp in de week voldoende om ouders door een impasse te helpen. Hulp moet zoveel mogelijk rondom het gezin plaatsvinden, zoals de pleegzorg tegenwoordig veel werkt met opvang in het netwerk aan familieleden rondom een kind. Plaatsing uit huis bij pleeggezinnen of in een tehuis wordt zo lang mogelijk vermeden. De cliënt heeft er recht op het eigen dossier in te zien. Elk bureau en elke instelling hoort een klachtenregeling te hebben.

Maar, de jeugdzorgwatchers-de hoogleraren, de adviseurs, de politici-zeggen: wat telt dat recht op jeugdzorg als er een wachtlijst is? Onlangs wees het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) op het gebrek aan capaciteit op de Bureaus Jeugdzorg. In de zomer van 2002 stonden er 784 kinderen op een wachtlijst voor pleegzorg en 1161 kinderen wachtten op een plek in een inrichting. Waarom, is nu de vraag van de Eerste-Kamerleden aan de staatssecretaris, wordt daarvoor niet meer geld uitgetrokken?

De provincies, verantwoordelijk voor de uitvoering van de wet en de verdeling van het geld, sloegen onlangs alarm over een tekort van 180 miljoen euro. Daarna stelde het kabinet meer geld beschikbaar. Volgens de MO-Groep, de werkgeverskoepel in de zorg, is er echter nog steeds te weinig geld om echt aan dat recht op zorg tegemoet te komen.

Er zijn meer kanttekeningen. Professor Jan van der Ploeg, emeritus hoogleraar orthopedagogiek, vindt het Bureau Jeugdzorg zelfs een stap te ver in de decentralisatie van de jeugdhulpverlening. ,,Dat zo-zo-zo beleid is goed, maar die volgorde is niet verplicht, en dat lijkt soms wel zo'', zegt Van der Ploeg. ,, Ik kan me enorm ergeren aan het feit dat de tehuizen worden afgeschreven. Het is soms noodzakelijk om meteen zwaar in te zetten en een kind uit huis te halen. Er is nu eenmaal een categorie kinderen waarmee je anders niet veel kan uitrichten.''

Is het Bureau Jeugdzorg wel bekend genoeg bij het grote publiek, is het niet veel meer een tweedelijnsvoorziening, vraagt hoogleraar jeugdrecht Jaap Doek zich af. Hij is buitengewoon kritisch over de nog steeds moeizame samenwerking tussen sommige jeugdzorg-bureaus en de jeugd-ggz. Het blijft mogelijk om via een zijdeur, met een verwijzing van de huisarts, bij het Riagg terecht te komen. Dat betekent niet alleen dat de cliënt een lichtere en goedkopere vorm van hulp misloopt, terwijl die wellicht wel voldoende was geweest. Het betekent ook dat de hulp verkokerd blijft, tegen de oorspronkelijke gedachte van de wetgevers in. Doek: ,,Als het Bureau Jeugdzorg zeven dagen per week 24 uur bereikbaar en beschikbaar is en de deskundigheid in huis heeft, ontgaat mij de noodzaak hiervan.'' Juist aan die deskundigheid twijfelen veel kinderpsychiaters. 'Wij hebben de expertise die jeugdhulpverleners niet hebben', zeggen ze.

Een andere bron van zorg van Doek is de monopoliepositie van het Bureau Jeugdzorg. ,,Als cliënt ben je afhankelijk van dat ene bureau in de regio.'' Volgens hem wringt dat met de intentie van de wet: de cliënt kiest de eigen zorg, maar zonder het Bureau vindt hij van zijn leven niet de weg in hulpverleningsland.

Maar ook de hulpverleners zelf zijn nogal eens het spoor bijster. 'Roermond' is hèt voorbeeld van langs elkaar heen werkende instanties met fatale gevolgen. Daar bracht in juli 2002 een vader zijn zes kinderen om toen hij hun huis in lichterlaaie zette. Dit geval is een toetssteen geworden van de hele jeugdzorg, waardoor er weer andere fouten gemaakt kunnen worden-zoals blijkt uit onderstaand verhaal.

'Moet ik dan voor de trein springen?

Door een paniekreactie van het Bureau Jeugdzorg raakten Petra en Henk de Vlieger bijna hun kinderen kwijt. Hoe machtig is Jeugdzorg?

Van de ene op de andere dag vertoont Johnnie, anderhalf jaar oud, vreemd gedrag. Van een vrolijke baby is het een angstig kind geworden, niet meer te bereiken voor zijn ouders. ,,Hij zat als een zombie in de kamer.''

Moeder Petra de Vlieger vertelt over haar ervaringen met het plaatselijk Bureau Jeugdzorg. Johnnie sliep opeens slecht, at en dronk nauwelijks, had driftbuien en deed 'rare dingen': seksueel getint gedrag dat absoluut niet bij een kind van anderhalf hoort. De kinderarts, waar Johnnie regelmatig komt vanwege een allergie, maakt zich zorgen. De ouders weten zich geen raad. Komt het door de verhuizing, heeft hij last van 'groeistuipen'? Het vermoeden van seksueel misbruik rijst. Kinderporno, denken de De Vliegers. Rondom hun verhuizing hebben kennissen van hen een paar keer opgepast. De politie blijkt deze mensen al in de gaten te houden, maar kon nog geen bewijs vinden.

Daarbij komt nog de geboorte van Johns zusje, waarbij zijn moeder veel bloed verliest. Ze blijft nog lang zwak. Zij kan erg weinig en ze maakt zich grote zorgen over haar oudste. De kinderarts verwijst naar het crisisteam van het plaatselijk Bureau Jeugdzorg. Het is begin 2002.

De Vlieger: ,,Maar daar vonden ze niet dat het crisis genoeg was. Wat heb je nodig, vroegen ze me door de telefoon-geen idee, wisten wij veel wat zij te bieden hadden. Ik wilde gewoon hulp, klaar uit.'' Er wordt een afspraak gemaakt voor een intake-gesprek-een maand later. De baby slaapt inmiddels ook niet meer, van pure stress. Johnnie wordt uitgedroogd in het ziekenhuis opgenomen. Jeugdzorg gaat passende hulpverlening zoeken. Twee maanden later, het is ondertussen ver in het voorjaar van 2002, wacht het gezin nog steeds. Petra de Vlieger heeft het niet meer van ongerustheid en spanning. Na twee dagen bellen met Jeugdzorg hoort ze dat ze een week later gezinszorg kan krijgen. ,,Dat duurt te lang, zeg ik. Moet ik dan met de kinderen voor de trein springen vóór jullie in actie komen?''

Dat had ze beter niet kunnen zeggen. In Roermond was net een huis met zes kinderen in vlammen opgegaan, aangestoken door een dolgedraaide vader. Jeugdzorg raakt in een staat van alarm-tenminste, achteraf verklaart moeder De Vlieger het verdere gedrag van Jeugdzorg zo.

Na haar noodkreet komt Jeugdzorg direct in actie. Het crisisteam komt bijeen met de ouders. De kinderen moeten een paar dagen het huis uit om, zeggen de hulpverleners, Henk en Petra bij te laten komen. Ze kunnen terecht bij vrienden van de familie. Op de dag dat de maatschappelijk werkster zich meldt om Johnnie en Denise naar hun logeeradres te brengen gaat er iets mis. Petra de Vlieger beschrijft het voorval zoals zij het zich herinnert: hoe de Jeugdzorgmedewerkster niet wilde dat er een lawaaiig speelgoedje van Johnnie mee ging, hoe dat uitliep op ruzie, hoe de woedende vader de medewerkster de deur uitzette-'bedreigd', stond er later in de rapporten. Een dag later gaat het logeerpartijtje alsnog door, maar veel lucht brengt het niet.

Kort daarna zouden de ouders een gesprek krijgen waarbij definitief zou worden vastgesteld welke hulp het meest paste. Maar, zegt Petra de Vlieger, ,,daar zou die griet van het crisisteam ook bij zijn, dus ik paste.'' Ze gaat zelf op zoek naar hulp. Na vele telefoontjes vindt ze een orthopedagoog die Johnnie meteen kon helpen-niet via Jeugdzorg, dus moeten ze zelf betalen.

Weer een maand later valt er een brief van de Raad voor Kinderbescherming in de bus. Er blijkt een onderzoek te zijn ingesteld naar de opvoedingssituatie van Johnnie en Denise. De Vliegers bellen Jeugdzorg en vragen wat er aan de hand is. Wat staat er in hun dossier? Waarom wordt er getwijfeld aan hun opvoeding? Pas na veel zeuren en boos worden krijgen ze inzage. ,,Ik sloeg steil achterover. Ze hadden een brief geschreven aan de Raad, waarin stond dat wij niet in staat waren om voor de kinderen te zorgen. De kinderen mogen niet alleen gelaten worden, stond er. Vooral ik was het grote gevaar, ik zou mijn kinderen bedreigen.''

Henk de Vlieger: ,,Ze wilden ook de baby, Denise, uit huis plaatsen, terwijl zij niet in behandeling was. Het ging dus niet over de kinderen, maar over ons'', zegt hij.

In de brief aan de Kinderbescherming - zomer 2002 - raadt Bureau Jeugdzorg aan de kinderen bij de ouders weg te halen. Zo ver komt het niet. Wel vindt er een grote vergadering plaats met de betrokken hulpverleners, Johnnies kinderarts en de ouders. Uithuisplaatsing is onzin, zegt de arts. De ouders hebben steun en hulp nodig. De medewerkers van de Raad raken overtuigd. Het gevaar van uithuisplaatsing is geweken.

De therapie van Johnnie werkt. Goedkoop is de particuliere orthopedagoog niet, maar het is de enige optie, zegt moeder De Vlieger. ,,Onze verzekering dekt het niet, de awbz verwijst door naar het riagg, dat weer doorverwijst naar Bureau Jeugdzorg. En daar beginnen we niet meer aan.'' Vader De Vlieger waarschuwt voor het monopolie van Jeugdzorg. ,,Ik vraag me af: zijn cliënten wel gediend met zo'n overkoepelende instelling? Als het daar niet gaat, en je hebt geen geld, dan kan je geen kant op.''

De familie De Vlieger diende een klacht in tegen het Bureau Jeugdzorg. Daarin werden ze bijgestaan door 'cliëntenvertrouwenspersoon' Ron Buijs, van het advies- en klachtenbureau Jeugdzorg (AKJ). Buijs benadrukt dat hij slechts gedeeltelijk zicht heeft gehad op de werkelijke situatie, maar zoveel weet hij wel: er is niet goed naar de cliënten geluisterd. ,,En er is al helemaal niet 'cliëntgericht' gewerkt, zoals het zo mooi in de de jaarverslagen staat.'' Het geval is geen uitzondering, zegt de vertrouwenspersoon. ,,Die ene voordeur van het bureau is goed, maar op wat daarachter gebeurt heeft de cliënt weinig zicht. Er wordt nog steeds te vaak overlegd zonder dat de betrokkenen erbij zijn. Tegelijk krijg je een informeel sfeertje, met in het geval van de De Vliegers van die brieven aan de kinderbescherming: 'beste Pieter, hierbij meld ik dit gezin aan voor onderzoek met een verzoek om uithuisplaatsing. Dat gebeurt óók achter die voordeur.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden