Een literaire alchemist

Met Harry Mulisch is de Nederlandse literatuur een van haar meest opzienbarende, aansprekende schrijvers kwijtgeraakt. Mulisch stond in niemands schaduw. En niemand kon in de zijne staan.

Van ’De grote drie’, was Harry Mulisch (1927 -2010) de enige die in Nederlandse ogen serieus voor de Nobelprijs in aanmerking kwam. In elk geval werd hem bij recente toekenningen steeds een microfoon onder de neus gehouden voor een eerste reactie. De laatste ouderwets onomstreden grote schrijver van het Nederlandse taalgebied overleed zaterdagavond 30 oktober.

Wie bij zijn dood zijn oeuvre wenst te overzien staat voor een even groot mirakel als de talloze geleerden die er tijdens Mulisch’ leven hun licht over lieten schijnen. Want deze schijnbare alleskunner liet nooit na zijn lezers en zijn liefhebbers te verbazen, of het nu met zijn literair werk – proza, essays, poëzie en toneel – was, of met zijn onontkoombare, onvergelijkbare persoonlijkheid.

Anders dan de twee andere leden van het literair triumviraat, W.F. Hermans en Gerard Reve, schreef Mulisch geen cynische werken over het sombere naoorlogse Nederland en wat er daarna gebeurde, maar liet hij zijn fantasie los op een veel groter terrein; zijn werk spettert van meet af aan van fantasie, verbeelding, magie, toekomstdromen, experiment. Qua geest en mentaliteit behoort hij eigenlijk tot de Vijftigers, waarvan hij zogezegd een eenmansfractie in proza beheerde.

Harry Kurt Victor Mulisch werd in 1927 in Haarlem geboren als enig kind van de tijdens de oorlog met de Duitsers collaborerende Oostenrijk-Hongaarse ex-soldaat Kurt Victor Karl Mulisch en de Duits-Joodse, in Antwerpen geboren, bankiersdochter Alice Schwarz. Die twee tegenpolen, Germaans-Joods, zouden in zijn schrijversloopbaan een belangrijke rol spelen.

Nog in zijn jeugd scheidden zijn ouders. Harry bleef bij zijn vader, een autocratische man van de oude stempel. Hij werd vooral opgevoed door een huishoudster. Het jonge, tweetalige, zelf verklaarde genie sloot zich naar eigen zeggen op in zijn kamer, beoefende de chemie en dacht ’24 uur per dag’ na over de inrichting en het verloop van het heelal, een obsessie die later zou uitmonden in zijn quasi-filosofische werk ’De compositie van de wereld’ (1980).

Het eerste boek waarmee hij bekend werd, ’archibald strohalm’ (1951), ademt nog de fantastisch-absurdistische geest van het surrealisme. Dit jeugdwerk is een goed verhulde autobiografie waarover Mulisch ooit opmerkte: „Waar Strohalm faalde, slaagde ik zelf.”

Een eerste signaal van zijn zelfverzekerdheid, maar ook van de ongebruikelijke relatie die hij tussen zijn schrijverschap en zijn eigen persoon ontwaarde. Niet de schrijver kruipt in zijn personage, het personage kruipt in de schrijver, vond Mulisch.

In latere werken bouwde hij zijn magische, fantastische bouwsels vaak op binnen het kader van een realistische vertelling. Toch liet de geest van het experiment hem nooit helemaal los.

Neem zijn hoofdwerk, ’De ontdekking van de hemel’ (1992), feitelijk geschreven in zijn nadagen, maar niettemin de grote publiekstrekker, ondanks het hoge gehalte aan mysterie (engelen die over het lot der mensen beslissen, een messiaanse hoofdpersoon die met de dieren kan spreken) en nauwelijks plausibele avonturen (bevruchtingen in de oceaan, een tocht door de geheime ruimtes van het Vaticaan), in een jasje van bijdetijdse Nederlandse politieke en maatschappelijke geschiedenis, terwijl hij er ook nog eens zijn boezemvriendschap met de schaker Jan-Hein Donner in travestie in opvoert. Echt wat je noemt een ’totaalroman’ en dat beweert de flaptekst van het boek dan ook gretig.

In die andere publiekstrekker, ’De aanslag’ (1982), waarvan wereldwijd meer dan een miljoen exemplaren zijn verkocht, beoefende Mulisch weer voluit de realistisch-historische roman en knoopte hij een gebeurtenis uit de Tweede Wereldoorlog, zijn eeuwige obsessie, vast aan een volgend moment in naoorlogs Nederland, de grote kernwapendemonstratie in de jaren tachtig. Het is een van zijn gewonere boeken, haast persklaar geschreven ter verfilming die er dan ook kwam.

Overigens was Mulisch, althans als we afgaan op de talloze interviews die we van hem kennen, geen liefhebber van de klassieke psychologische roman. ’Psychologie is een hoerenkut: alles kan erin’, schreef hij eens. Die afkeer deelde hij met de schrijvers die, naast zijn grote voorbeeld Thomas Mann, zijn literaire horizon bepaalden: Jorge Luis Borges en Vladimir Nabokov. Van beide neoconservatieve auteurs verschilde hij drastisch in politieke voorkeur.

Voor de Nederlandse literatuur, ook die van zijn generatiegenoten Hermans en Reve, toonde Mulisch aanmerkelijk minder belangstelling; het was een publiek geheim dat hij niet veel werk van collega’s las. Voor Mulisch leek de realiteit slechts voer voor zijn eigen, soms onnavolgbare hersenspinsels.

Dat geldt zelfs voor zijn modieuze flirts met maatschappelijke oprispingen als Provo (in ’Bericht aan de rattenkoning’, 1966), de Cubaanse revolutie in de jaren zestig (’Het woord bij de daad’, 1968) of zijn terugblik op die hele periode (’De toekomst van gisteren’, 1972). Ook zijn verslag van het Eichmann-proces, voor Elseviers Weekblad, verzameld in ’De zaak 40/61’, overtreft de ordinaire journalistiek verre.

Op zoek naar het geheim van een gewone efficiënte ’dorknoper’ die een machine-mens wordt en iets gruwelijks uitvoert, zocht hij bevestiging voor zijn stelling dat technologie en technologisch denken de mens naar de ondergang voert: alleen de schrijver, die held van de geest, kan hem daarvoor behoeden.

Het is dit zelfverzekerde standpunt dat hem naast veel liefhebbers ook de nodige afkeurende blikken opleverde. Hij stond bekend als arrogant en zelfgenoegzaam. Aanvallen op zijn schrijverschap, zoals door Gerrit Komrij in een pamflet ’Waarom Harry Mulisch geen echt groot schrijver is’, of de nauwkeurige zoektocht naar fouten en ongerijmdheden in ’De ontdekking van de hemel’ door Hugo Brandt Corstius, deed hij af als ’kwade trouw’.

Zijn buitenliteraire naam en faam verwierf hij ook omdat hij, anders dan veel andere schrijvers, een publieke figuur was; een Boekenbal zonder Mulisch was niet goed denkbaar; zijn legendarische pijp fungeerde als een icoon.

Velen hielden hem voor een briljant charlatan: hij zat nooit om een wijs of prikkelend woord verlegen, maar liet zelden het achterste van zijn tong zien. Zelfs niet in ’Voer voor psychologen’ (1961), waarin de toen nog vrij jeugdige auteur zichzelf en zijn werk op de snijtafel legde en waarin hij meldt: „Ik wilde gangster worden en weldra heilige”, beide in elk geval het tegendeel van middelmatige en menselijker ambities.

Over zijn weigerachtigheid om de binnenkant van zijn ziel te tonen zei hij eens in een interview: „Ik kies iets omdat ik er iets mee kan doen. Dat is ook mijn drijfveer: hoe word ik productief. En of ik daarmee aan mijn persoonlijkheid werk – dat is dan meegenomen. Dat is net als de alchemist; die doet proeven en daardoor verandert-ie z’n ziel – maar dáárin is hij niet geïnteresseerd: hij wil proeven nemen”.

In de strakke regie van zijn bestaan pasten geen zwakheden. Ik herinner me een documentaire waarin de grote schrijver, aan zijn bureau gezeten, op een grote hoeveelheid fraaie vulpennen wees die onberispelijk strak in het gelid lagen, en tegelijkertijd beweerde dat hij volstrekt geen neurotische aanleg had.

Ook in een boek als ’Het seksuele bolwerk’ (1973), het zoveelste gecamoufleerde egodocument waarin hij een waaier aan oedipale obsessies verzamelde, krijg je de man achter de schrijver nauwelijks te zien. Je kunt zeggen dat hij zichzelf, zijn bevliegingen, zijn stokpaardjes, zijn ideeën, voortdurend sublimeerde tot literatuur. Hij zou het Oedipuscomplex trouwens meermalen in zijn fictie verwerken. Zo schreef hij het toneelstuk ’Oidipous Oidipous’ (1972). Zijn roman ’Twee vrouwen’ (1975) is helemaal op de oermythe gebaseerd.

De Freudiaanse verklaringstheorieën boeiden hem opmerkelijk genoeg weer veel minder dan de hersenspinsels van een controversiële seksuoloog als Wilhelm Reich, wiens ’zin en waanzin’ hij in ’Het seksuele bolwerk’ aan de orde stelde. Ook hier weer de directe link naar de eigen werkelijkheid: „Omdat ik aan de hand van Reich het weer over mezelf kon hebben zonder het over mezelf te hebben. Mijn vader was van Reichs generatie. Hij had aan hetzelfde front gevochten in hetzelfde leger. En de hele problematiek van Reich leidde tot waanzin. Door het erover te hebben lijkt het me dat ik het bij mezelf onschadelijk heb kunnen maken.”

Er is niet veel voor nodig om Mulisch’ gehele oeuvre tot een binnenstebuiten gekeerde beschrijving van zijn eigen obsessies te verklaren.

Mulisch’ hang naar het mythische en apocalyptische culmineren in zijn bezetenheid van de Tweede Wereldoorlog, een thema dat versluierd of onversluierd in haast elk van zijn werken aan de orde komt. Het leverde een van de bestsellers op eindexamenlijsten op: ’Het stenen bruidsbed’ (1959), ook gebouwd op een mythe, maar tegelijkertijd een eigenzinnige versie van het geallieerde bombardement op Dresden.

In de roman ’Siegfried’ (2001) probeert dan weer de schrijver Rudolf Herter het raadsel van Adolf Hitler te ontmaskeren. Dat kan slechts, zo is zijn overtuiging, door verbeelding (weer de schrijver als magiër, begiftigd met bovenmenselijke eigenschappen!), tot enkele getuigen uit de realiteit zijn ambities met schokkend ’werkelijk’ bewijsmateriaal confronteren.

Er zijn weinig filosofische of maatschappelijke terreinen waarover Mulisch zich niet op een of andere wijze heeft uitgelaten, vaak in treffende maar niet altijd makkelijk te doorgronden aforismen, zoals: ’Kunstwerken zijn de schaduwen die komende gebeurtenissen vooruitwerpen’.

Ook over de dood liet hij zich met enige regelmaat uit, altijd vanuit de gedachte dat hij er zelf niet veel mee te maken had. In ’De versierde mens’ (1957) lezen we: „Hij was wakker geworden aan de verkeerde kant van zijn dromen. Wie dat overkomt, is dood. De dromen laten hem niet meer door; als een dijk staan ze tussen hem en het leven: de ingepolderde dood”.

Het is niet makkelijk om de invloed van Harry Mulisch op de Nederlandse literatuur te peilen. Echte navolgers heeft hij nooit gehad; daarvoor was zijn werk te eigenzinnig. Bewonderaars had hij des te meer; zijn belangrijkste boeken hebben talloze lezers meegesleept.

Toch raakte hij ook nooit helemaal af van de, mede door hemzelf in de wereld gezonden, naam een literair tovenaar of alchemist te zijn, meer dan een diepgravend schrijver die de menselijke staat op het programma heeft staan.

In zekere zin stond hij buiten de wetten van de Nederlandse literatuur en creëerde hij voortdurend een geheel eigen verwachtingspatroon. Alle grote literaire prijzen vielen hem ten deel, te beginnen met de Reina Prinsen Geerligsprijs direct voor ’archibald strohalm’ (1951), natuurlijk de P.C. Hooftprijs voor zijn gehele oeuvre (1977), plus de Prijs der Nederlandse Letteren (1995), de Multatuliprijs voor ’De ontdekking van de hemel’, een boek dat volgens vrijwel iedereen ten onrechte werd gepasseerd voor de Librisprijs.

Met Harry Mulisch is de Nederlandse literatuur een van haar meest opzienbarende, aansprekende figuren kwijtgeraakt, een schrijver die in niemands schaduw stond en in wiens schaduw niemand kon staan.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden