Een literaire aardverschuiving

Zonder Lucebert had de hedendaagse dichtkunst er anders uitgezien. Hij was degene die brak met de regels van grammatica en logica, die zich liet voortstuwen door klank en ritme. Vandaag deel 7 van de door Trouw geselecteerde Nederlandstalige poëzie.

'Brul admiratie! Lucebert gans de natie', zo eindigt een loflied dat dichter Tonnus Oosterhoff op zijn voorganger Lucebert schreef. Oosterhoff, zelf niet de minste poëzievernieuwer, spreekt van 'luceberts vroeg preken', en zijn 'echte regels tegen de regels'. Daarmee heeft hij het werk van zijn experimentele voorganger raak getypeerd. 'De Keizer der Vijftigers', zoals Lucebert wel werd genoemd, heeft meer bewonderaars onder dichters van nu. Ilja Leonard Pfeijffer bejubelde z'n grillige klankassociaties en Pieter Boskma raakte overrompeld door de vitaliteit en het bezwerende karakter van zijn werk. Lucebert was zonder twijfel een van de invloedrijkste naoorlogse dichters.

Hij werd in 1924 in Amsterdam geboren als Lubertus Jacobus Swaanswijk. In 1943 werd hij te werk gesteld in Duitsland. Hij ontsnapte en zat tot aan het einde van de oorlog ondergedoken bij zijn broer. Voor de oorlog had hij korte tijd kunstnijverheidsonderwijs gevolgd. Na 1945 leidde Lucebert een bohémienbestaan als kunstenaar. Om in zijn onderhoud te voorzien, verkocht hij tekeningen en wandschilderingen.

In 1949 verscheen zijn eerste gedicht in Reflex, het tijdschrift van de Nederlandse Experimentele Groep. Met de dichters Gerrit Kouwenaar en Jan G. Elburg was hij toegetreden tot deze voorloper van de Cobra-groep. Luceberts entree in de dichtkunst veroorzaakte een literaire aardverschuiving. Niet alleen omdat zijn 'minnebrief aan onze gemartelde bruid indonesia' een felle aanklacht was tegen de politionele acties. Maar ook omdat zijn associatief beeldende taal uit de ketens brak van grammatica en logica en zich liet voortstuwen door klank en ritme.

(...)

ik ben de bruidegom zoete boeroeboedoer

hoeveel wreekt de bruidegom de bruid

als op java plassen bloed zij stuiptrekt

uitbuiters hun buit haar ogen oesters inslaan en uitzuigen?

De nieuwe generatie dichters ging de literatuurgeschiedenis in onder de noemer 'De Vijftigers'. Naast Lucebert, Kouwenaar en Elburg worden ook Remco Campert, Bert Schierbeek, Rudy Kousbroek, Hans Andreus en Simon Vinkenoog tot deze generatie gerekend. Ze vonden dat de anekdotische en traditionele poëzie van voor de oorlog niet langer voldeed; de oorlog had een te diep gat geslagen. Lucebert in 1952: "Ik bericht, dat de dichters van fluweel/ schuw en humanisties dood gaan./ voortaan zal de hete ijzeren keel/ der ontroerde beulen muzikaal opengaan."

Lucebert wilde in zijn werk 'de ruimte van het volledig leven' tot uitdrukking brengen. Daarmee bedoelde hij: bestaan in het hier en in nu, vrij zijn van tijd en de wereld ervaren zoals een kind dat doet.

(...)

de dichter hij eet de tijd op

de beleefde tijd

de toekomende tijd

hij oordeelt niet maar deelt mede

van dat waarvan hij deelgenoot is

mijn gedichten zijn gevormd

door mijn gehoor

en door de bewondering voor

en de verwantschap

met friedrich hölderlin & hans arp

Hij dicht over bewonderde kunstenaars en schrijvers, over erotiek, macht en natuur. En zoals de beeldend kunstenaars van de Cobra-beweging (Karel Appel, Corneille) in hun experimentele werken veel waarde hechtten aan de spontaniteit en intuïtie, zo lijkt veel poëzie van Lucebert 'proefondervindelijk', al associërend, in één vrije beweging op papier te zijn gezet.

Toch was Lucebert ook een nauwgezet bouwer, zijn gedichten vallen op door een overstelpende reeks beelden, waarbij het ene beeld steeds lijkt voort te vloeien uit en over te lopen in het andere. 'Hij opent het leven van alledag en toont hoe dat steeds weer verschillend gedompeld wordt in beweeglijkheid en angst, kleur en stilstand, licht en verrotting, in de glinstering en de duisternis, in het harde en het zachte (...) tegenstellingen blijven bij hem inderdaad rustig aanwezig', schreef dichter K. Schippers eens over Luceberts poëzie.

Zijn woorden lijken te worden opgeroepen door klank en ritme; vaak is dan ook gewezen op invloeden uit de jazz. Niet voor niets schrijft Lucebert dat zijn 'gehoor' de vorm van zijn gedichten bepaalt, al mag het belang van het oog, van zien en kijken, niet worden uitgevlakt. Zijn poëzie heeft iets brutaals, je vindt er soms bijna kinderlijke taalgrapjes. Maar achter dat speelse ritme, dat kinderlijke tromgeroffel gaat een grimmige wereld schuil:

hij heeft een magnifiek tichouten handje

een tichouten handje met houtkwast

(...)

waarbij hij savonds laat nog zit te dromen

van dat andere handje dat op zo'n goede voet stond

met het machinegeweertje waarmee hij zo scherp

tic tic tic kon schieten

Lucebert noemde zichzelf eens een 'relativerende mysticus, een sceptisch zwerver, een voorzichtige losbol'. Zijn poëzie toont de dichter als een profeet, als iemand met een boodschap, soms tegen wil en dank. Je zou zijn poëzie een daad van verzet kunnen noemen tegen alles wat gevestigd en geordend is: tegen de kerk, het militarisme, de burgerij en de taal. Maar in zijn overrompelende regels lijkt hij te twijfelen aan de mogelijkheden van poëzie om daadwerkelijk verandering tot stand te brengen:

gevleugeld is het woord

als het zegt wat het is

soms het woord heeft een enorme snotneus soms

is het de smeerpoets van de blauwkous

maar vaker mager

het woord is een arm mannetje in de nacht

Na 1963 publiceerde Lucebert lange tijd geen poëzie. Als beeldend kunstenaar was hij toen productiever dan ooit. Pas in 1981 liet de dichter weer van zich horen met 'oogsten in de dwaaltuin', kort daarop gevolgd door 'de moerasruiter uit het paradijs'. De gedichten waren zwarter geworden, grimmiger.

'Het werk van Lucebert was van meet af aan baldadig en schijnbaar chaotisch en toch hoorde het al gauw bij de officiële literatuur en beeldende kunst', schreef K. Schippers. Lucebert ontving in 1967 de P.C. Hooftprijs en in 1983 de Prijs der Nederlandse Letteren. In 1994 overleed hij.

Zonder hem had de hedendaagse dichtkunst er anders uitgezien en zou de poëzie niet zijn verrijkt met regels als: 'er is alles in de wereld het is alles' en: 'een goed woord vindt steeds een goede plaats'. Regels met de kracht van een onomstotelijke waarheid. Een zo'n regel prijkte in het centrum van Rotterdam hoog op het dak van een verzekeringsmaatschappij en bevat opnieuw een aansporing om te zijn in het hier en nu. Het zijn waarschijnlijk zijn bekendste woorden: 'alles van waarde is weerloos'.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden