EEN LIEFHEBBER DES VADERLANDS

Natie en nationaliteit lijken vanzelfsprekende begrippen. Trekken we allemaal niet vanzelf toe naar wie wij zien als onze gelijken, verwanten, soortgenoten? Maar die hang uit te breiden naar een natie is niet vanzelfsprekend. Geschiedkundigen twisten al een eeuw lang over de vraag of er een 'natuurlijke' Nederlandse natie bestaat, en zo ja, wie daar dan wel en niet bij hoort. Vanzelf lijken naties echter niet te ontstaan. Ze worden in het leven geroepen omdat de politiek daaraan behoefte heeft. Al in de vroegmoderne tijd was 'nationaliteit' een woord uit de machine van de politieke propaganda. E. H. Kossmann is emeritus hoogleraar geschiedenis na de middeleeuwen te Groningen. Hij bezet dit cursusjaar de Cleveringa-leerstoel aan de Rijksuniversiteit in Leiden. Bovenstaande tekst is de bekorte versie van een lezing op de 'Staatsrechtconferentie', onlangs gehouden in Groningen.

E.H. KOSSMANN

Het eigenaardige van Huizinga's betoog is echter dat hij deze historische analyse van het verschijnsel eigenlijk betrekkelijk onbelangrijk zegt te achten. Patriotisme en nationalisme veranderden door de eeuwen heen volgens Huizinga niet wezenlijk; alle vormen ervan waren te herleiden tot 'primitieve gevoelens van gehechtheid, trouw en collectief zelfgevoel'. Van groei en ontwikkeling kon dus nauwelijks sprake zijn geweest.

In de grote Eerste Nederlandse Systematisch Ingerichte Encyclopaedie (ENSIE) die na de Tweede Wereldoorlog verscheen beschreef Huizinga's leerling Th. J. G. Locher op zijn beurt de 'ontwikkeling van het nationalisme', waarbij hij wat meer aandacht besteedde aan het problematische van het begrip 'nationalisme' en de historische analyse ervan.

Locher baseerde zich op de beroemde redevoering 'Wat is een natie?' die Ernest Renan in 1882 voor het het College de France gehouden had. Een natie, zegt Renan, is een vorm van omvattende solidariteit op basis van het besef samen offers te hebben gebracht en de bereidheid dat opnieuw te doen. Zij veronderstelt een verleden en het verlangen ook in de toekomst het gemeenschappelijke leven voort te zetten. "Het bestaan van een natie is een dagelijks plebisciet."

Nationaliteit is dus geen natuurfeit, maar een door de geschiedenis gevormd en steeds hernieuwd gevoel van saamhorigheid. Locher vond deze these ook in 1947 nog aanvaardbaar. Net als Huizinga was hij zich er van bewust dat niet elk collectief saamhorigheidsbesef nationaal kon worden genoemd. Hij kende de gehechtheid van de Europese mens, in de Middeleeuwen en later, aan stam of territorium, en wilde de loyaliteit aan de natie dan ook niet overschatten. Maar uiteindelijk meende hij toch tot in de Middeleeuwen bepaalde vormen van nationaal besef te kunnen aanwijzen, eerst in Frankrijk, later in Engeland.

Daarbij bediende hij zich graag van termen als groei en ontwikkeling. In de Middeleeuwen groeien nationale gevoelens en komen nationale staten tot wasdom. Van de zestiende tot de achttiende eeuw ontwikkelen die zich verder. Maar Duitsland en Italie bleven onvolgroeid, schrijft Locher, omdat daar zelfs geen schijn van nationale eenheid bestond.

Anders dan Huizinga beklemtoonde hij dat de Romantiek de nationale idee niet alleen versterkte, maar ook op een nieuwe manier definieerde. Tot laat in de achttiende eeuw was het nationale besef gericht op het bewustzijn van de onderdanen van de staat en het streven deze tot eenheid, kracht en roem te brengen. De romantici concentreerden zich niet langer op staten maar op volken, en hechtten minder waarde aan de roem, uitstraling en macht van een natie dan aan de eigenheid, oorspronkelijkheid en individualiteit daarvan. Ging het voorheen om subjectieve gevoelens van saamhorigheid en trots, in de romantische denkwereld ging het om objectieve kenmerken van een volk, zoals die naar voren kwamen in taal, poezie, rechtsstelsel. Het woord 'organisch' kreeg in dat verband de geladen betekenis die wij nog altijd kennen.

Zo was de situatie in de jaren 1940: kritische en erudiete historici van het kaliber van Huizinga en Locher meenden een geschiedenis van het nationale besef in de verschillende Europese staten te kunnen schrijven, die nauw samenhing met de groei en de eenwording van deze staten zelf. Frankrijk en Engeland waren exemplarisch. Waar landen zich niet conform het veronderstelde patroon hadden gedragen - en dat was in veruit het grootste deel van Europa het geval - vielen al snel woorden als 'onvolgroeid', 'niet tot wasdom gekomen', 'onvoltooid'.

Het verrassende van de voorstelling is bij enig nadenken duidelijk: veruit het grootste deel van Europa heeft de Franse en Engelse ontwikkelingen niet meebeleefd. Is het dan niet verwarrend om deze landen tot de maatstaf van onze historische waardering te verheffen?

Het blijft de vraag of we de invoering van de geunificeerde en gecentraliseerde politieke structuren die in de negentiende eeuw werden gerealiseerd, moeten beschouwen als een min of meer noodzakelijk produkt van een eeuwenlange ontwikkeling, een min of meer natuurlijke groei. Indien Huizinga's en Lochers geschiedenis van het nationaal besef inderdaad is gebaseerd op de veronderstelling dat de vroege vorming van staatkundige eenheden in Frankrijk en Engeland paradigmatisch is, dan zal hun interpretatie van het nationalisme voor de beschouwer die aan het nut van deze hypothesen twijfelt minder overtuigingskracht hebben.

Laten wij eens kijken naar de eigen Nederlandse geschiedenis. Al in 1912

Huizinga in zijn studie 'Uit de voorgeschiedenis van ons nationaal besef' laten zien hoe Franstalige vijftiendeeeuwse geschiedschrijvers aan het Bourgondische hof zoiets als een Bourgondisch patriottisme en zelfs een 'opkomend nationaal besef' tot uitdrukking hadden gebracht. Aan het eind van de zestiende eeuw verdampte de illusie van een geheel-Nederlandse staat. In het noorden ontstond de Republiek, die 'nauwelijks een staat te noemen' was; in het zuiden, het kernland van de Bourgondische heerschappij, waren wel 'een staat en een nationaliteit' aanwezig maar deze 'misten twee en een halve eeuw het goed, dat staat en maatschappij volwaardig maakt, de vrijheid'.

Huizinga opponeerde in dit stuk tegen de grote Belgische historicus Henri Pirenne (1862-1935) die de Bourgondische heerschappij resoluut als een een Belgisch geworden dynastie bescheven had. Dank zij haar waren de door aard en lot met elkaar verbonden Belgische provincies uiteindelijk verenigd. Voor de mogelijkheid van een panNederlands nationaal bewustzijn had Pirenne - anders dan Huizinga - geen oog.

Pirenne was de nationale geschiedschrijver bij uitstek. Volgens goede beoordelaars is zijn tussen 1900 en 1931 verschenen zevendelige Histoire de Belgique de beste nationale geschiedenis die ooit werd geschreven. Voor hem had nog niemand de moed opgebracht de in 1830 / 31 geschapen Belgische staat in een breed opgezet geschiedverhaal te presenteren als de verwerkelijking van een al vele eeuwen zichtbare nationale tendentie, hoewel ze pas in 1830 door politieke zelfstandigheid werd bekroond.

Pirenne was een zeer groot historicus en werd binnen en buiten Belgie terecht geeerd als een meester in het vak. Vandaag de dag treft ons echter niet alleen de forsheid en het raffinement van zijn voorstelling, maar vooral ook de gekunsteldheid ervan. Wij hebben het echter gemakkelijk. Wij weten dat de Belgische staat zich vanaf 1830 / 1831 slechts anderhalve eeuw in zijn oude vorm heeft weten te handhaven, nu wellicht helemaal verdwijnt, of in elk geval geen nationale staat meer is. Er is dan ook geen enkele reden meer om het zeer tijdelijk gebleken verschijnsel van de nationale Belgische staat te voorzien van een voorgeschiedenis van achttien eeuwen.

Bij Pirenne zien we hoe een nationale voorstelling alle plausibiliteit verliest wanneer de stand van zaken verandert. Het heeft voor de huidige lezer geen zin meer om Belgie voor de achttiende eeuw als een natie te kenschetsen. In volstrekte wetenschappelijke oprechtheid heeft Pirenne een Belgie verzonnen dat nooit bestaan kan hebben; en dat niet door documenten te vervalsen of verkeerd te interpreteren, maar door de feiten op een eigenzinnige manier te selecteren en te arrangeren.

Vooral de Nederlandse historicus Geyl bracht daar tegenin dat Belgie nooit een natie was geweest en er ook nooit een zou worden. In zijn groot opgezette Geschiedenis van de Nederlandse Stam betoogde hij dat de Nederlandstalige gewesten in Noord en Zuid een door de natuur gegeven eenheid vormden. Vooral in het tweede deel, over de Opstand van de zestiende eeuw, voerde Geyl daarvoor argumenten aan. De Opstand was volgens hem een grote nationale vrijheidsstrijd van de Noordelijke en de Zuidelijke gewesten samen. Om allerlei redenen mislukte deze strijd en konden alleen de zeven noordelijke gewesten zich uit het Spaanse rijk losmaken. Vandaar dat de geschiedenis van de Nederlanden tot een tragedie werd en Vlaanderen, eens de kern van de Nederlandse beschaving, eeuwen lang aan vreemde heerschappij onderworpen bleef.

Deze zogenaamde GrootNederlandse interpretatie van de geschiedenis heeft een zeker succes gehad, maar inmiddels is er vrijwel niemand meer die haar in een algemene zin aanvaardbaar vindt. Geyls grondstelling was om te beginnen tijdgebonden. Zij paste in het Interbellum, toen velen in Europa dachten dat de liberale principes van nationale en democratische zelfbeschikking eindelijk in heel Europa werkelijkheid zouden worden, ook in de oude Habsburgse en de Baltische landen. Het nationale principe dat uit de natuur van de mensen voortkomt maar lang door de harde historische feiten van overheersing en machtsmisbruik was onderdrukt kon alom eindelijk in volle glorie worden gerealiseerd. Het is niet verwonderlijk dat er ook in Vlaanderen en Nederland mensen waren die meenden in de Lage Landen iets van deze gedachten te kunnen verwezenlijken.

Het naoorlogse politieke klimaat was voor de verdere uitwerking van zulke gedachten echter ongeschikt. De toepassing van het principe van nationale zelfbeschikking was op een teleurstelling uitgelopen. En toen de dekolonisatie op gang kwam en in Afrika en Azie nieuwe vrije staten ontstonden, bleek het zuiver staatkundige element een belangrijker factor dan het nationale. Veel nieuwe staten waren louter politieke constructies van gebieden (en bevolkingsgroepen) die door Europese kolonisatoren waren bijeengebracht of bijeenveroverd.

De GrootNederlandse these werd bovendien verzwakt door het ontbreken van een brede GrootNederlandse nationale overtuiging. Ze bleef in essentie een liefhebberij van intellectuelen - en tijdens de oorlog van collaborateurs, die het thema in discrediet brachten.

Maar indien dat zo is, wat is er dan in de ogen van het huidige publiek juist of onjuist in Geyls historische opvattingen? Hij poneerde dat in de zestiende eeuw een nationale vrijheidsstrijd van in meerderheid Nederlandstalige patriotten werd gevoerd en wees op zestiendeeeuwse teksten waarin de verbondenheid van de Nederlanden met kracht tot uitdrukking werd gebracht. Voor en na hem hadden anderen hetzelfde gedaan. Ook Huizinga en Locher hadden uit historische teksten het bestaan van een nationaal besef menen te kunnen afleiden.

Zijn dergelijke conclusies echter niet veel te haastig? De geciteerde teksten werden met een bepaalde bedoeling geschreven. Zij bevatten geen simpele constatering van een feitelijke stand van zaken. Juist bij de Opstand kunnen we goed zien wat hun functie was. Deze teksten kwamen uit het kamp van de oppositie onder leiding van Willem van Oranje en zij spoorden de onderdanen van Filips II in de Nederlanden aan zich gezamenlijk tegen diens politiek te verzetten.

Met bewondering kijken we naar de kracht, de ingeniositeit en de retorische versiering waarmee Willem van Oranje's propaganda het begrip van het 'nationale' tot leven wist te brengen. Het woord 'patriot', dat de aanhangers van Willem van Oranje voor zich opeisten, was nog niet zo lang daarvoor van betekenis gaan veranderen: niet alleen meer 'inwoner van iemands geboorteplaats of geboorteland' - zijn patria -, maar - zoals men het in het Nederlands vertaalde - 'liefhebber des vaderlands'.

Dit 'vaderland' van de Orangistische propaganda was het grondgebied van de zeventien Nederlandse provincies zoals die in de tijd van Karel V waren gevormd. Willem van Oranje had deze conceptie nodig om zoveel mogelijk inwoners van de Lage Landen bij zijn oppositie te kunnen betrekken. Met uitsluitend een beroep op de overtuigde protestanten - vooral de calvinisten - kwam hij niet ver; zij vormden slechts een kleine minderheid.

De Orangistische retoriek verwees graag naar de oude rechten van de Nederlanden in hun geheel. Ook dit was een briljante vondst en het belang ervan was enorm. Veel auteurs die Willem van Oranje steunden, betoogden dat alle provinciale, lokale, sociale rechten, voorrechten, privileges en vrijdommen in essentie dezelfde strekking hadden; zij waarborgden een zekere mate van autonomie en medezeggenschap van de bevolking in het bestuur en dus ook in de centrale regering. Zo ontstond en versterkte zich de gedachte dat de vrijheid het grote, alles beheersende kenmerk van het vaderland was. Deze begrippen vormden zeker nog niet de veel omvattende, logisch doordachte abstractie die wij sedert de Franse Revolutie hebben leren kennen. Dat was in de situatie van de jaren 1570 ook niet nodig. Zij dienden primair om het verzet te stimuleren en niet als devies om een nieuwe staat te scheppen.

VERVOLG OP PAGINA 16

VERVOLG VAN PAGINA 15

We kunnen daarin nationalistische kenmerken aanwijzen. Maar mogen we daarom aannemen dat zo'n natie ook werkelijk bestond? Nee, dunkt me. De Nederlandse beroerten van de zestiende eeuw laten niet zozeer zien hoe een reeds bestaande natie werd uiteengebroken, maar hoe men door middel van een buitengewoon rijk en gevarieerd complex van voorstellingen, historische interpretaties en emoties, een natie tot stand trachtte te brengen.

Het nationale bewustzijn komt niet primair voort uit een reeds bestaande natie, maar moet deze juist creeren. Naties groeien niet spontaan; nationaal bewustzijn komt niet vanzelf tot wasdom. Zo trachtte de nationalist Pirenne Belgie een nationaal verleden te geven, Geyl uit de geschiedenis een Grootnederlands bewustzijn op te bouwen, en Willem van Oranje zijn verzet te schragen door een nationaal bewustzijn op te wekken. Geen van deze ondernemingen had duurzaam succes, maar er valt wel aan af te lezen hoe zulke nationalistische ambities te werk gaan.

Laten we aannemen dat er pas in de tweede helft van de achttiende eeuw een definieerbaar nationalisme verschijnt. In alle Europese staten trachtten de culturele en politieke elites door verbetering van het onderwijs, stimulering van de volkszang, het oprichten van standbeelden, invoering van de dienstplicht en nationale rituelen, standaardisering van taal en spelling,codificatie van een algemeen burgerlijk en strafrecht, enzovoorts, de samenhang van de steeds talrijker onderdanen te vergroten en hen tot nationaal denkende en handelende staatsburgers te verheffen. Dat is voor een groot deel goed gelukt.

Maar de vraag is of deze naties nu nog bestaan. Om de samenhang van een moderne gemeenschap te handhaven gebruikt men geen nationale motieven meer. Integendeel, het nationale besef wordt nu in een sterk gevulgariseerde versie geexploiteerd door bittere malcontenten die zich verzetten tegen de universele - en dus niet specifiek nationale - code van verdraagzaamheid en relativisme. Heeft het dan nog zin de staten die de Europese Gemeenschap vormen nationale staten te noemen? Waarschijnlijk niet.

Toch blijken de bevolkingen niet bereid het nationale karakter van hun samenlevingen volledig op te geven. Zeker, het overgrote deel van deze bevolkingen aanvaardt de sociale en politieke principes die in alle landen van de Gemeenschap op ongeveer dezelfde wijze verwezenlijkt zijn: democratie, mensenrechten, verbod van discriminatie, recht op een fatsoenlijk bestaan, enzovoort. Onder dit gewelf van gemeenschappelijke normen lijkt echter een veelheid van specifieke denk- en omgangsvormen te bestaan waarvan men voorlopig geen afstand wil doen. Maar wat zijn deze precies? Niemand die het weet.

Wij spreken niet graag meer van nationalisme, nationaal gevoel, nationaal missiebesef, maar liever van identiteit of eigenheid. Dit is een interessante wending. Nationalisme, nationaal besef en vergelijkbare termen duiden een gevoel aan: de massa van een bevolking wordt geacht het gevoel te delen dat zij tot een natie behoort, en wij hebben gezien dat de nationalisten er in ruime mate in zijn geslaagd voor dit gevoel een concrete basis te scheppen. Wij hebben ook gezien dat zij er bovendien zelf van uit gingen dat deze natie een lange geschiedenis kende en organisch uit een oeroude kiem was voortgekomen.

Onze moderne interpretatie verschilt wezenlijk van die van de vroegere nationalisten. Beide visies hebben echter een punt gemeen: het natiebegrip is dynamisch. Men mag beweren dat de natie groeit, zich ontwikkelt, tot wasdom komt, of dat ze verzonnen wordt, gevormd en uitgewerkt - in beide gevallen wordt zij aan verandering onderhevig geacht. Maar in de discussies over onze eigenheid ontbreekt dit aspect. De 'eigenheid' is even statisch als het 'volkskarakter'.

Vandaar dat de beschouwers die het 'eigene' van een gemeenschap trachten te bepalen op een andere manier met de geschiedenis omgaan dan de negentiende-eeuwse nationalisten. De laatsten speurden in het enorme historische materiaal waarover zij beschikten naar uitspraken die op de aanwezigheid van een nationaal bewustzijn schenen te wijzen en leidden daaruit het reele bestaan van een natie af. De beschouwers van het 'eigene' hebben de geschiedenis evenzeer nodig, maar gaan anders te werk.

In september 1990 werd in de Nederlandse Koninklijke Akademie van Wetenschappen een colloquium gehouden waarvan het verslag in 1992 werd gepubliceerd onder de titel Het hemd is nader dan de rok. Zes voordrachten over het eigene van de Nederlandse cultuur. Het is een aangenaam boekje. Maar wat is de procedure van de auteurs geweest? Men krijgt de indruk dat zij op hun speurtocht door de Nederlandse cultuur concrete feiten en eigenschapppen tegenkwamen waarvan ze dachten: die zijn bijzonder, elders bestaan die niet of niet in deze vorm, dus zijn ze typisch-Nederlands.

Heeft men deze gegevens gevonden dan vraagt men zich af: zijn ze het waard ook in het Europa van de toekomst bewaard te blijven? In studies die op deze manier zijn opgezet zient men dan de identiteit van een land, staat of cultuur op eigen kracht oprijzen uit de enorme hoeveelheid beschikbare gegevens over vroegere en eigen tijd. Het is of deze identiteit zich spontaan bij de onderzoeker meldt: hier ben ik, koester mij. Maar hoe aardig de resultaten van deze werkwijze ook zijn, ze bevredigt niet.

Zij is slechts in schijn empirisch. Wie immers - om een vast thema te noemen - denkt dat de Nederlandse cultuur gekenmerkt wordt door realisme en tolerantie, vindt een imposante reeks gegevens die dat beeld bevestigen. Wie de Nederlanders echter juist bij uitstek onrealistisch en intolerant acht, zal daartoe niet minder materiaal kunnen aandragen.

Het bezwaar tegen deze aanpak is dus, ten eerste, dat hij zoekt naar karaktertrekken die de hele geschiedenis door gelijk blijven en, ten tweede, dat hij aprioristisch is: in het gigantische magazijn van de geschiedenis vindt men gemakkelijk bewijzen voor welke generalisatie ook. Vandaar waarschijnlijk dat de nu in Nederland gevoerde discussie over onze identiteit nogal vruchteloos lijkt. Misschien is het beter haar tot nader order te staken. In elk geval heeft onze vervanging van de begrippen natie en nationalisme door eigenheid en trouw daaraan op het morele vlak misschien een hygienisch effect, op intellectueel niveau is ze niet bepaald behulpzaam.

Deze beschouwing moet een conclusie hebben. Zij heeft er echter geen. De instellingen van de Europese Gemeenschap en de door haar op ons verzoek opgelegde saamhorigheid hebben onze gehechtheid aan de bestaande staatkundige verbanden tot nu toe niet kunnen elimineren en ik geloof niet dat dit in de nabije toekomst zal gelukken. Het moet mij van het hart dat de sympathie van de Europese Gemeenschap voor de zogenaamde 'regio's' mij beangstigt. Indien men daarmee de de oude nationale gevoelens wil verzwakken door het stimuleren van grensoverschrijdende regionale economische belangen en sentimenten kan die exercitie schadelijk zijn.

Het is duidelijk dat de Europese Gemeenschap het voorlopig niet zonder de oude, nog zeer vitale nationale staten kan stellen. Alleen daar wordt vooralsnog voldoende politieke energie en democratische controle gevonden. Toch betwijfel ik of het nuttig is ons nu te gaan oefenen in nieuwe versies van oude nationale retoriek. Soms is het beter eens enige tijd zijn mond te houden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden