Een lied voor zuster Benedicta

'Deze intelligente vrouw had Christus gezocht en Christusverlaten, en toch wekte ze de indruk dat ze nog steedsdiep-religieus was. Zo iemand scheep je niet op met dooddoeners,zo iemand maakt je stil. In haar broze gestalte balde zich hetfailliet van het behoudende christendom samen.' Jan Oegemasignaleerde in L & G van 19 maart een 'nieuwe religieuzebloedgroep': de soloreligieuzen. In Utrecht ontmoet hij de vrouwdie hem inspireert tot een tweedelige beschouwing over MinimaalChristendom.

Op 20 mei 2005 toog ik naar het Studiecentrum van deProtestantse Kerken in Nederland, gevestigd in een voormaligziekenhuis in de stad Utrecht. Er zou daar een discussieplaatsvinden over het fenomeen dat ik een paar maanden daarvoorin dit katern had gesignaleerd: de soloreligieus. Het werd eengedenkwaardige middag. Opnieuw werd duidelijk dat mijn profielvan de nieuwe religieuze bloedgroep ook binnen de christelijkewereld in de smaak viel. Het was me al eerder opgevallen door devele post die ik had ontvangen na het verschijnen van het essay'De toekomst der religie is begonnen'.

Aanvankelijk was ik erdoor verbaasd, ik had er immers geendoekjes om gewonden: voor soloreligieuzen is het christendomvoorgoed voorbij. Maar door al die brieven begreep ik dat deontvadering ook in de kerken serieus heeft toegeslagen.Ontwikkelde christenen wijken in grote getale uit naar depoëzie, literatuur, kunst, filosofie, dorstend naar nieuwewoorden, vurig hopend op inzichten die het groeiend ongeloofkunnen temperen. Wat dat betreft verschillen ze in weinig van deafvalligen die na het afscheid van het geloof hunner vaderen hunzoektocht onder de leeslamp voortzetten.

De soloreligieuzen krijgen dus gezelschap van een aanzienlijkeschare dissidenten binnen de kerk. Samen vormen ze degrensgangers van het christendom, waarbij de onderlingeherkenning sterker zal worden naarmate de kerkelijke bindingafneemt. Het dichtst bij de soloreligieuzen staan dezondagsweigeraars, de randkerkelijken die een studieclub ofwerkgroep prefereren boven een bezoek aan de mis of de eredienst.Een dominee uit Wassenaar, eentje met de prettig anarchistischeinslag die zelfs een verstokte afvallige doet ontdooien, schreefme: 'Het type dat jij beschrijft herken ik in heel wat mensen dietoch nog meer of minder met de kerk verbonden zijn, vaak via eenvan onze kringen. Van kerkelijk geneuzel merk ik weinig, daarheeft niemand interesse in.'Benedicta

Of dat laatste klopt of niet (want een soloreligieus blijftaltijd een tikje argwanend tegenover de gelovende medemens) - demiddag in Utrecht was aangenaam open, de bijeenkomst had iets wegvan een familiereünie. De nieuwsgierigheid was groot, en, naarbleek, soms ook de eenzaamheid, zowel onder de kerkelijken alsonder de onkerkelijken, die overigens gelijkelijkvertegenwoordigd waren. Een oude vrouw vertelde dat ze vroegernon was geweest, dat ze het tussen de strenge muren van hetklooster niet had uitgehouden, meer en meer hadden de brevierenhaar verstikt, uiteindelijk was ze uitgetreden om Nederlands enkunstgeschiedenis te studeren. Ze had ruim vijfentwintig jaarvoor de klas gestaan en zat nu in een bejaardenflat, te middenvan Telegraaflezers, niet wetend waar ze het met haar ziel moestzoeken. Naar de mis wilde ze niet meer, maar kon iemand haar eenalternatief suggereren?

Op dat moment kon niemand dat, of liever gezegd: niemanddurfde dat. Deze intelligente vrouw had veel doorleefd endoordacht, ze had Christus gezocht en Christus verlaten, en tochwekte ze bij haar luisteraars de indruk dat ze nog steedsdiep-religieus was. Ze leek een mens dat alleen nog vragenstelde, de meeste antwoorden had ze vermoedelijk al bedacht. Zoiemand scheep je niet op met dooddoeners, zo iemand maakt jestil. In haar broze gestalte balde zich het failliet van hetbehoudende christendom samen, ik werd zo woedend dat ik de eerstede beste prelaat graag het luie oog had uitgerukt.

Op die stoel, drie meter voor mij, zat de schande van de kerk.Laten we haar Benedicta noemen, want een beetje zegen kon ze welgebruiken. Voor haar voeten lag een paar krukken, kennelijk wasze slecht ter been.

Even later kwam een andere vrouw aan het woord, een stukjonger, en naar het zich liet aanzien een stuk blijer. Ik ben wellid van een gemeente, zei ze, en ik snap heel goed waarom veelmensen afhaken. Maar jullie - ze bedoelde de andere helft van dezaal, de helft die zich steeds vrijmoediger als soloreligieusbestempelde - jullie moeten je wel realiseren dat we hier bijelkaar zitten omdat we iets delen. Of jullie het nu leuk vindenof niet, we delen een traditie, die traditie heeft ook julliegevormd, ze heeft jullie gebracht tot waar je nu bent. Zonderchristendom geen soloreligieuzen. Daar zat iets in. Liefde

Ik ging de zomer in met die twee vrouwen in mijn hoofd. Voorde eerste had ik als het ware mijn stuk geschreven; maar detweede bracht me aan het denken. Ik realiseerde me dat ik nog opallerlei manieren met het christendom verbonden ben, dat veel vanwat ik voel, denk en schrijf eraan te danken heb. Een kerkdienstop tv zap ik weg, ik erger me aan de zelfverzekerdheid vanAndries Knevel, theologische traktaten vind ik vaak ongenietbaar,en zo kan ik nog even doorgaan. Toch ben ik uitgever van heel watstichtelijks, ik heb poëzie uitgebracht van de vorige paus,Karol Wojtyla, een prekenboek van Huub Oosterhuis, de dagboekenvan Willem Barnard en een zomerdagboek van Willem Jan Otten.

Hoe zit dat precies? Ben ik een spijtoptant? Een stiekemeweifelaar? Nee, dat is het niet. Kennelijk ben ik verknocht aaneen traditie die mij afstoot. Sterker, hier is liefde in hetspel. Dat merk ik bijvoorbeeld wanneer ik geconfronteerd wordtmet het exotisme van de new age, verzamelnaam van allerleimisleidende filosofietjes die de mens uitroepen tot schepper vanzijn eigen lot en het ego bekleden met een macht als was het Godop aarde. Tegenover Jung-adepten, Coelho-lezers,reïncarnatietherapeuten en personal councelors voel ik me eenvolstrekte vreemde, hun allesweterij wantrouw ik tot op het bot.Kom ik ermee in aanraking, dan merk ik hoe zeer ik hang aan hetchristelijke wereldbeeld en zijn beklemtoning van kleinheid,onwetendheid, ijdelheid, spiritueel tekort. Eén blik in de helleogen van een esoterica en ik verlang hartstochtelijk naar eengedicht van Ida Gerhardt of Guillaume van der Graft.

Wat me deed concluderen dat ik, soloreligieus en wel, nogaltijd midden in het christendom sta, al is het dan op een andereplek dan de gereformeerde familie waarbinnen ik bengrootgebracht. Dat maakte me nieuwsgierig. Waar sta ik dan, watdenk ik precies? Het zou goed kunnen dat ik, man met eenongelovig maar mystiek hart, er een privé-christendom op na houddat ik niet als zodanig heb durven onderkennen uit weerzin tegende kerk. Die weerzin is alleszins te billijken, intellectuelebangigheid niet. Zou ik mijn eigen versie durven opschrijvenzonder angst voor progressieve theologen met hun irritanteannexatiedrift? Zonder angst voor solitairen, agnosten enatheïsten die mij meewarig zullen afschrijven als essayist?Minimaal

Maar, zo bedacht ik vervolgens, Andries Knevel en JosephRatzinger bezitten niet het monopolie op het christendom. Wiezijn idee daarvan hoofdzakelijk door types als zij laat bepalen,kent hen meer macht toe dan zij verdienen. Daarbij: deverscheidenheid aan beelden, opvattingen, houdingen en rituelenbinnen de christelijke traditie is zo groot, dat het mogelijkmoet zijn om daaruit een acceptabele uitsnede te maken. Per slotis het christendom óók een geschiedenis van mystici, gnostici,ketters en andere sympathieke dwarsliggers. Waarop ik besloot hetwaagstuk aan te gaan, niet alleen geïnspireerd door de tweedames in Utrecht, maar ook door een essay dat opnieuw op mijn wegkwam: 'Ik geloof dat ik geloof' van de Italiaanse filosoof GianniVattimo (Turijn, 1936).

In de jaren tachtig verwierf Vattimo faam als woordvoerder van'het zwakke denken' en ontwikkelde hij een eigensecularisatietheorie. In de jaren negentig keerde hij terug tothet katholicisme, uitvloeisel van een denkproces dat hij typeertals 'een nihilistisch hervinden'. 'Ik geloof dat ik geloof' (uit1996) is bedoeld als de filosofische verantwoording van datproces. Een fascinerend betoog, dat slechts op een puntteleurstelt: de praktische consequenties. Vattimo kruipt weer alsvanouds in de kerkbanken en verzuimt na te denken overalternatieven voor credo, wijwater en beurtzang. Het is vreemddat hij zijn 'zwakke' geloven wil voortzetten in een spijkerhardinstituut dat als bekend weinig ruimte laat voor experimenten.

Ik ga een stap verder dan Vattimo, ik kom uit op eensceptisch, literair, meditatief christendom dat in veel opzichtenafwijkt van het bekende. Ik noem het Minimaal Christendom, wanthet is een christendom dat veel wegstreept en weinig overhoudt.Het voelt zich niet thuis in galmende kerken, het huldigt eenonzeker, ambivalent godsbesef, het staat afwijzend tegenover dechristologie en het wil de betekenis van Jezus sterk relativeren.Het bidt niet en het zingt niet, het heeft een hekel aan dekitsch van kerst en de krachtpatserij van Pasen (ofschoon Vattimomet dat laatste volmondig zal instemmen). Daarentegen geniet hetvan de vele schitterende teksten uit de Bijbel en de omringendeliteratuur, terwijl het tegelijkertijd huiverig is voorhoofdletters en grote woorden. Daarom draait het in zijn rituelende verhouding tussen woord en niet-woord radicaal om. Hetbeoefent oosterse meditatietechnieken en stelt de stiltecentraal; wat dat betreft doet het graag zijn voordeel met dekennis (en trouwens ook met het mensbeeld en de psychologie) vanhet boeddhisme. Virtueel

Natuurlijk is dit christendom virtueel. Het is slechts mijnpersoonlijke synthese van ideeën en verlangens die je bij heelwat progressieve christenen, randkerkelijken en soloreligieuzenzult kunnen aantreffen. Natuurlijk doe ik weinig meer dan hardopdromen - maar zo, met de articulatie van dit alternatieve,ontknevelde christendom, creëer ik voor mezelf een mogelijkheidom me opnieuw te kunnen verhouden tot het geloof van mijn jeugd.Ik zoek een manier om daar onbevangen tegenover te staan, wetenddat veel van wat ik ga zeggen nog de sporen zal dragen van angst,ergernis of argwaan. Dat zij dan maar zo. Here, zie mij staan,ik kan niet anders, zuster Benedicta kwam op mijn pad. Voor ditmoment moeten Hij en zij maar vrede hebben met de poging.

Overigens zullen heel wat soloreligieuzen niet het nut vandeze onderneming inzien, zij hebben geen trek meer in enige vormvan actief of intellectueel christendom. Mijn zegen hebben ze,Minimaal Christendom wil niemand overreden of bekeren, ter linkernoch ter rechter zijde. Evengoed hoop ik dat dit experimentnavolging zal vinden, in die zin dat het ook anderesoloreligieuzen zal prikkelen zich te bezinnen op hun eigenreligieuze wortels, ongeacht of die in het christendom liggen ofelders. Ik zou het bijvoorbeeld spannend vinden wanneervrijgevochten moslims hun eigen versie van de islam opschrijven,en idem dito voor schrijvers en intellectuelen met een andereachtergrond.

Voor mij is dit alles uitvloeisel van het ideaal dat ik inmijn eerste essay over de soloreligiositeit formuleerde. Als ikmij wil ontwikkelen tot een vrije religieus, dan betekent datvoor mij bij nader inzien óók dat ik mijn krampachtigheidtegenover het christendom zal moeten verliezen. Zonder dit vande weeromstuit weer zaligmakend te verklaren, want dat is hetniet. Mijn minimalistische christendom is slechts een van mijninspiratiebronnen, naast kunst, wetenschap, boeddhisme, mijnvrienden en familie, de liefde, Heineken en Ajax.Chimpansee

Minimaal Christendom presenteert zich dus niet als de nieuweweg, maar als een alternatief. Het wil niemand iets afnemen,niemand beledigen. Het is een christendom aan het einde van demetafysica en het theïsme, het erkent dat de mens noch in defilosofie, noch in de religie in staat is gebleken uitspraken tedoen die de totaliteit van de menselijke leefwereld bevredigendomschrijven.

Dergelijke uitspraken verraden altijd de beperkingen van land,taal, historie, cultuur, bewustzijn en wetenschappelijke ratio.Beweren dat niemand de waarheid in pacht heeft is een goedmoedigcliché; ze is ons eenvoudigweg nooit ter hand gesteld, onzehersens zijn er niet op berekend. Wie meent dat we hooguittorenen over de ons verwante primaten, verraadt een fataalgebrek aan zelfkennis. Het verschil tussen de mens en dechimpansee komt voor rekening van 3,5 procent van ons DNA. En netals bij de chimpansee zijn onze hersenen ingesteld op overleven,denken is een soortgelijke activiteit als eten, zweten, poepenen bananen plukken.

Minimaal Christendom is daarom nuchter en bescheiden. Hettrekt een eenvoudige en verrassende conclusie uit de teloorgangvan de waarheid: dat ze vanaf nu ook het fundament mist omandersdenkenden van dwalingen te beschuldigen, zolang die zichniet bezondigen aan uitbuiting, discriminatie of geweld. MinimaalChristendom is een weldenkend geloven, de redelijkheid, decaritas en het welbegrepen eigenbelang zijn haar enige houvast.En de redelijkheid gebiedt elke gelovige het zijne te gunnen, omeen tolerantie te betrachten die soms veel weg heeft van gezondeonverschilligheid. Taboe

Deze tolerantie is wat progressieve christenen,randkerkelijken en ongebonden solitairen in feite nu al inpraktijk brengen. Zo lang er geen sprake is vanfundamentalistische excessen, voelen zij doorgaans weinigbehoefte om traditionele christenen te corrigeren of met hen indebat te gaan. Ze kunnen hun gelijk niet bewijzen, ze hebbenbovendien een hekel aan bijbelen en betweterij. Als mijn moedermij een kaartje stuurt ter aankondiging van het feestje voor haar65ste met als motto 'De Heer is mijn herder', denk ik alleenmaar: lieve moeder, laat hij je herder zijn.

Maar zoals ik tolerant ben tegenover orthodoxe gelovigen, zovraag ik ook tolerantie voor mijn soort christendom. Dietolerantie begint bij de erkenning en doorbreking van een taboe.Namelijk: het taboe op intelligentie. Anders dan in hetboeddhisme rust er in de hele geschiedenis van het christendomeen doem op de ontwikkelde mens. De krampachtigheid en kromtaalvan hele generaties theologen is ten dele daaraan te danken. Zijmoeten zich onderwerpen aan voorstellingen ver buiten iederrealistisch en rationeel levensbesef. Voor mij echter begintgeloven met de aanvaarding van het voorhandene en met eenkousbroekiaans ongeduld tegenover fantasma's en wonderen. Zelfsal zou het waar zijn dat Jezus over water heeft gelopen, dan nogis het een oneindig groter mirakel dat wij met onze voeten overdeze aarde wandelen (dit stekelige grapje komt van de Vietnamesevredesmonnik Thich Nhat Hanh).

Minimaal Christendom is een geloof voor de nadenkende,beschouwelijke, eigengereide mens. Verschillen zijn er nueenmaal, laten wie die niet verdoezelen. De een heeft domwegandere behoeften dan de ander. De kerken hebben een strategischefout gemaakt door al hun kaarten op gemeentevorming te zetten engeen ruimte te scheppen voor de individuele ontwikkeling vanintellectuelen, kunstminnenden en andere eigenzinnigen. Met alsgevolg dat de godshuizen in Nederland blijven leeglopen en nu inhard tempo vergrijzen en ver-EO-iseren. Zij dragen mede schuldaan de verwezing van grote groepen religieus gevoeligen. Onderwie Benedicta, dakloze zuster van een bang en fantasieloosinstituut dat alleen cosmetische antwoorden heeft op desecularisatie en zich doof houdt voor filosofen die beweren datdie verfoeide secularisatie misschien wel de innerlijkebestemming van het christendom is. Monty Python

Dat laatste is een stoutmoedige en speculatieve theorie vanVattimo (die daarbij leunt op inzichten van Nietzsche, Heideggeren vooral de Fransman René Girard). Voor hem begint desecularisatie niet ergens in de negentiende eeuw, maar in hetjaar nul, of zelfs nog daarvoor. Secularisatie is in zijn ogeneen langdurig, moeizaam en nog lang niet afgerond proces waarinde mens zich bevrijdt van zijn primitieve oorsprongen en zichontwikkelt tot een redelijk denkend en rationeel handelend wezen.

Belangrijk moment daarin is de komst van Jezus, die volgensVattimo niets wil weten van een toornige God die gezag afdwingtdoor rampen en zondvloeden, een God die zich alleen laatvermurwen door zondebokken en offergaven. Jezus maakt een eindeaan een godsdienst waarin het heilige wordt geïdentificeerd metretorisch dan wel fysiek geweld, hij wil het heilige uitsluitendefiniëren in termen van liefde, vriendschap en solidariteit.

Maar hoe kan het dan dat Jezus eindigde aan het kruis, bijuitstek het symbool van bloed, vergelding, slachtofferschap?Vattimo geeft hier een soortgelijk antwoord als de makers van'The Life of Brian', de schitterende Monty-Pythonfilm waarin eensympathieke sukkel - toevallig de buurman van Jezus - per ongelukop Golgotha belandt. Jezus' executie is een vergissing, eenakelig misverstand.

Zijn vroegtijdige einde had voorkomen kunnen worden wanneerde mensheid zijn missie had begrepen. Jezus kwam niet ter wereldom de Vader een geschikt slachtoffer voor zijn toorn te bieden,nee, zijn opdracht was 'om de band tussen het heilige en hetgeweld aan het licht te brengen en daarmee ook teniet te doen.Hij werd ter dood gebracht, omdat zo'n onthulling onverdraaglijkblijkt voor een mensheid die wortelt in de gewelddadige traditievan offerreligies.' Jezus bleek uiteindelijk dus niet opgewassentegen de primitieve reflexen die hij wilde bezweren.Stadsschouwburg

Volgende vraag is dan: waarom blijven de kerken toch zogebiologeerd door de man van smarten? Vattimo's antwoord daaropis simpel. De secularisatie is niet voltooid, het christendomheeft de krachtige overblijfselen van de natuurgodsdiensten noglang niet overwonnen. Dat lijkt me ook een van de belangrijksteredenen waarom het progressieve theologen niet lukt om zich vanJezus los te maken.

Verzoening, opstanding uit de dood, twee-naturenleer, dathebben ze allemaal naar het rijk der fabelen verwezen. Zeverdedigen Jezus hooguit nog als voorbeeldmens, superhumanist,wijsheidsleraar, wegwijzer naar het jodendom, inspirator in destrijd tegen onderdrukking, daarbij niet beseffend dat zij vanhem een figuur maken die eenvoudig inwisselbaar is voorhistorische figuren met vergelijkbare kwaliteiten. Maar als Jezusslechts een mens was (met alle feilbaarheden van dien), dan iser geen reden meer om hem stiekem te blijven verafgoden.

De werkelijke oorzaak van de halfslachtige Jezusliefde vanmoderne theologen is de zuigkracht van de mythe. Het lukt hunniet de Jezus van hun jeugd volledig los te laten. In zijn studie'Jezus: nalatenschap van het christendom' rept Harry Kuitert, demoedige afpeller van het christelijk geloofsgoed, over 'hetaangrijpende, onthutsende drama van het verraad, van dekruisiging, van de godverlatenheid'. Met die woordkeus geeft hijonbedoeld aan dat hij op een ander niveau dan het intellectuelenog steeds geraakt wordt door het klassieke lijdensverhaal. Datis allerminst een schande, wie als kind met het evangelie wordtgeïmpregneerd blijft een leven lang gevoelig voor degeestverlammende magie die uitgaat van de bloedende, bezwete,gepijnigde godenzoon. Maar er kan een moment komen waarop hetkind wakker wordt en beseft dat de doornenkroon een appèl doetop een romantiek waartegen een volwassen mens zich behoort teverzetten.

Minimaal Christendom distantieert zich van het mythischechristendom, het wantrouwt de donkere stem van het bloed. Hetvindt dat de Golgotha-scène niet thuishoort in de kerk maar inde stadsschouwburg, sedert eeuwen de plek van de tragedie, deplek waar de moderne mens zichzelf confronteert met zijn taaisteinstincten en griezeligste verlangens. En als de kerk toch hettoneel moet zijn, dan welgeteld één keer per jaar, bij deopvoering van de Mattheus Passion. Dadaïst

Met dit alles wordt Jezus Christus niet uitgewist, hoe zou datin onze cultuur ook kunnen. Wel verliest hij zijn vooraanstaandepositie en kan hij niet meer rekenen op onze kinderlijkeafhankelijkheid. Hij kan wel degelijk een bron van inspiratieblijven, zij het dan dat hij geduchte concurrentie moet duldenbij alle rollen waarmee zijn complexe persoonlijkheid wordtopgetuigd (je zou beter kunnen zeggen: bedwongen). Als humanistblijft hij achter bij Erasmus; als kenner van de ziel moet hijin Prediker zijn meerdere erkennen; als religieus genie had hijhet nodige kunnen opsteken van Boeddha; als spiritueel leraarmoet hij Ruusbroec en Sogyal Rinpoche laten voorgaan. ZelfsSigmund Freud was een beter psycholoog, en kan zich in elk gevalberoemen op een overtuigender en realistischer beschavingsideaal.Lees ik het evangelie van Marcus (volgens bijbelwetenschappersde meest betrouwbare bron), dan vermoed ik achter het zichtbaargeromantiseerde hoofdpersonage een grillige charismaticus wiensvoorbeeldigheid makkelijk wordt overschat.

Toch, om weer over te schakelen van historie naar mythe enarchetype, houd ook ik er een ideale Christus op na. Samen meteen grote schare schrijvers en kunstenaars ben ik vooralgecharmeerd van de religieuze dadaïst, de wettenbreker, desabbatschender, de ontmaskeraar van de schone schijn. Hij is eenvirtuoos van de omkering: liefde gaat bij hem voor de wet, dearme voor de rijke, de caritas voor de zelfzucht. Hij doorbreektde orthodoxie, verbrijzelt alles wat neigt naar verstarring enverstening, zo ook de orthodoxie van mijn soms hardleerse ego,dat zich dagelijks toelegt op controle, zelfbehoud en nodelozeverrijking.

Mijn ideale Christus staat voor tegenwoordigheid van geest,freischwebende Intelligenz, gek genoeg zweeft die Intelligenz eenbeetje om me heen nu ik hem verlos van de schedelplaats en GianniVattimo een handje help de harde structuren in het christendomte verzwakken. Déze Christus is ongetwijfeld een grote fan vande secularisatie. Hij staat naast me en fluistert me in eenautonoom mens te zijn en vooral mijn eigen pad te volgen.

Maar opnieuw: er is geen enkele reden deze archetypischeChristus middelpunt te maken van een cultus. Als we het theaterbetreden, steken we geen kaarsjes op voor Orestes, Oedipoes,Medea of Iphegeneia. Zij zijn voor ons geen voorwerp vanheiliging maar van contemplatie, hun lotgevallen doen onsnadenken over onze eigen ambities, keuzes en gedragingen.

Diezelfde rol kan ook Christus vervullen, hij is een held vangelijke rang als al die andere personages die we in ere houdenals bevragers van onze ziel. En wélke rol hij speelt mag iederzelf bepalen, de ene Christus (want er zijn er vele) is nietminder dan de andere. Ik kies voor eentje van anarchistische,gnostische snit - maar dat is slechts een persoonlijke keuze dieik niemand ten voorbeeld zal stellen. Want hij mag me in diehoedanigheid dierbaar zijn, hij is me niet heilig. Hij zou hetzelfs als een domheid beschouwen als ik me op mijn knieën zouwerpen om tot hem te bidden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden