Een lezing in Hengelo

Een paar dagen bracht ik in een landelijk omgeving door, zij het in de nabijheid van een provinciestad. Die stad, Hengelo, kampt met haar stedelijkheid, en ik mocht er de zogenaamde Storklezing houden, naar de fabrikant die in een voorbije eeuw van het dorp een stad maakte.

Plaats van handeling was het verfijnde Hotel 't Lansink, een voormalig theehuis in de door Stork voor zijn personeel opgezette Tuindorpwijk, een prachtwijk naar Engels voorbeeld, vrijwel onaangetast nog, op een paar kunststofkozijnen na misschien.

Het publiek was klein, grijs en fijn en verwende me met stille aandacht, nauwelijks een kuchje, terwijl ik afdaalde in het Hengelo van mijn jeugd, het Hengelo van de jaren zestig en zeventig, de jaren van mijn lagere en middelbare schooltijd.

Hengelo - tachtigduizend inwoners - is een van die vele steden die zijn binnenstad stil ziet vallen, de winkelleegstand is groot, de industrie is verdwenen, en de sprong naar nieuwe, dynamische tijden is nog niet gemaakt.

In mijn schooljaren was de Industriestraat nog een van de markantste van de stad; een smalle, intimiderende straat tussen twee hoge blinde muren van de grote machinefabriek van Stork door, halverwege onderbroken door een spoorlijn waarlangs soms grote machine-onderdelen werden verplaatst.

De industrie lag midden in de stad, tegen het station aan, een station dat in ambitieuze nieuwe plannen Centraal Station Twente heet, naast een heus World Trade Center in wording, dat overigens niet in hoge glazen torens oprijst, maar gevestigd is in de laagbouw van de oude UTS, de Uitgebreide Technische School, die later MTS heette.

De school waar mijn te vroeg overleden vader hoofdconciërge was. Ik schrijf 'hoofdconciërge' want hij had nog twee conciërges onder zich, al kon je dat verschil niet zien, want ze droegen eendere stofjassen. Wel bewoonden we dankzij zijn positie de conciërgewoning achter de school, een modern, rechthoekig huis met plat dak.

Mijn vader overleed in 1975, nog geen 55 jaar oud, en mijn moeder mocht - met haar zeven kinderen - nog een paar jaar in de conciërgewoning blijven, lang genoeg om nog kortstondig een verhouding te hebben met een man, die ze op een tocht naar Lourdes had leren kennen. Hij was de chauffeur van de bus geweest.

Die verhouding was een discrete - mijn vader was nog maar enige maanden dood en het was eerder zijn gemis dan liefde voor de ander dat mijn moeder naar gezelschap deed zoeken, maar het was een wonderlijke ervaring toen ik 's nachts eens vanuit mijn slaapkamerraam die knots van een touringcar voor de deur geparkeerd zag staan.

World Trade Center. WTC in de UTS.

Mijn vader was in zijn stofjas eigenlijk een vroege poortwachter van de poort naar de wereld geweest.

Ik ging nog eens kijken naar het huis achter de school, waartussen in onze dagen een sportveld lag, dat we gretig gebruikten. Dat veld was intussen volgebouwd, maar het huis was nog hetzelfde, al was de tuin overwoekerd.

Een man trad naar buiten en knielde rokend naast de voordeur neer. Of hij hier woonde, vroeg ik. Hij keek me niet begrijpend aan. Ik herhaalde mijn vraag. 'Nix verstehen,' zei hij.

Een Pool.

Hengelo werd al internationaler.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden