Een leven met Feyenoord is een prachtig leven

Feyenoord bestaat zaterdag 19 juli precies een eeuw. Hoe sterk verzakelijkt het voetbal inmiddels is, zonder onvoorwaardelijke trouw is er geen vreugde, geen pijn. Niet eens een club.

Wie Fredrik Klaas Blankemeijer (81) vraagt naar wat nu precies het Feyenoordgevoel is, hoeft niet te rekenen op een omstandig antwoord. „Weet ik niet”, zegt de senior manager, wars van franje als hij is. „Het is een goed gevoel, dat is alles dat ik erover kan zeggen. Het gevoel juist bij deze club te horen, is met geen pen te beschrijven. Zelfs niet in woorden uit te drukken. Je moet er zijn om te weten wat het is.”

Oud-speler, voormalig bestuurslid en clubicoon Fred Blankemeijer, een twee meter lange ’jongen van Zuid’ die nu, met het vorderen der jaren, iets aan lengte lijkt te hebben ingeboet, is Feyenoorder voor het leven. Eigenlijk ìs hij Feyenoord. Een man, die als geen ander aanvoelt en weet hoe supporters van de club denken en handelen. Een man die de club 24 uur per dag ’verkoopt’. Die als geen ander ziet of een verondersteld talent ook écht een talent is. Die juicht en blij is als Feyenoord punten en prijzen pakt en die, ingetogen, met de club meelijdt bij ieder ander resultaat.

Een man dus die een voorbeeld is, of probeert te zijn, voor iedere rechtgeaarde supporter. Als het Legioen weer eens mort en scheldt, zelfs in crisis verkeert, sust hij geruststellend, en troostend: „Het komt goed met Feyenoord. Dát is de enige zekerheid: het komt altijd goed”. Als het Legioen weer eens hoopt en bidt, zelfs droomt van een grote prijs, waarschuwt hij voor een, zoals zo vaak, te vroeg op gang gebrachte euforie. „Laat je geen zand in de ogen strooien”.

Nooit zal de buitenwereld hem op een onvertogen woord over zijn liefde betrappen. De liefde die letterlijk zijn leven leidde, die liefde is hem heilig. In de wetenschap dat hij niet zonder dat rood-witte virus kan, of wil. Of dat nu overdreven wordt bevonden of niet, zo eenvoudig steekt de zaak, met alle Rotterdamse nuchterheid, in elkaar.

„Tja, en dan vragen mensen of ik niet vind dat ik mijn leven vergooi met alleen maar voetbal, altijd Feyenoord”, zegt hij, terwijl hij zijn handen, heel kort, machteloos spreidt. „Ik begrijp dat sommigen er zo tegen aankijken en dat is ieders goed recht, maar zelf heb ik dat gevoel niet. Geen moment gehad ook. Een leven met alleen maar Feyenoorders om je heen, is een prachtig leven. Zo denk ik erover hoor.”

Het Stadion Feijenoord is, naar eigen zeggen, zijn ’tweede en misschien ook wel eerste huis’ en daar wil hij niemand mee tekortgedaan hebben. Daar, in het Maasgebouw van de Kuip, in het Feyenoordklimaat waar iedereen iedereen kent, komt hij nog welhaast dagelijks. Eerst neemt hij de lift. Schuifelend, want als de linkerknie niet kraakt, dan doet tegenwoordig zijn rechter dat wel. Dan, eenmaal boven, linksaf de gang in en halverwege rechts naar zijn kamer, met uitzicht op het trainingsveld van de hoofdselectie. Met daar weer achter de nieuwbouw van de Veranda, de Pathé bioscoop, de politiepost, vlakbij de plek waar vroeger de voor Zuid belangrijke scheepswerf van Piet Smit was gevestigd.

Hij brengt er lange dagen door, die nochtans te kort zijn. De ochtend gaat al helemaal snel. Een kort moment van uitpuffen, de dagelijkse ochtendkranten tot in de kantlijn doorspitten op nieuws over Feyenoord, van afstand de training volgen, met coryfeeën en trouwe vrienden als Wim Jansen en Rinus Israel over voetbal in het algemeen en Feyenoord in het bijzonder praten, stapels post doornemen, selecteren, afwikkelen. Post uit Limburg, Zeeland, Amsterdam, de VS, Indonesië, Schotland, Italië, Frankrijk, van overal. Ze kennen Feyenoord in alle hoeken.

Aangrijpende brieven zijn er soms. Over zieke kinderen en van oude, geëmigreerde Rotterdammers, die herinneringen ophalen aan de tijd dat voetbal nog het enige verzetje was in een cyclus van keihard pezen in, meestal, de Rotterdamse haven. De arbeidersclub Feyenoord die op Zuid groeide en bloeide en deze niet te stuiten opmars via Kromme Zandweg en Afrikaanderplein gestalte gaf met de bouw van de Kuip, eind jaren dertig. Herinneringen aan de oorlogsjaren, de eerste Europa Cupsuccessen, kampioenschappen, pijnlijke nederlagen en een enkele maal nota bene een bijna faillissement. Nostalgie over 6 mei 1970, Milaan, waar Feyenoord als eerste Nederlandse club de Europa Cup voor landskampioenen wint door Celtic te verslaan. Op de oprichting na zonder twijfel de mooiste dag uit het leven van de club. Tienduizenden in Milaan, honderdduizenden een dag later bij de huldiging op de Coolsingel. Dankzij die treffer van die Zweedse goalgetter, Ove Kindvall.

Fred Blankemeijer was overal bij. Met Feyenoord reisde hij letterlijk de hele wereld over. „Ja luister hier”, zegt hij. „Mijn moeder kwam al in het stadion. Er waren toen nog geen genummerde stoelen maar zij zat wel altijd op precies hetzelfde plekje. Een persoonlijk eigendom, dat het niet was. Maar iedereen kroop zo op zijn vaste stek. Ik ging op zondag naar de thuiswedstrijden en toen naar de uitduels. Naar V.U.C. in Den Haag, DFC in Dordt. Op een gegeven moment blijf je gaan.”

Zijn Feyenoordleven heeft hem verrijkt. Hij is gehard, gepokt en gemazeld. Niet murw te krijgen. Naast sprankelende periodes, waarin de lol niet op kon, heeft Feyenoord ook rottige jaren gekend. Centen te weinig, een inval van de fiscale recherche voor vermeende belastingfraude, sportieve prestaties die niet overeenkomen met de status van topclub. Rellen met en door lui die zich supporter van Feyenoord noemen. Vreselijke ervaringen, om je rot te schamen, de naam van je club die wereldwijd wordt besmeurd. Nancy uit bijvoorbeeld. Feyenoorders die geen Feyenoorders blijken en die een stadje verbouwen, najaar 2006, niet eens lang geleden nog. „Afschuwelijk, vreselijk en niet anders. Maar toch lig ik daar nooit wakker van”, heeft hij geleerd te relativeren. „Kijk, het kan nog zo menens zijn, nog zo beroerd en belabberd, het komt altijd goed met Feyenoord. Altijd.”

Sinds hij in 1973 bestuursfuncties bij zijn club bekleedde lag hij een enkele maal ook zelf onder vuur. Soms deed die kritiek hem pijn en nog steeds kan het hem dwarszitten. „Het is niet leuk als je op de vingers wordt getikt en al helemaal niet als dat intern gebeurt en de kritiek, voor je gevoel tenminste, deels tegen jou als persoon is gericht. Ik heb daar vervelende momenten aan beleefd. Maar altijd heb ik in het belang van Feyenoord gehandeld.”

De korte lijnen en het open karakter van de club spreken tot ver buiten de stadsgrenzen tot de verbeelding. Het is een soort van sterrendom dat Feyenoord enerzijds groot maakt. Anderzijds geeft het aan hoe betrekkelijk voetbal is. „Hoe beter het gaat met de club, hoe meer vrienden hij heeft”, heeft Blankemeijer geleerd. „Voor échte supporters maakt het niet eens zoveel uit hoe er wordt gepresteerd. Als je ze maar hebt gezien, daar gaat het om. En bijblijven, de wil om precies te weten hoe de club er voorstaat, is ook belangrijk. Dan zie je op Varkenoord, waar de opleiding is, soms jongetjes die naderhand in Feyenoord Eén spelen. Dat is echt geweldig. Giovanni van Bronckhorst is bijvoorbeeld zo’n jongen”.

Een leven in dienst van Feyenoord. Blankemeijer: Dat gaat vanzelf. Je doet alles voor die club. Daar hoef je niet eens moeite voor te doen. In het midden van de jaren vijftig, ik had meegelopen in het eerste en was aanvoerder van het tweede, meldden zich wel duizend nieuwe jongens bij de club aan. Alle vrije tijd die er maar was, hebben we erin gestoken, ook de vakanties. Je probeert het Feyenoord naar de zin te maken en als dat dan lukt, voel jij je er weer fijn bij. Ik weet nog dat ik, toen ik op mijn dertiende lid werd, heel goed in de club werd opgenomen. Er was geen kapsones, niks, het ging echt op z’n Rotterdams. Je komt in het gezin Feyenoord, zo simpel is dat”.

Nooit heeft hij er spijt van gehad, de lange dagen die hij bij Feyenoord maakte. Hij ziet bestuursleden, trainers, spelers, managers, zelfs supporters komen en gaan. De club, vindt hij, is niet van die of gene. De club is van het hele gezin Feyenoord. De legendarische preses Cor Kieboom, die Feyenoord van 1939 tot 1967 leidde, zei in 1976, als erevoorzitter, over hem: „Fred zegt waarop het staat. Fred kan tegen een voetballer zeggen: ’Wil jij hoger spelen? Man, ik zal je eerlijk vertellen: je kan er geen pokken van’. Dat is Fred. Daar komt absoluut geen diplomatie aan te pas. Maar onmiskenbaar is het de volle waarheid.”

„Dat is juist het fijne van Feyenoord”, zegt Blankemeijer 32 jaar later. „Gewoon zeggen waar het op staat en voor de club doen wat je moet doen. Als je eenmaal een échte Feyenoorder bent, kom je er niet meer vanaf. Het was en is een en al voetbalbeleving. En hoewel die niet aflatende belangstelling soms hinderlijk kan zijn, laat ze vooral zien hoezeer Feyenoord leeft.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden