Een leven lang verliefd

Hij zou zijn geld niet op klompen verdienen, dat wilde hij bewijzen voor zijn meisje. Zijn dadendrang was niet te stuiten.

Albert Westendorp 1916-2012

Zijn grootouders stierven een week na elkaar. Dat vond hij zo mooi. Zo zou hij het zelf ook wel willen, zei hij. Het heeft niet zo mogen zijn. Hij heeft zijn vrouw vijftien maanden overleefd. Dat waren lange, moeizame maanden.

De grote liefde kwam in zijn leven op een mooie zomerdag in 1938, toen twee onbekende meisjes naar de gereformeerde kerk in het Groningse dorp Mussel kwamen. Alle jongens gaapten de meisjes aan. Toen de dienst eindelijk was afgelopen, had een van de jongens de moed om de oudste van de twee zussen aan te spreken. Zij was 18, hij 21. Ze raakten smoorverliefd.

Toch leek hun liefde op niets uit te draaien. Zij, Dirkje Slagter, wilde iets beters dan een boerenknecht uit Jipsingboertange. Ook al was ze maar hulpje in de huishouding, haar vader was niet zomaar een veenarbeider, hij had als machinist een grote verantwoordelijkheid bij het steken van de turf. En als er in het dorp een stomme film werd vertoond, dan bediende haar vader de projector. Zoiets zou haar vriendje Albert Westendorp nooit bereiken, dat was haar wel duidelijk. Ook al zei hij dat hij later zijn geld niet op klompen zou verdienen, ze maakte het uit.

Albert, de vierde van tien kinderen, was een kleine ziekelijke baby geweest, die in een wiegje achter de kachel werd gezet en met extra melk en beschuit moest aansterken. Het kwam goed, maar Albert bleef vrij klein. Dat compenseerde hij op school met malle streken. Toen hij eens ondeugend was, sloeg de meester hem zo hard op z'n achterste met een kaartstok dat die brak. Later kon Albert daar glunderend over vertellen: "Ik was de held van de school."

Toch leerde hij goed. Toen hij op z'n veertiende had voldaan aan de leerplicht, ging de onderwijzer praten met z'n ouders of Albert mocht doorleren. Daar voelde zijn vader niets voor: "Ik heb vijf zoons, die moeten allemaal werken en ik ga niet voor één een uitzondering maken." Alberts vader was analfabeet, maar hij had dankzij zijn vrouw die vier jaar lagere school had, leren lezen. In de Bijbel, want er waren geen andere boeken in huis.

Albert ging aan het werk bij een boer. Dat was een half uur fietsen, en dan werken van zes uur 's morgens tot zes uur 's avonds, zes dagen in de week. In zijn vrije uren volgde hij cursussen: landbouwwinterschool of tuinbouwcursussen, hij haalde zelfs een middenstandsdiploma, al wist hij niet waarom. Was het alleen leergierigheid, of wilde hij ook zijn lieve Dirkje overtuigen dat het goed zou komen met hem? Hoe dan ook, hun liefde bloeide weer op.

Albert solliciteerde zich suf, maar werd nergens aangenomen. Tot hij schreef op een advertentie voor leerling-verplegers. Dat was een gouden greep. Hij werd aangenomen in de psychiatrische inrichting te Zuid- laren, waar hij een interne opleiding kreeg. Op zijn vrije dag fietste hij vijftig kilometer naar Dirkje in Nieuw-Weerdinge. Zij kwam hem tegemoet en hij blies dan op de noodfluit, die hij uit het ziekenhuis had meegenomen, zodat ze wist dat hij in aantocht was.

Op een ochtend in mei werd hij gewekt door de nachtdienst met de kreet: "Het is oorlog." Er was verwarring, maar al gauw werd het leven weer gewoon. Er kwam wel schaarste aan van alles. Albert kocht in het voorjaar van '41 een van de laatste fietsen uit de winkel. Zonder fiets was hij nergens. Heel zijn leven is hij blijven fietsen, een auto heeft hij nooit willen hebben.

Toen hij na drie jaar klaar was als leerling, was er geen werk voor hem in Zuidlaren. Wel vond hij een baan in het psychiatrisch ziekenhuis in Medemblik, helemaal in Noord-Holland, ver weg van Dirkje. Ze zouden elkaar in de bezettingsjaren maar een paar keer zien.

Toen het voedsel op raakte, ging hij in zijn vrije tijd bij boeren werken voor wat graan, eieren en soms een klont boter. Ook nam hij patiënten mee zodat ze het karige voedsel in het ziekenhuis konden aanvullen.

Hij rookte niet en ruilde zijn tabaksbonnen in voor borden en kopjes, want hij wilde zo gauw mogelijk trouwen. Dirkje spaarde ook van haar baan als naaister. In mei 1946 konden ze eindelijk trouwen.

Ze wilden van elkaar genieten, en niet meteen kinderen krijgen. Maar voorbehoedsmiddelen waren nog niet te krijgen. Albert wist raad met een vinger van een latex handschoen uit het ziekenhuis.

Voor Dirkje was Medemblik een soort buitenland. Iedereen sprak er Nederlands, niet alleen de dokter en de notaris. Ze heeft zich die 'deftige' taal snel eigen gemaakt, sneller dan Albert. Eerst moesten ze inwonen bij een gezin met kinderen, met wie ze de keuken en de wc deelden. Pas nadat ze zelf na twee jaar een kind kregen, Laura, verhuisden ze naar een eigen etage. Er zouden nog drie kinderen volgen: Willem, Lourens en Wilma.

Albert deed zijn werk met hart en ziel. In het psychiatrisch ziekenhuis zag hij de hele maatschappij voorbij komen: van arbeider tot professor, iedereen kon getroffen worden door een geestesziekte. Albert voelde mededogen voor de mensen die leden aan het leven, zoals hij dat noemde.

Zelf putte hij kracht uit zijn Godsgeloof. Daar was hij rechtlijnig in, zoals in alles eigenlijk. Dirkje was wat vrijzinniger. Ze vroeg hem eens: "Geloof jij nou serieus dat Christus is opgestaan?" Hij was verbijsterd: "Ja, natuurlijk." "Ik weet het niet hoor", zei Dirkje, "en als het niet zo is, is het in elk geval een mooi verhaal."

Dirkje gunde de kinderen een kerstboom, maar Albert weigerde. "Ons soort mensen heeft geen kerstboom, dat is heidens." Het zou jaren duren voor hij toegaf.

Zijn twee zoons kwamen in aanvaring met Albert. De jongens hadden de befaamde PSP-affiche met een blote vrouw bij een koe boven voor hun raam gehangen, beneden hing het plakkaat van de protestantse ARP van Albert. Onbegrijpelijk vond Albert dat de jongens wilden uitslapen. Dat had hij zelf nooit gedaan, altijd was hij bezig geweest: meteen als hij uit het ziekenhuis kwam Dirkje helpen in de huishouding, werken in de tuin of de volkstuin, collecteren voor een goed doel, klussen voor de kerk, nooit stond hij stil.

Zijn zoons deden ook wel heel erg lang over hun studie in Amsterdam. Hij was er wel trots op dat hij als zoon van een analfabeet kinderen had die op de universiteit zaten, maar dan moesten ze er niet met de pet naar gooien, vond hij. Uiteindelijk werd Albert milder, toen hij zag dat het ook met zijn kinderen wel goed kwam.

Toch had hij nooit een steile en strenge uitstraling. Hij kon met iedereen overweg en grapjes maken. Voor elke situatie had hij wel een passend versje of rijmpje paraat.

Toen hij met pensioen ging op zijn zestigste, verhuisden ze terug naar het noorden, naar een huis met grote tuin in Gasselternijveen in de vertrouwde grensstreek tussen Groningen en Drenthe. Daar werd Albert voorzitter van de gereformeerde kerkenraad. Al zijn diplomatieke gaven waren nodig toen de kerkgemeente dreigde te splitsen toen de dominee betrapt werd op gluren. Albert wist het te lijmen en de dominee zonder rumoer weg te krijgen.

Ze verhuisden nog een keer, toen het huis wat te groot werd. In Emmen werd hij vrijwilliger bij het bejaardentehuis. Zelf was hij al ver in de zeventig, maar hij hield dat werk vol tot zijn 89ste.

Toen Dirkje werd opgenomen in het verpleegtehuis in Odoorn, fietste hij op z'n 93ste, twee keer per dag naar haar toe, bijna 30 kilometer totaal. Hij miste haar zo dat hij in december 2010 bij haar ging wonen. Eindelijk waren ze weer samen. Op de dag van de verhuizing stierf ze.

Toen was het ook afgelopen met Albert. Ook al was hij glashelder, hij kon er niet bij dat Dirkje er niet meer was. Hij bleef maar zoeken naar zijn grote liefde.

Albert Westendorp werd geboren op 3 oktober 1916 in Jipsingboertange (Groningen). Hij stierf op 20 maart 2012 in Odoorn (Drenthe).

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden