Een leven lang veelbelovend

Oogst (1968). (Trouw)

Schilder Wim Oepts had alles mee, maar brak nooit echt door. In de Rotterdamse Kunsthal is nu te zien waarom

Van sommige kunstenaars vraag je je af waarom ze na een veelbelovende start toch nooit echt zijn doorgebroken. Wim Oepts (1904-1988) is zo iemand die aan het begin van zijn carrière alles mee leek te hebben. De bekende kunstenares Charley Toorop ontdekte zijn talent, ontfermde zich als een ’kunstmoeder’ over hem en introduceerde hem in de gezaghebbende kunstkringen waarin ze verkeerde. Al op 24-jarige leeftijd mocht Oepts te midden van de Nederlandse avant-garde zijn tekeningen en schilderijen tonen in het Stedelijk Museum in Amsterdam, dat ook enkele werken van hem zou aankopen.

Maar nadat Oepts begin jaren dertig naar Parijs was gegaan om zich daar verder te ontwikkelen als schilder, raakte hij uit beeld als veelbelovend kunstenaar. Niet dat hij in de vergetelheid raakte, integendeel. Zijn hele leven was hij verzekerd van de belangstelling van een groep trouwe verzamelaars van zijn zonovergoten Franse landschappen. Ook werden de exposities van zijn werk in Nederlandse galeries en kunsthandels doorgaans positief ontvangen. Maar de belangrijke kunstmusea zagen hem niet als een invloedrijk kunstenaar.

Na hun laatste aankopen in respectievelijk 1947 en 1950 hebben het Stedelijk Museum in Amsterdam en Kröller-Müller in Otterlo geen werk meer van hem in de collectie opgenomen. En directeur Edy de Wilde van het Stedelijk weigerde in 1984 zelfs een overzichtstentoonstelling van Oepts. Hij waardeerde diens werk, liet De Wilde beleefd weten, maar hij zag er geen heil in om er nog ruimte voor vrij te maken in het volle tentoonstellingsprogramma.

Alleen daarom al maakt de tentoonstelling die de Kunsthal in Rotterdam nu wijdt aan het oeuvre en de artistieke ontwikkeling van Willem Anthonie Oepts, nieuwsgierig. Valt daar misschien ook het antwoord te vinden op de vraag waarom deze toch niet onverdienstelijke kunstenaar, niet doorgedrongen is tot de eredivisie van de Nederlandse kunstenaars?

De eerste ’ontdekking’ in de Kunsthal is dat Oepts meer is dan ’de schilder van het zonnige zuiden’, zoals hij vooral bekend staat. In zijn jonge jaren, vanaf halverwege de jaren twintig tot begin jaren dertig, maakte hij ook mooie, ongekunstelde grafiek en tekeningen en later ook schilderijen met voornamelijk volkse taferelen. Oepts was autodidact en begon zijn carrière als graficus. Aanvankelijk maakte hij linoleumsnedes, later kwamen daar ook houtsneden en lithografieën bij, die als illustraties verschenen in het blad van de Arbeiders Jeugd Centrale (AJC). Toen Charley Toorop zijn houtsneden zag, was ze zo onder de indruk dat ze hem uitnodigde in haar huis in Bergen, waar hij kennis maakte met de artistieke avant-garde van die tijd: beeldhouwer John Rädecker, architect Gerrit Rietveld, de dichter Adriaan Roland Holst en de schilders Pyke Koch, Dirk Nijland en Kurt Schwitters. Ze stimuleerde hem om te gaan schilderen. Ook zorgde ze er voor dat de jonge kunstenaar die geen contacten had in de kunstwereld, kon meedoen aan tentoonstellingen met toen al beroemde kunstenaars als Piet Mondriaan en Gerrit Rietveld. Oepts’ werk uit die tijd, verraadt wat betreft kleurkeuze en thematiek onmiskenbaar de invloed van Toorop: donkere kleuren en volkse taferelen.

Van deze vroege schilderijen kocht het Stedelijk Museum er vier aan, waaronder Volkslogement (1932) dat overduidelijk gebaseerd is op een gelijknamig schilderij van Toorop uit 1928. Oepts bewonderde vooral haar ’opzetten’, maar vond dat ze te veel wilde uitdrukken. Hij hield de figuren in zijn schilderijen bewust veel vlakker en werkte ze minder uit.

Oepts kreeg positieve kritieken en vooral zijn prenten, waarvan het Rijksmuseum er rond 1930 een groot aantal kocht, waren zeer populair. Ook particulieren en collega-kunstenaars verzamelden zijn werk.

Waarom dan toch het roer omgegooid? Die vraag werpt ook kunsthistorica Marieke Jooren op in de oeuvrecatalogus, die zojuist verschenen is en de aanleiding was voor deze expositie. Dat Oepts naar Parijs vertrok, juist toen hij naam begon te krijgen als veelbelovend kunstenaar, lag voor de hand, omdat de stad destijds het kunstcentrum van Europa was. Ook vrienden van hem, onder wie Rädecker en de beeldhouwer Bertus Sondaar, vestigden zich er. Maar een zekere ’Toorop-moeheid’ speelde ook beslist een rol, meent Jooren.

Charley Toorop was erg dominant in haar opvattingen over kunst, waarmee ze ook sociale misstanden aan de orde wilde stellen, terwijl Oepts vond dat het in de schilderkunst toch vooral over kleur en licht moest gaan. Ook de nieuwe zakelijkheid als toonaangevende kunstrichting in Nederland sprak hem niet aan. Hij wilde zijn eigen pad volgen. Eenmaal in Frankrijk voelde Oepts zich ’bevrijd’. Het licht en de kleuren van het landschap hadden meteen weerslag op zijn werk. In de Kunsthal is die metamorfose mooi zichtbaar gemaakt. Het zuidelijke licht verdreef de sombere kleuren en zijn schildertoets werd losser. Ook in zijn persoonlijke leven gooide hij het roer om. Hij scheidde van echtgenote Nelly, nadat hij verliefd was geworden op de Franse schilderes Marthe Caudal met wie hij in 1939 zou trouwen. In de oorlog meldde hij zich in Engeland aan bij het Nederlandse leger en ondersteunde hij het verzet. In 1945 deed hij als luitenant achter de gevechtslinies mee aan de bevrijding van Nederland.

Na de oorlog ging hij met Marthe in Parijs wonen en stortte zich met hart en ziel op het schilderen van het Franse landschap. Maar voor de verkoop van zijn werk bleef hij georiënteerd op Nederland. Dat hij nooit een galerie in Parijs heeft gezocht die zijn werk onder de aandacht kon brengen, had een reden. Hij vond dat de kunsthandel een te hoog percentage eiste van de opbrengst. Het geld had hij zelf ook veel te hard nodig. Zuinig als hij was reed hij regelmatig met zijn schilderijen zelf naar Nederland om ze daar te slijten. Met succes, want halverwege de jaren vijftig kwam er langzaam een einde aan de armoede van Wim en Marthe Oepts. Onder particuliere verzamelaars werden zijn kleurrijke landschappen steeds gewilder, maar in de gevestigde kunstwereld telde hij niet meer echt mee, ook omdat die de voorkeur gaf aan abstracte kunst boven figuratieve. De veelbelovende jonge kunstenaar Wim Oepts was een buitenstaander geworden in de moderne kunstwereld.

Zijn beste jaren moesten toen nog komen, leert de expositie. Zijn mooiste werken dateren uit de jaren zeventig, toen hij steeds meer ging variëren met kleuren en vlakverdeling. Zijn landschappen werden steeds abstracter en gelaagder. „Ik maak wel tien schilderijen op een schilderij”, zei Oepts. Het aanbrengen van steeds nieuwe verflagen en ook het weer (gedeeltelijk) weghalen ervan, deed hij niet alleen om de compositie te veranderen, maar ook om onderliggende lagen te laten doorwerken.

Het Museum Henriëtte Polak in Zutphen, dat een aantal werken van Oepts bezit, deed er onderzoek naar. Zo kon bij het abstract ogende werk Compositie (1979) worden vastgesteld dat het werk ooit was opgezet als een herkenbaar stadsgezicht. Een ploeteraar, zo noemde Oepts zichzelf. Maar hoe meer hij schraapte en krabde in de verflagen, hoe meer zijn doeken aan zeggingskracht wonnen.

In Frankrijk is Oepts nauwelijks bekend geworden, hoewel hij daar decennia woonde en werkte. Volgens zijn echtgenote was hij te bescheiden om aan de weg te timmeren. Maar de werkelijke verklaring is dat hij daar altijd als een eenling heeft gewerkt. Ook vertrouwde hij liever op zijn trouwe Hollandse relaties, naar wie hij tot begin jaren tachtig met zijn auto bleef rijden om zijn schilderijen af te leveren. Zijn doeken hebben ondanks het Franse licht ook iets Hollands gehouden: er schemeren altijd donkere lagen door. Oepts zelf zei: „Waar je geboren bent, dat neem je mee.”

Volgens kunsthistorica Caroline Roodenburg-Schadd, die onderzoek deed naar het Franse werk van Oepts, zou Marthe Oepts haar man het liefst helemaal opgenomen zien in de traditie van de Hollandse schilderkunst en hem plaatsen in het rijtje van de grote schilders van het licht: Saenredam, Ruysdael, Avercamp, alle grote landschapsschilders tot aan Van Gogh en ten slotte W. Oepts. Bij zo’n overdreven ophemeling van zijn vrouw voelde Oepts zich beschaamd. „Marthe”, riep hij dan, „hou op!”

Paarse straat (1984). (Trouw)
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden