Een leider die leerde van fouten

Zijn beslissing die het langst nagalmde, kwam voort uit beginnersfouten. Maar president John F. Kennedy werd vooral een legende om wat hij bij uitstek kon: inspireren.

BOSTON (VS) - Er is iets vreemds aan de hand met de verkiezingsuitslag van november 1960 in de Verenigde Staten. Tegen de gehaaide Richard Nixon, de vice-president onder aftredend president Dwight Eisenhower, trad in dat jaar een Senator aan. Nogal jong, en katholiek, maar ook een oorlogsheld, en prettig om naar te kijken en te luisteren.

John F. Kennedy haalde het net. Van de kleine 69 miljoen stemmen had hij er 119.000 meer dan Nixon. Die zou vast hebben gewonnen als niet een nog veel rechtsere kandidaat, een voorstander van rassenscheiding, 500.000 stemmen van de rechtervleugel had ingepikt. De nieuwe president had grootse plannen, maar een mandaat van niks.

Een kleine drie jaar later was dat anders. Niet alleen had in de zomer van 1963 bijna 70 procent van de Amerikanen vertrouwen in hem, er was een ruime meerderheid, 59 procent, die zei op hem gestemd te hebben. Later dat jaar stond dat zelfs 65 procent van de kiezers nog helder voor de geest. Maar toen was Kennedy al dood.

Waarom Lee Harvey Oswald hem neerschoot daar in Dallas, zullen we nooit weten - tijdens de eerste ondervragingen door de politie ontkende hij alles en op 24 november 1963 werd hij zelf vermoord. Onder andere daardoor leiden allerlei ver- en minder vergezochte theorieën een taai leven, tot in de hoogste kringen. Niemand minder dan minister van buitenlandse zaken John Kerry zei onlangs in een tv-interview: "Tot op de dag van vandaag heb ik ernstige twijfels of Lee Harvey Oswald het alleen deed."

Samenzwering
Als Oswald niet gewoon een ernstig verwarde man was met een geweer - van het type dus dat in 1901 William McKinley in de buik schoot en in 1881 het presidentschap van James Garfield na vier maanden beëindigde - moet het een complot zijn geweest. Iets als de samenzwering van zuidelijken die in 1865 met de dood van Abraham Lincoln de Burgeroorlog op het nippertje probeerden te winnen.

Er zijn verschillende 'echte daders' in de aanbieding, met de meest uiteenlopende motieven. Als het de maffia was, dan deed die het misschien omdat de president en zijn broer, minister van justitie Robert Kennedy, hard optraden tegen de georganiseerde misdaad. Cubaanse ballingen konden het op hem voorzien hebben: omdat hij de Amerikaanse krijgsmacht thuishield toen in 1961 haar poging Cuba te bevrijden al kort na de landing in de Varkensbaai mislukte.

Misschien kwam het uit de hoek van aartsvijand Castro, uit wraak voor die invasie en voor moordaanslagen op hem door de CIA die Kennedy goedkeurde. Of het was de CIA zelf, omdat Kennedy te veel toenadering zocht tot de Sovjet-Unie en de Amerikaanse 'adviseurs' die Zuid-Vietnam voor het communisme moesten helpen bewaren, wilde terugtrekken.

Het kan vice-president Lyndon Johnson geweest zijn die de moord op touw zette, om te voorkomen dat Kennedy een ander als tweede man zou kiezen voor de verkiezingen van 1964 en Johnson bloot zou stellen aan vervolging wegens corruptie. Of, als het toch om puur persoonlijke kwesties gaat, waarom dan niet een van de beroemdste honkbalspelers aller tijden, Joe DiMaggio, omdat de president zijn ex Marilyn Monroe had veroverd?

Het motief moet in elk geval heel sterk zijn geweest, om een van de ergst denkbare halsmisdaden te laten plegen. Maar er moeten ook sterke redenen zijn geweest voor de Amerikanen om zo massaal achter Kennedy te staan, de president die dat rampzalige paramilitair avontuur in de Varkensbaai had goedgekeurd, de president die er niet in slaagde wetten door het Congres te krijgen die de gelijke rechten van zwarten praktijk moesten maken.

Ondanks dat alles vertrouwden ze hem, want wat Kennedy vanaf het begin goed kon, was inspireren. In zijn inaugurele rede gebood hij: "Vraag niet wat je land voor jou kan doen, maar wat jij kunt doen voor je land." Korte tijd later stichtte hij het Peace Corps, dat sindsdien honderdduizenden jonge Amerikanen voor twee jaar naar het buitenland heeft laten gaan om ontwikkelingswerk te doen, andere culturen te leren kennen en Amerika van zijn beste kant te laten zien.

Aan dat laatste droegen de president en zijn first lady zelf ook bij. Ze brachten zwier en stijl in het Witte Huis en dat viel in binnen- en buitenland op. Jacqueline Kennedy bleek bij een bezoek aan Frankrijk zo populair dat de president bij de lunch voor de pers zei: "Het is denk ik terecht als ik mezelf voorstel als de man die Jacqueline Kennedy naar Parijs vergezelde."

Kennedy gaf in dat jaar ook het startsein voor de race naar de maan. De Sovjet-Unie had in 1957 een spoetnik gelanceerd, de eerste kunstmaan, en in 1961 had Joeri Gagarin de eerste bemande ruimtevlucht gemaakt, een maand voordat het de Amerikaan Alan Shepard lukte. Die zilveren medaille gaf de bevolking weinig vertrouwen dat de VS een race naar de maan zouden kunnen winnen, maar Kennedy zette door. Met een logica die vandaag de dag geen politicus meer zou durven toepassen, zei hij in een toespraak tot het Congres: "Geen ruimteproject in deze periode zal meer indruk maken op de mensheid of belangrijker zijn voor de verkenning van de ruimte over grote afstand, en geen zal zo moeilijk of duur zijn."

Dat van die verkenning van de ruimte is niet waar gebleken, vooralsnog. De logische voortzetting van het ruimte-avontuur van de mensheid zou een bezoek aan Mars zijn, maar het Amerikaanse bemande ruimtevaartprogramma kwam niet verder dan een ruimtestation en een vloot inmiddels afgeschreven ruimteveren. Maar het ging Kennedy erom dat zijn land de uitdaging zou aangaan, ervan zou leren en er wereldwijd om bewonderd zou worden. Dat doel werd bereikt, ook al was het pas zes jaar na zijn dood, en zijn de jongste voetstappen op de maan nu alweer 41 jaar oud.

Koude winter
De competitie met de Sovjet-Unie in de ruimte was vreedzaam, maar die op aarde was dat allesbehalve. Tijdens een topconferentie in Wenen liep de discussie over het door beide grootmachten (en Engeland en Frankrijk) bezette Berlijn zo hoog op dat Sovjet-leider Nikita Chroesjtsjov tegen Kennedy zei: "Het is aan de VS om te beslissen of het oorlog of vrede wordt", en Kennedy somber antwoordde: "Dan komt er oorlog, voorzitter. Het zal een koude winter worden."

De man die later door West-Berlijn in het hart zou worden gesloten na zijn uitspraak "Ich bin ein Berliner", was binnenskamers opgelucht dat de communistische DDR in 1961 de Muur tussen Oost- en West-Berlijn bouwde: het betekende dat de Russen daar de status quo accepteerden en het niet op een oorlog zouden laten aankomen. Maar het jaar daarop dreigde die alsnog, om Cuba.

De Cuba-crisis staat bekend als de triomf van een onverzettelijke president. In de loop der jaren is dat beeld gewijzigd, tenminste in de geschiedenisboeken. Dat de Sovjet-Unie kernraketten op Cuba ging plaatsen, had een voorgeschiedenis. Kennedy, bang om als Democraat voor soft te worden aangezien, had de productie van kernwapens en conventionele wapens flink laten opvoeren. Hij had de invasie in de Varkensbaai goedgekeurd. En de Amerikanen hadden kernraketten in Turkije geplaatst, die Moskou konden bereiken.

Het werd bijna oorlog. Intern decreteerde Kennedy dat de uitkomst in elk geval zou moeten zijn dat de raketten van Cuba zouden verdwijnen. Maar terwijl de legerleiding een aanval adviseerde, besloot Kennedy tot een blokkade.

Uiteindelijk gaven beide partijen toe. De raketten gingen en de VS beloofden in het openbaar dat ze nooit Cuba zouden binnenvallen, en in het geheim dat de raketten in Turkije weggehaald zouden worden.

De Cuba-crisis was dus eerder een remise dan een overwinning. En toch veranderde daar de loop van de geschiedenis. In Kennedy's tijd bevatten de adviezen van de legerleiding aan de president als vanzelfsprekend ook de mogelijkheid om kernwapens in te zetten. Zijn voorganger Eisenhower vond dat logisch, Kennedy vond het verkeerd. Zijn afschuw van die wapens werd verstrekt door zijn ervaring tijdens de Cuba-crisis dat twee mensen, hijzelf en Chroesjtsjov, maar net een Derde Wereldoorlog hadden kunnen voorkomen. "Ik word geplaagd door de gedachte dat er in 1970 in plaats van vier wel tien kernmachten zijn, en in 1975 misschien wel vijftien of twintig."

Chroesjtsjov had in dezelfde positie verkeerd en liet dat in brieven merken. Begrip tussen mannen die elkaar zo diep hadden gewantrouwd, maakte vooruitgang mogelijk in onderhandelingen die al tien jaar liepen: over de beperking van het aantal kernwapens in de wereld. Op 7 oktober 1963 kon Kennedy het verdrag ondertekenen dat daar een eerste kleine stap in was: het verbood alle kernproeven, behalve ondergrondse. Daarmee sloegen de twee wereldmachten de weg in naar verdergaande ontwapening, een weg waarop ze zich na heel veel vallen en opstaan nog steeds bevinden.

De beslissing van Kennedy die het langst nagalmde, kwam dus voort uit zijn beginnersfouten. Hij had het geluk dat die goed afliepen en de grootheid om ervan te leren en de koers te wijzigen. Wie weet was dat wat steeds meer Amerikaanse kiezers in hem zagen, in de drie jaar dat ze hem hadden. In elk geval hebben ze het in de presidenten die na hem kwamen nogal eens gemist.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden