Een leger dat vecht voor armen

Het Leger des Heils bestaat 150 jaar. Oprichter William Booth was tegen alle vrijblijvendheid. Zijn 'krijgsraad' kwam bijeen in een citadel.

Ongeloof. Dat was de belangrijkste reden voor de kritische ontvangst van het boek 'London. A pilgrimage' van Blanchard Jerrold in 1872. De manier waarop hij het leven in de armste delen van de stad beschreef en vooral de plaatjes erbij van de beroemde illustrator Gustave Doré leverden het duo beschuldigingen van hang naar sensatie op. Ze overdreven. Dit kón niet waar zijn.

Jerrold en Doré toonden een schaduwwereld in het hart van het machtige Britse rijk waar vele duizenden dagelijks vochten om te overleven. Een deel van hen hing wanhopig rond op straat, loerend op kansen om iets te verdienen of eten te bemachtigen. De arbeidsomstandigheden van degenen die werkten, waren nauwelijks florissanter. Dit Londen was een monster dat zijn mensen opvrat. Het leek wel een 19de-eeuwse versie van Dantes 'Inferno'.

Voor William Booth, de oprichter van het Leger des Heils, bood het boek geen nieuwe inzichten. Hij kende dit Londen van binnenuit. Later zou hij zelf de provocatie niet schuwen door te reageren op het boek 'In darkest Africa' van ontdekkingsreiziger Henry Morton Stanley met de publicatie 'In darkest England and the way out'. De Britse beschaving creëerde zijn eigen pygmeeën. "Op steenworp afstand van onze kathedralen en paleizen zijn dezelfde verschrikkingen te vinden die Stanley aantrof in streken rond de evenaar". Wie met de bril van vandaag kijkt naar het Londen van toen ziet ook de parallellen met de megasteden in de huidige ontwikkelingslanden. Ook het 19de-eeuwse Londen groeide ongezond snel en had zijn verschillende werkelijkheden. De meest barre realiteit was te vinden in de vele sloppenwijken. Daar, om precies te zijn in East End, begon Booth in 1865 met zijn zendingswerk, omdat zijn bloed kookte van woede en hij weigerde passief toe te kijken.

undefined

Op militaire leest geschoeid

De destijds 36-jarige Brit leerde als kind zelf de harde kanten van de maatschappij kennen. Als begaafde zoon van een niet al te grote, maar toch best aardig verdienende aannemer leek een goede schoolopleiding voor hem weggelegd. Maar het lot besliste anders. Na het overlijden van zijn moeder raakte zijn vader meer en meer verslaafd aan de drank. Het luidde het einde van diens bedrijf in. Als dertienjarige moest William Booth noodgedwongen aan het werk. Hij kreeg een betrekking op een plek die bestond dankzij de armoe, een pandjeshuis.

Twee jaar later maakte Booth kennis met de methodistenkerk. Binnen dat genootschap kreeg hij de kans zich toch nog wat verder te ontwikkelen: de jongen bekwaamde zich verder in schrijven en preken. Hij bleef nog even werken in pandjeshuizen, ook na een verhuizing naar Londen, maar zijn kerkelijke activiteiten slokten hem steeds meer op. Zijn ontmoeting met de minstens zo bevlogen Catherine Mumford, zijn latere vrouw, zorgde voor nog meer bezieling. Uiteindelijk wijdde Booth zich voltijds aan zijn geloof.

Binnen de methodistenkerk voelde hij zich na verloop van tijd minder goed op zijn plaats. Hij voelde zich te veel gebonden aan pastorale werkzaamheden, terwijl evangeliseren zijn hart had. Uiteindelijk stapten de Booths uit de methodistenkerk om hun eigen weg te gaan.

Op 2 juli 1865 begonnen ze in East End met The Christian Revival Society, later herdoopt in The Christian Mission, de voorlopers van het Leger des Heils. Bij hun verkondiging gebruikten ze liederen en theatrale technieken. Intussen kregen de allerarmsten eten, opvang en werden misstanden zoals kinderprostitutie bestreden. Het aantal activiteiten, vestigingen en aanhangers groeide gestaag.

De militaire leest waarop de organisatie is geschoeid, inclusief de naam Leger des Heils, dateert uit 1878. Booth ergerde zich in toenemende mate aan het stroperigere karakter van de min of meer democratische besluitvorming in eigen gelederen. Lange discussies stonden een snelle, efficiënte aanpak van problemen in de weg. Booths zoon Bramwell hoorde zijn vader in 1878 een brief dicteren waarin hij het had over 'het leger van vrijwilligers'. Bramwell vond vrijwilliger een denigrerende term, alsof die mensen halfhartig hun werk deden. Daarop bedacht Booth senior de naam Leger des Heils. Meer soldateske termen volgden: de eerstvolgende grote vergadering werd betiteld als krijgsraad, bijeenkomsten voor de armen heetten slagen, de plekken waar ze gehouden werden citadel of buitenpost. Iedereen binnen het Leger kreeg een rang en een herkenbaar uniform. Men opereerde in brigades. Catherine Booth ontwierp een vlag.

Het werk van de Mission en het Leger waren omstreden. Hardvochtige ideeën over armoede konden nog altijd rekenen op veel steun. Adam Smith, de aartsvader van de liberalen, had een eeuw eerder al opgeroepen tot vertrouwen in de mechanismes van de markt. Die zouden ook armoede en honger de wereld uit helpen, als de mens maar zo slim was om vraag en aanbod ongestoord hun werk te laten doen. Meelij en hulp werkten alleen maar verstorend.

undefined

Geboortebeperking

Lange tijd hadden hardvochtige ideeën over armenzorg een flinke invloed. De dominee Thomas Malthus hield pleidooien voor geboortebeperking. Zolang de bevolking harder groeide dan de voedselproductie waren honger en strijd onvermijdelijk. Dan werd op een gruwelijke manier het evenwicht hersteld. Of armen moesten zo slim zijn om hun geluk elders te gaan beproeven, in Amerika, Australië of in het zuiden van Afrika. Emigratie kon het Verenigd Koninkrijk lucht geven. Van liefdadigheid moest ook Malthus weinig hebben. Armen kregen het gemakkelijker en werden op deze manier aangemoedigd om meer kinderen te krijgen. Zo zou het van kwaad tot erger gaan.

Conservatieve gelovigen stoorden zich aan het door de Booths verkondigde christendom. Het echtpaar en hun volgelingen hielden het namelijk voor mogelijk dat armen zich konden ontworstelen aan hun trieste lot of dat ze te verheffen waren. Dat druiste in tegen de leer van de predestinatie. Het Leger gaf vrouwen bovendien dezelfde kansen als mannen: ze mochten preken, konden officier worden. Alleen hun salariëring bleef aanvankelijk achter.

Brouwerijen en horecazaken verachtten het Leger vanwege het propageren van geheelonthouding. Als het Leger zich in die eerste jaren publiekelijk manifesteerde, doken geregeld al dan niet door tegenstanders betaalde en georganiseerde bendes op om de boel te verstoren.

Booth zelf had ondertussen de naam nogal eigengereid te zijn en soms autoritair op te treden. Volgens sommigen zou hij bovendien bij het verdelen van invloedrijke posities zijn eigen familie voortrekken of, nog erger, onder het mom van naastenliefde uit zijn op eigen voordeel.

Maar veel van de weerstand verdween in de loop van de decennia die volgden. Het militaire model maakte van het Leger een efficiëntere organisatie, die ook in steeds meer andere landen activiteiten ontplooide (in Nederland vanaf 1887). De niet aflatende inzet zorgde voor toenemend respect. De vroeger zo vaak met stenen bekogelde en weggehoonde Booth werd een geziene figuur, die een eredoctoraat op Oxford kreeg toegekend en een uitnodiging ontving voor de kroning van koning Edward de Zevende. Toen Booth in 1912 overleed, betuigde Edwards schoondochter, de toenmalige koningin Mary, de oprichter van het Leger de laatste eer door tussen het met tienduizenden toegestroomde publiek plaats te nemen tijdens de herdenkingdienst.

undefined

'Iedereen is voor God gelijk, dus ook voor mij'

Het Nederlandse Leger des Heils mist sinds 2007 zijn ultieme boegbeeld. Toen overleed op 94-jarige leeftijd Alida Bosshardt, officieel opgeklommen tot luitenant-kolonel, maar bij het grote publiek bekender onder toevoeging van een vroegere rang. Ze was dermate bekend dat het toevoegen van haar naam niet eens nodig was. 'De majoor' volstond om te begrijpen om wie het ging.

Bosshardt was het Leger des Heils. 'Iedereen is voor God gelijk, dus ook voor mij', luidde haar motto. Dus ging ze met evenveel gemak met een vermomde prinses Beatrix de Amsterdamse Wallen op als ze decennia later een blote Herman Brood in het tv-programma 'Villa Felderhof' een wasbeurt gaf. Bij haar uitvaart waren junks, prostituees, premiers, burgemeesters en beroemdheden aanwezig.

Ook zonder zo'n uitgesproken BN'er onder de officieren weet het Leger des Heils zich in deze ontkerkelijkte tijden goed te handhaven. De gunfactor blijft hoog. Het belang van verkopen van De Strijdkreet en andere goedgevigheid moet overigens niet worden overdreven. Het Leger in Nederland drijft voor zijn hulpverlenende activiteiten voor het grootste deel op overheidssteun. Van de uitgaven (363 miljoen euro in 2013, het laatste jaar waarvan de cijfers bekend zijn) komt meer dan 80 procent van subsidies.

Het Leger des Heils is het bekendst door de opvang van daklozen. Maar de organisatie is actief op veel meer terreinen, zoals verslavingszorg, reclassering, jeugdzorg en noodhulp bij rampen.

Tot ruim een kwart eeuw geleden was het Leger des Heils alleen een kerkgenootschap. Ook alle maatschappelijke activiteiten vonden onder die vlag plaats. In 1988 kwam de juridische ontvlechting. Nu bestaat het Leger in Nederland uit een kerkgenootschap (6500 leden en 75 korpsen) en vier stichtingen (bijna zesduizend mensen op de loonlijst). Wie voor de maatschappelijke tak van het Leger werkt, hoeft niet lid te zijn van het kerkgenootschap. Aan sollicitanten wordt wel gevraagd of ze christelijk zijn.

Ondanks de aangebrachte scheiding tussen religie en hulpverlening veroorzaakte de rol van het geloof toch met enige regelmaat spanningen. In 2005 ontstond ophef over de weigering om twee moslima's aan te nemen bij een door het Leger georganiseerd integratieproject in Zeeland. Ze hadden al een tijd als vrijwilliger gewerkt, maar een dienstverband was voor hen als andersgelovigen uitgesloten. Toenmalig minister van sociale zaken Aart Jan de Geus (CDA) dreigde met intrekking van de subsidie. Uiteindelijk konden de twee toch gaan werken, maar dan in dienst van een andere stichting.

Internationaal (de organisatie is actief in 126 landen) komt het Leger des Heils zo nu en dan in opspraak vanwege vermeende discriminatie van homo's. Het Leger zelf noemt het vooral een hardnekkige mythe. Dat propageert weliswaar seksuele relaties binnen een monogaam heterohuwelijk, maar biedt ook ruimte aan anders geaarde medewerkers.

In de golf van onthullingen over seksueel misbruik binnen kerkgenootschappen dook ook de naam op van het Leger. In tehuizen voor jongens in Australië vonden in het verleden misstanden plaats.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden