Een lange traditie 65

(Trouw) Beeld
(Trouw)

De meeste mensen kunnen best doorwerken tot ze 67 zijn. Of ze het ook willen is een heel ander verhaal: het plan van het kabinet om de AOW-grens naar 67 jaar op te trekken stuit op verzet. We leven al zowat een eeuw met dat vertrouwde getal: 65. Vijf stellingen over ouderdom, werk en AOW.

Nico de Fijter en Sandra Kooke

IWe zijn er helemaal aan gewend: met 65 begint de ouderdom.

De leeftijdsgrens van 65 jaar bestaat al heel lang. Al in 1851 –de AOW bestond nog lang niet, dat zou tot 1957 duren– gingen ambtenaren met 65 jaar met pensioen. Voor die tijd bestonden er talloze verschillende pensioenregelingen met elk hun eigen leeftijdsgrenzen, variërend van 45 tot 75 jaar. Vroeg in de negentiende eeuw konden militairen soms al met pensioen als ze 42 jaar jong waren. Vaak gold de pensionering als privilege, vaker nog moest de werknemer vele dienstjaren achter zijn naam hebben staan.

In 1913 zette een wettelijke regeling de pensioenleeftijd op 70 jaar. Niet zonder slag of stoot, want onder meer de SDAP vond dat die best op 60 jaar mocht worden gezet. SDAP-Kamerlid Helsdingen, tijdens een debat daar over: „Wanneer wij ons al kunnen verblijden dat er in onze oudjes van dagen nog zoveel energie zit dat zij trachten zich door eigen arbeid door het leven te slaan, dan is het toch ook een schande voor elk volk wanneer het zijn ouden van dagen aan zulk een ongelukkig lot overlaat dat het mensen tussen de 60 en 70 veroordeelt om op die wijze nog een leven te rekken tot zij dood gaan.”

Het lukte de SDAP niet de pensioenleeftijd op 60 te krijgen. Schandalig, vond de Bond voor Staatspensionering (in 1900 opgericht en voorloper van ouderenbond Anbo). Een pensioen voor 70-jarigen is een pensioen voor doden, vond de bond.

Niet heel veel later, in 1919, werd de pensioenleeftijd alsnog op 65 gezet. „De meeste partijen, ook de werkgevers, wilden liever 60 jaar als grens”, zegt sociologe Ellie Smolenaars, die onderzoek deed naar de geschiedenis van pensioenen en AOW. „De grens van 65 werd onredelijk gevonden, vooral voor de zware beroepen. Dat de grens toch niet naar 60 jaar ging, had een eenvoudige reden: dat zou veel te veel geld kosten.”

De leeftijdsgrens van 65 jaar werd sindsdien veel bediscussieerd, maar nimmer aangepast. Ook niet in 1957, toen de AOW werd ingevoerd. De 65-norm drong door tot in de haarvaten van de samenleving. Smolenaars inventariseerde de liefst 500 wetsartikelen waarin die leeftijdsgrens is opgenomen. Wie 65 wordt, heeft geen recht meer op minimumloon, op zelfstandigenaftrek, op een dienstverband als rijksambtenaar, op lidmaatschap van tal van openbare commissies. Wel kreeg de 65’er een 65+pas die hem korting verschaft in bijvoorbeeld openbaar vervoer en musea. 65 jaar werd het scharnierpunt in onze levensloop.

IIWe kunnen best werken na ons 65ste.

Ze gaan op vakantie, maken eindelijk die wereldreis, beginnen een studie. Gepensioneerden genieten met volle teugen van hun vrije tijd. Zouden ze, terwijl ze dagelijks massaal de fietspaden in bezit nemen, het werk niet meer aankunnen?

„Natuurlijk kunnen de meeste mensen doorwerken tot hun 67ste”, zegt sociaal gerontoloog Theo van Tilburg, verbonden aan de Vrije Universiteit Amsterdam. „Mensen van 65 zijn nog niet versleten of ongeschikt voor werk. Dat geldt alleen voor een paar bijzondere beroepen als brandweerman, zeeloods, militair of vuilnisman. Uit onderzoek blijkt zelfs dat de arbeidsproductiviteit van ouderen nauwelijks daalt.”

Hij maakt daar wel een kanttekening bij. „Veel mensen denken dat de levensverwachting en de levenskwaliteit van ouderen sterk is verbeterd de afgelopen dertig jaar. Dat valt erg tegen. Bij de invoering van de AOW in 1957 had een gepensioneerde van 65 gemiddeld nog 13,9 jaar voor de boeg. Tegenwoordig is dat 15,4 jaar, slechts anderhalf jaar winst.”

„Die jaren worden ook nog eens ongezonder doorgebracht dan vroeger. De huidige generatie ouderen heeft een ongezondere leefstijl: ze bewegen te weinig en drinken en roken meer dan vroeger. Mensen leven wel iets langer, maar de kwaliteit van het leven wordt er niet beter op. Na een jaar of vijf komen de gebreken. Mensen met een partner lopen een dubbel risico, want probeer dat Zwitserlevengevoel maar eens vast te houden als je voor een zieke partner moet zorgen.”

IIIMaar we willen helemaal niet langer werken.

Leef je om te werken of werk je om te leven? Hoe groter onze welvaart, hoe groter de nadruk op genieten is geworden, zegt sociologe Ellie Smolenaars. Na zo lang hun steentje bijgedragen te hebben aan de maatschappij, menen ouderen dat ze recht hebben op vrije tijd en pensioen. Dat gevoel bestaat nog niet zo lang, zegt Smolenaars.

„In de jaren zeventig werden er veel cursussen gegeven over hoe om te gaan met je pensioen. De generatie van de wederopbouw na de oorlog had alleen maar heel hard gewerkt en wist amper wat te doen met die vrije tijd na de pensionering. Tegelijkertijd vonden ze wel dat ze die pensionering hadden verdiend.”

Voor de volgende generatie was dat anders, vertelt Gerrit Breeuwsma, ontwikkelingspsycholoog aan de Rijksuniversiteit Groningen. „In de jaren zeventig raakte de vrije tijd in opkomst. Werd ons zelfbeeld kort na de oorlog nog volledig bepaald door ons beroep – iemand was bakker, of dokter – langzaamaan werd ons zelfbeeld steeds meer mede ingevuld door onze vrijetijdsbesteding. Werk, en de status die daarbij hoort, is minder belangrijk geworden. Daarom ervaren we ons pensioen niet meer als een zwart gat, maar als een kans om ons in een nieuwe richting te ontplooien. Wij anticiperen nu op de vrije tijd die gaat komen na ons pensioen. We vinden dat we er recht op hebben. Onze behoefte eraan is gewoon aangeleerd.”

Dat recht op vrije tijd gaat bovendien vaak veel vroeger in dan bij 65 jaar, blijkt uit cijfers over de ontwikkeling van de feitelijke pensioneringsleeftijd. De gemiddelde pensioneringsleeftijd van de Nederlander is nu 61 jaar en acht maanden.

In 1973, voor de invoering van de vut-regelingen, werkte 82 procent van de 55-jarige mannen en 60 procent van de 64-jarigen. Daarna daalden die cijfers rap, tot het dieptepunt van 1993, toen nog maar 38 procent van de mannen en 11 procent van de vrouwen tussen 55 en 65 jaar minimaal twaalf uur per week werkten.

De arbeidsparticipatie van ouderen begon weer te groeien toen de economie in 1994 uit een dal klom. In 2006 werkte 56 procent van de 55-tot 64-jarige mannen. Bij de vrouwen was dat 30 procent. Tegenwoordig stopt bijna niemand meer onder de zestig jaar met werken.

De druk op gepensioneerde ouderen om een rol in de samenleving te blijven spelen, neemt volgens Van Tilburg toe. „Vroeger mochten gepensioneerden lekker van hun rust genieten. Sterker nog, ze werden feitelijk uitgestoten, hoorden er niet meer echt bij. Op de nieuwe generatie ouderen rust een grotere druk om actief te blijven, zoals het jongste kabinetsplan weer aantoont.”

Maar veel ouderen willen na hun pensioen geen nieuwe verplichtingen meer aangaan, zegt Van Tilburg. „Wie al vrijwilligerswerk deed, gaat daar nog mee door zolang het kan. Maar wie het nog niet deed, gaat niet na het pensioen opeens een avond in de sportkantine staan of bestuurswerk voor een vereniging doen.”

Wat doen gepensioneerden dan wel? „Ze maken eindelijk die lange reis. En hun dagritme gaat omlaag: ’s ochtends rustig ontbijten, krantje lezen, kopje koffie drinken, praatje maken; het tempo dat anderen alleen op zondag kunnen hanteren. Een verplichting die men vaker aangaat dan vroeger, is op de kleinkinderen passen. 51 procent van de ouderen deed dat in 2006 op regelmatige basis. In 1992 was dat nog maar 34 procent. In de privésfeer neemt men dus wel een verplichting op zich.”

Die leefstijl, zonder verplichtingen, maakt dat ouderen weer dicht bij jongeren staan, zegt Breeuwsma. „Vandaar dat we wel spreken van de tweede adolescentie.”

IVBovendien: niemand zit nog op een 65-plusser te wachten.

„Dit is de grote, bittere pil van dit vraagstuk”, barst ontwikkelingspsycholoog Breeuwsma los. „Mensen moeten nu misschien langer gaan werken, maar voor een vijftiger die op straat staat, is het vrijwel onmogelijk om nog een baan te vinden. Je kunt erop rekenen dat ze gewoon twee jaar langer kunnen wachten op hun pensioen in plaats van werken. Dat geldt vooral voor mensen met fysieke of eentonige arbeid, bijvoorbeeld aan de lopende band.”

Dat mensen niet meer willen werken, komt ook doordat de samenleving in het algemeen, en werkgevers in het bijzonder, laat merken dat ze niet meer welkom zijn. ’Oud is out’, noemt sociaal gerontoloog Van Tilburg dat. „Heel veel mensen gaan vervroegd met pensioen na conflicten op het werk. Dan melden ze zich ziek en begint het balletje te rollen. Ze worden er op meer of minder beleefde manier uitgewerkt.”

„Werkgevers zijn ook niet bereid in ouderen te investeren. Jongeren krijgen altijd de voorkeur, omdat dat een investering op de langere termijn is. Ouderen gaan immers toch al bijna met pensioen. Daarom kun je voorspellen dat bij een toename van de werkloosheid de ouderen eruit gaan. Want ouderen zijn wat duurder en werkgevers houden jongeren liever vast voor als de economische situatie verbetert.”

Het argument dat ouderen de ontwikkelingen op het werk niet kunnen bijbenen, is volgens Van Tilburg achterhaald. „Dat was het geval toen ICT net opkwam en ouderen moeite hadden om met computers te werken. Nu merk je die achterstand alleen in de ICT-sector waar jongeren net van de opleiding de nieuwste trucjes kennen en mensen vanaf zo’n veertig jaar achterlopen. Voor de rest kunnen ouderen prima functioneren.”

We zouden wel beter na moeten denken over de opbouw en inrichting van ons werkzame leven, vindt Breeuwsma. „Op de universiteit zou je er bijvoorbeeld voor kunnen zorgen dat ouderen minder onderwijs- en bestuurstaken krijgen en meer tijd overhouden voor onderzoek. Zo blijft het denkwerk uitdagend. Voor fysieke beroepen kun je denken aan aanpassing van de werktijden zonder volledige inlevering van loon.”

Dat is precies zoals de Pruisische kanselier Otto von Bismarck het bedacht had. In 1889 lanceerde hij een inkomensverzekering tegen inkomstenderving in geval van ouderdom, ziekte en invaliditeit. Het was daarmee de allereerste AOW-achtige regeling uit de geschiedenis. Iedereen kan werken, vond Bismarck, ook ouderen. Maar die laatsten kunnen een volledige dagtaak wellicht niet meer aan. Het ouderdomspensioen dat hij bedacht, gold als een aanvulling op het loon. Was een werknemer 70 jaar of ouder en kon hij niet meer volledig werken, dan kon hij op de regeling aanspraak maken. Kortom: arbeidsgeschiktheid van ouderen was de norm. „Dat paste binnen de visie op ouder worden als een langzaam, gradueel proces”, zegt sociologe Ellie Smolenaars. In het begin van de twintigste eeuw veranderde dat denken over ouderdom: niet arbeidsgeschiktheid van ouderen was langer de norm, maar juist hun arbeidsóngeschiktheid.

VMaar hoe lang we er ook over praten: uiteindelijk is geld het belangrijkste argument.

„Alle argumenten die we hebben voor het verhogen of verlagen van de AOW-leeftijd –gezondheidskundige, maatschappelijke, politieke, ideologische– zijn arbitrair”, zegt ontwikkelingspsycholoog Gerrit Breeuwsma. „Eigenlijk is het alleen maar een kwestie van geld. Toen de prepensioenregelingen kwamen, werd gewezen op afnemende fysieke kracht van werknemers. Nu we die regelingen niet meer kunnen betalen, is het argument dat we langer gezond blijven. Wat trouwens niet zo is.”

Het economische argument is altijd doorslaggevend geweest, zegt ook Smolenaars. „Als er behoefte is aan arbeidskrachten, geldt: alle hens aan dek, iedereen aan het werk. Zodra die behoefte afneemt, kunnen alle vermeend minder productieven weer overboord. Daarom kwam de vut-regeling, en daarom verdween die ook weer. En daarom zal het verhogen van de AOW-leeftijd naar 67 jaar alleen slagen als gezegd wordt: we hebben jullie hard nodig, in plaats van dat er gekort wordt op de pensioenen.”

Gepensioneerden genieten met volle teugen van hun vrije tijd, hier langs de Waal bij Bemmel. (FOTO KOEN VERHEIJDEN, ANP) Beeld
Gepensioneerden genieten met volle teugen van hun vrije tijd, hier langs de Waal bij Bemmel. (FOTO KOEN VERHEIJDEN, ANP)
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden