Een land van kliekjes en netwerken

Onze informele cultuur zonder duidelijke hiërarchie zorgt ervoor dat nieuwkomers erg moeilijk een plaats vinden in de Nederlandse samenleving, vinden organisatiedeskundigen üzkan Gölpinar en Ocker van Munster. „Je moet wel over bijzondere sociale vaardigheden beschikken om te weten wat er van je verwacht wordt.”

Verwarring en gebrek aan perspectief beheersen het integratiedebat. Het idee dat we door praten en masseren uiteindelijk weer naar een nieuwe, homogene samenleving toegroeien, is langzaam aan het verdwijnen.

Ondertussen stapelt incident zich op incident: Ehsan Jami, rellen in Slotervaart, de film van Geert Wilders die ophef veroorzaakt voordat hij gemaakt is, een museum dat weigert controversiële foto’s te exposeren. Maar het debat blijft hangen, en vindt ook nauwelijks politieke vertaling. Met uitzondering van Wilders lijken de politieke partijen uitgepraat, en geneigd om heikele onderwerpen te laten liggen. Er heerst angst voor de peilingen en voor de eigen achterban. Dit gebrek aan politieke stellingname is schadelijk. Het vergroot de veelbesproken kloof tussen kiezer en politiek.

Intussen verslechtert het maatschappelijke klimaat. In het gesprek van alledag merk je dat de tegenstellingen scherper worden. Veel mensen – moslims, christenen én ongelovigen – doen er daarom liever het zwijgen toe.

Toch zullen we een uitweg uit deze impasse moeten vinden. Daarvoor is moed nodig. Moed om over de eigen schutting te kijken, en vooral: om bereid te zijn tot introspectie.

Een intrigerende vraag in dit verband is hoe het kan dat de discussie over islam en integratie hier zoveel heftiger lijkt te zijn dan in de landen om ons heen. Zozeer zelfs dat de buurlanden het debat met enige zorg bekijken. Zou het te maken hebben met typisch Hollandse karaktertrekken? Of loopt Nederland voorop in een onontkoombare ontwikkeling waar andere landen nog doorheen moeten?

De socioloog Ruud Koopmans heeft er jaren geleden al op gewezen dat allochtonen in landen waar niet of nauwelijks van integratiebeleid sprake is geweest, veel beter participeren in de samenleving. Juist in Nederland, waar een relatief grote inspanning is geleverd op het gebied van integratiebeleid, doen allochtonen slechter mee.

Daaraan is niet alleen de genereuze verzorgingsstaat debet die het migranten mogelijk heeft gemaakt om afgescheiden van de samenleving te leven, maar ook de Nederlandse kijk op achterstand en emancipatie.

Onze calvinistische schuldcultuur heeft geleid tot een beleid van pamperen en het wegnemen van verantwoordelijkheden. Daar hebben Angelsaksische en Latijnse culturen veel minder last van. Die beschouwen hun eigen culturele gewoonten als vanzelfsprekend, en respecteren anderen zonder zichzelf te relativeren, of zich te schamen – zoals in Nederland vaak gebeurt.

Een zelfbewuste houding biedt ’de ander’ meer ruimte. Zie de verschillende manieren waarop het hoofddoekdebat in Europa is gevoerd. Frankrijk hield het beginsel van de seculiere staat hoog. In Nederland zijn we ermee aan het schipperen gegaan. In Engeland is het vertrouwen in de Britse waarden zo groot dat andere culturen zich daarnaast kunnen ontwikkelen zonder dat dit als bedreigend wordt ervaren. Die verregaande tolerantie heeft natuurlijk wel een klap gekregen door de aanslagen in Londen, maar de Britse houding droeg bij aan de waardige wijze waarop die crisis is opgevangen.

Een andere, typisch Nederlandse karaktertrek is onze behoefte aan openheid, consistentie en eenduidigheid in het sociale verkeer. Wij zijn gewend om dóór te vragen, om tegenstellingen op te sporen, om sluiers weg te trekken, en achterkamertjes te ontruimen. Wij kunnen slecht tegen dubbelzinnigheden en tegenstellingen.

In Latijnse culturen hebben de vele gezichten van het katholicisme ervoor gezorgd dat mensen behendiger balanceren. De samenleving ritselt er van de ongerijmdheden, en mensen doen dingen zonder er voortdurend over te spreken. Wij verwijten die culturen al snel een dubbele moraal en onbetrouwbaarheid. Die culturen op hun beurt vinden ons maar bot, confronterend, en weinig gelaagd.

Die directheid levert in het sociale verkeer natuurlijk veel op: wij zijn transparant, en houden ons aan afspraken. Er is minder hypocrisie en huichelarij. Diplomatie is evenwel niet onze sterkste kant.

Daarbij maken onze informele cultuur en onze afkeer van hiërarchie het voor nieuwkomers erg moeilijk een plaats te vinden in de samenleving. Je weet vaak niet wat er van je wordt verwacht, en wie er de baas is. Wij hebben ingewikkelde processen ontwikkeld om dit steeds opnieuw, al vergaderend, uit te vinden. Je moet dan wél over bijzondere sociale vaardigheden beschikken, en de fijne kneepjes van taal en cultuur beheersen. Migranten zijn veelal afkomstig uit culturen die juist gekenmerkt worden door een sterke hiërarchie, waarin je weet wat je positie is en welk gedrag daarbij hoort.

In onze egalitaire cultuur ligt ongetwijfeld een deel van de verklaring voor het achterblijven van allochtonen op de arbeidsmarkt. Je moet niet alleen goed zijn in je vak, maar ook je ziel openleggen, en weten te vergaderen teneinde je plaats in de groep te bepalen. Bij sollicitatieprocedures gaat het uiteindelijk altijd om de vraag: past de zeer competent geachte kandidaat wel in de groep? Ziedaar het mechanisme dat gekwalificeerde nieuwkomers, ook van de tweede en derde generatie, buitensluit.

De verzuiling heeft van Nederland een samenleving gemaakt van ’soort zoekt soort’. We beschouwen onszelf als tolerant en open, maar dat is, ook historisch gezien, een misvatting. We zijn van oudsher sektarisch. Zie de geschiedenis van het protestantisme: zodra er meningsverschillen opduiken, komt er een splitsing, met nieuwe groepjes die zich afzonderen van de rest. We zijn een volk van kliekjes en van netwerken. Die segregatie wordt niet weinig in de hand gewerkt door het Nederlandse onderwijssysteem, waarmee we ons ook al onderscheiden van de buurlanden.

Voor de goede orde: wij willen deze Nederlandse eigenaardigheden niet overboord zetten – als dat al zou kunnen. We willen alleen benadrukken dat dit land, in weerwil van zijn eigen idee daarover, een vrij gesloten en homogene cultuur kent. Landen om ons heen hebben in de twintigste eeuw veelal meer meegemaakt op het gebied van etnische, economische, en religieuze verschillen.

Het Nederlandse integratiedebat wordt daarnaast natuurlijk sterk beïnvloed door de wereldwijde opkomst van de islam.

Wij dachten dat we religie keurig hadden opgeborgen in het persoonlijke domein, en ineens is het fenomeen er weer in alle hevigheid. En de hedendaagse islam bekommert zich niet alleen om het individuele zieleheil, om het transcendente en het spirituele, maar manifesteert zich ook als harde, politieke ideologie.

In Nederland werkt de dreiging die van de politieke islam uitgaat verlammend op het integratiedebat. De verzekering van politici en deskundigen dat slechts een klein deel van de moslims er daadwerkelijk op uit is om de wereldheerschappij te vestigen slaat hier niet aan. Geruststellende woorden nemen het wantrouwen niet weg. En dat heeft zijn weerslag op de hele moslimgemeenschap, die zich in de hoek gedrukt voelt. Daardoor neemt de behoefte om zichzelf af te schermen en zich af te zetten verder toe. Zo draaien we vast in een vicieuze cirkel.

Ook voor moslims zelf kreeg religie een nieuwe betekenis. In de eerste dertig jaar van de integratiegeschiedenis speelde het geloof nauwelijks een rol, ook niet voor de gelovigen. De kinderen van de nieuwkomers vragen zich nadrukkelijk af hoe zich tot de islam te verhouden.

De aantrekkingskracht van het nieuwe fundamentalisme is groot. Het islamitisch fundamentalisme kent geen grenzen. Het verbindt de madrassa in Islamabad met het koffiehuis in de Haagse Transvaalbuurt. Jonge moslims wereldwijd vinden elkaar op internet. De boodschap die ze daar horen is eenvoudig, universeel, en verschaft identiteit en houvast. Je maakt er een persoonlijk statement mee, waarmee je afstand kunt nemen van een samenleving die je toch niet lijkt te accepteren.

Waar zijn wij bang voor? Wij zijn bang voor het politieke programma dat in de heilige boeken ligt besloten. Dat eist immers van de gelovige dat hij ongelovigen bestrijdt. Teksten die eeuwenlang een sluimerend bestaan leidden zijn ineens weer actueel.

De globalisering heeft de islam losgeweekt van de locale context, terwijl juist die zo belangrijk was voor de invulling en beleving van het geloof. Nu die er niet langer toe doet, komen de bronteksten in het volle licht te staan.

De vraag hoe gelovigen zich tot die teksten verhouden dringt zich op. Zijn moslims in staat om invulling te geven aan de islam binnen de context van de samenleving waarin ze werken en leven? En is Nederland in staat om nieuwkomers die ruimte te geven?

Het is díe vraag die Wilders opwerpt – zij het dat door zijn uitspraken over het verbieden van de Koran de discussie voorlopig wel niet zal gaan over de inhoud ervan.

Ook hier openbaart zich trouwens die typisch Nederlandse trek: wij willen duidelijkheid over die teksten. Wij willen het weten, en wel nu! Maar moslims zullen, als je ze daar rechtstreeks vraagt, geen afstand nemen van het Boek, en ook niet van de confronterende passages. Niettemin zitten ook de meeste gelovigen niet te wachten op de oemma en op invoering van de sharia. Hoe doen ze dat toch?

Net als in alle ’gelaagde’ samenlevingen: weten welke vragen je wel en niet moet stellen, en welke teksten je moet laten rusten. Het helpt dus niet als we ons met z’n allen storten op een exegese van de heilige teksten teneinde de tegenstellingen nog eens haarfijn uit te diepen.

Natuurlijk werkt het toedekken van tegenstellingen vaak ook niet. Denk aan de worsteling die momenteel in veel moslimgezinnen zichtbaar is rond de positie van de vrouw.

Maar we moeten het publieke debat wel met enige behoedzaamheid voeren, willen we elkaar niet helemáál kwijtraken. We moeten nog wel zaken kunnen doen over onderwerpen van gemeenschappelijk belang.

Daarom moeten wij leren leven met de ongerijmdheden en de tegenstellingen die bij deze tijd horen. Dat is eigenlijk de kern van het begrip diversiteit. Daarbij gaat het niet zozeer om het overbruggen van tegenstellingen, maar om het managen ervan.

Als er bijvoorbeeld een probleem is met handen schudden betekent dat waarschijnlijk een onoverbrugbaar, principieel meningsverschil. Toch moeten we dit oplossen. Daarbij moeten we in het oog houden dat een beroep op religie vaak de verpakking vormt van een politiek-ideologische ambitie. Die hoeven wij niet te honoreren, en daarvoor hoeven we onze verworven rechten en vrijheden niet in te leveren.

De benadering die wij bepleiten is een andere dan de traditionele welzijnsreflex die voorschrijft dat we elkaar aardig moeten vinden, dat we het moeten uitpraten, en bij elkaar koffie moeten drinken. Het is prachtig als dat gebeurt, maar we weten inmiddels dat dit soort multicultidenken de problemen niet oplost.

Noch het weggooien van talenten, noch het laten voortduren van segregatie, kan onze samenleving zich veroorloven. Er is actieve inspanning nodig om het bestaande op waarde te schatten en daar met nieuwe ideeën waarde aan toe te voegen. Dat kan alleen als we nadenken over een dynamischer concept van nationale identiteit, gericht op de toekomst in plaats van op het verleden.

Er zullen tegenstellingen blijven, en ook steeds nieuwe bijkomen. We kunnen niet terug naar de tijd dat geluk heel gewoon was. We zijn gedoemd tot diversiteit. In die zin is de globalisering die we meemaken onverbiddelijk.

Dit vraagt om een veel zakelijker aanpak, en om de erkenning dat we tegenstellingen vaak niet kunnen overwinnen, maar wel hanteerbaar maken. Daarbij gaat het er niet om de eigen waarden in te leveren, en moet je ook niet voortdurend toegeven aan een beroep op de vrijheid van godsdienst. Over zaken als de boerka, handen schudden en islamitisch bankieren moet je, afhankelijk van de context – publiek of privaat – afspraken maken.

De islam is van oudsher immers een praktische godsdienst, die de gelovigen toestaat om zich aan lokale omstandigheden aan te passen. Wij kunnen heel goed besluiten dat het onwenselijk is dat je elkaar in de publieke ruimte niet in de ogen kunt kijken, of dat je uitgestoken hand wordt afgewezen. De problemen met de dubbele nationaliteit, die er natuurlijk wel degelijk zijn, moeten we gewoon bespreken zonder dat er een hysterisch debat losbarst over persoonlijke loyaliteit.

De geschiedenis bewijst telkens weer dat mensen willen ontsnappen aan hun keurslijf. Dat zien we nu ook weer gebeuren. Bij onze nieuwe landgenoten voltrekt zich in feite een fabelachtig emancipatieproces. We zien de barsten ontstaan in hun schijnbaar gesloten cultuur. Ineens blijkt de moslimgemeenschap wel degelijk afvalligen te kennen. Wie net als Ehsan Jami als moslim is geboren, hoeft niet meer als moslim te sterven.

Wij zijn van mening dat een groepsloze samenleving sociologisch ondenkbaar is; een samenleving is geen verzameling losse individuen. Dus ja, het is spijtig als allochtone studenten zich terugtrekken in eigen studentenverenigingen, en zich niet aansluiten bij de algemene. Maar dat is nu even niet anders. Als ze hun studie maar afmaken. Die verenigingen zijn trouwens niet ’algemeen’, maar selecteren wel degelijk op eigenschappen die nodig zijn in onze netwerksamenleving. Het is vooral die gesloten netwerkcultuur die dient te worden opengebroken om allochtoon talent daadwerkelijk te laten doorstromen naar de arbeidsmarkt.

We zouden ook moeten kijken naar hoe andere, complexe multiculturele samenlevingen in elkaar zitten. Zo kenmerken de Caribische maatschappijen zich door zowel een grote mate van culturele menging als door een bewust geconserveerde eigenheid van culturele groepen. Immigratielanden als Canada, Australië, en de Verenigde Staten zijn cultureel minder repressief. In Azië zijn India, Indonesië en Singapore interessante voorbeelden. Al deze samenlevingen zijn natuurlijk ook niet zonder spanningen, maar in zeker opzicht meer van deze tijd dan die in Europa.

We moeten beseffen dat wat gisteren achterlijk was, morgen weer modern kan zijn. De wereld verandert razendsnel, en westerse culturen hebben allang niet meer het patent op moderniteit. Ook autochtonen zullen moeten integreren in een nieuwe wereld.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden