Een land kan bestaan uit alleen maar immigranten

Wat kunnen denkers zeggen over het nieuws, over wat krantenlezers schokt of juist koud laat? Tweewekelijks laten wijsgeren uit Trouws Filosofisch Elftal hun gedachten erover gaan. Vandaag: Hoeveel immigratie kan een land hebben om nog verantwoorde integratie mogelijk te maken?

Dit is een vraag om empirisch te onderzoeken, zegt Annemarie Mol, Socrates-hoogleraar politieke filosofie aan de Universteit Twente. „Natuurlijk, tolerantie is een mooie deugd, maar het lijkt mij zinvoller om na te gaan welke praktische oplossingen er te verzinnen zijn voor concrete problemen dan om hard te roepen dat mensen tolerant moeten zijn.’’

Als je dan toch onderzoek naar concrete problemen gaat doen, zegt Mol, kun je beter specifiek zijn. In plaats van ’een samenleving’ te onderzoeken, in het algemeen, is het verstandiger na te gaan hoe mensen in deze of gene wijk, stad of regio met elkaar samenleven.

Mol: „Het debat focust nu op migratie, maar daar wordt van alles dat misgaat in de wereld in ondergebracht. Waar zitten precies de problemen, en voor wie? De situatie van hoogopgeleide politieke vluchtelingen is anders dan die van ongeschoolde economische migranten. Oost-Drenthe is niet Rotterdam. Mannen maken meer moeilijkheden dan vrouwen. Enzovoorts.’’

’Wat is nu het echte probleem?’, vraagt Andreas Kinneging, hoogleraar rechtsfilosofie aan de Universiteit Leiden.

„Is het integratie? Dat denk ik niet. Neem de Chinezen. Zij zijn niet geïntegreerd, maar voor de samenleving zijn zij geen last. Of neem de orthodoxe joden in New York. Zij bemoeien zich met niets of niemand, maar niemand heeft ook last van hen.

Het probleem is niet de integratie, maar de overlast: herrie, viezigheid, diefstal, vernielingen, bedreigingen, geweld. Bepaalde groepen veroorzaken veel overlast in de samenleving. Naast groepen autochtonen, zijn dat groepen Marokkaanse en Antilliaanse jongens. Dat is de kern van het probleem.”

Kinneging: „Mensen in de volksbuurten hebben daar het meeste last van. Zij voelen zich niet voldoende beschermd door politie en justitie. En zij trekken een eenvoudige conclusie: ’Wij hebben last van mensen die uit het buitenland komen, dus weg ermee’. Als er geen sprake zou zijn van deze forse overlast, zou je niemand horen over allochtonen en immigratie.’’

Volgens Kinneging staat het probleem van deze overlast ook los van de vraag ’Hoeveel immigratie verdraagt een land?’.

„Een land kan ontzettend veel immigratie verdragen. Het kan, zoals de Verenigde Staten, zelfs geheel uit immigranten bestaan.”

Het spreken over migranten in termen van tolerantie suggereert volgens Mol ten onrechte dat ’oude ingezetenen zo’n zware last dragen’. „Dat idee voedt zowel hun eigendunk als hun slachtofferschap. Maar waarom zijn de diverse migranten eigenlijk geëmigreerd? Aan welke ellende proberen ze daarbij te ontkomen? Welke structurele verhoudingen – waarin ook Nederland zowel politiek als economisch medeplichtig is – houden die ellende in stand? Als de EU importbelasting heft op producten uit Afrika, moet ze niet verbaasd zijn als mensen daar geen werk hebben. En als sommige van die mensen dan besluiten om in gammele bootjes de overtocht naar Europa te wagen, dan is dat allemaal erg lastig, maar voor wie eigenlijk het meest?”

Kinneging blijft nog even stilstaan bij het voorbeeld van de Verenigde Staten, het land dat geheel uit immigranten bestaat en niettemin het machtigste land op aarde is.

Het interessante is volgens Kinneging dat Noord-Amerika mét immigranten de puriteinse cultuur van hard werken heeft kunnen behouden.

„De vraag is hoe die cultuur in stand heeft kunnen blijven, want de 280 miljoen Amerikanen van vandaag zijn niet allemaal nakomelingen van Engelse en Nederlandse puriteinen, maar voor een groot deel kinderen van mensen uit Italië, Ierland, Polen, Afrika, Azië en Zuid-Amerika. Dat de puriteinse dominante cultuur heeft kunnen blijven bestaan, komt doordat de immigratie zeer geleidelijk is gegaan. In één keer vijftig miljoen Italianen opnemen, was niet gelukt. Maar in honderd jaar kun je miljoenen immigranten opnemen. Als de ene lichting maar de tijd heeft om te assimileren, voordat de volgende lichting eraan komt.”

Mol: „Waar ik het meest boos van word, is als migratie in een wij-zij- taal gegoten worden. Wie horen er dan immers wel en wie niet bij ’wij’?

Maar al te vaak is er een erg nauw, niet juridisch maar cultureel of zelfs etnisch gedefinieerd Nederlanderschap vereist om bij ’wij’ te horen. Dat staat de zo bejubelde integratie van migranten heus ernstig in de weg – als je zelfs na twintig jaar, of een generatie, nog niet bij ’wij’ hoort. Als student heb ik ooit Nederlandse kranten op wij-zij-taal geanalyseerd. Toen hoorden meestal alleen mannen bij ’wij’. Al die types die zo opgeven van ’onze’ seksegelijkheid zijn dat misschien vergeten. Maar ik niet.’’

Kinneging: „Wij hebben een merkwaardig systeem: formeel zijn wij geen migratieland, maar laten we alleen politieke vluchtelingen binnen. Maar feitelijk is het overgrote deel van de mensen die hier binnenkomt economisch migrant. Vaak zijn deze mensen laaggeschoold. Waar je volgens mij heen moet, is een immigratiebeleid zoals de Amerikanen dat hebben. Mensen die iets bijzonders hebben, worden daar welkom geheten. Waarom zouden wij niet van hun voorbeeld leren?’’

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden