Een labyrinth dat naar rozen voert

Alweer een nieuwe Nederlandse opera! Na 'Symposion' van Peter Schat in het voorjaar en 'Noach' van Guus Jansen in de zomer, krijgen we deze herfst 'Rosa' van Louis Andriessen voorgetoverd: première volgende week dinsdag. Het wintert dan ook allerminst in de eigenlandse operacultuur. Het komende Holland Festival brengt de lang verwachte 'Esmee' (over een Haarlemse verzetstrijdster) van Theo Loevendie. “Ieder jaar brengen we dan een nieuwe Nederlandse opera: in 1996 van Klaas de Vries, in 1997 van Robert Heppener en in 1998 van Klas Torstensson”, meldt festivaldirecteur Jan van Vlijmen. Bij de Nederlandse Opera zijn na 'Rosa' vanwege financiële beperkingen géén vaderlandse premières te verwachten.

FRANZ STRAATMAN

Deze uitbarsting aan muziekdramatische werken komt voort uit een beleid dat twee instellingen decennia lang consequent voerden: de Nederlandse Opera en het Holland Festival. Vooral de stimulerende invloed van opera-intendant Hans de Roo (in functie tussen 1971 en 1986) maakte de lijst zo opvallend lang en veelkleurig.

Hij gaf componisten van allerlei richting hun kans, of ze nu tot de generatie van de avant-gardisten behoorden als Peter Schat, of gerekend werden tot de tonaal-behoudende ouderen als Hans Henkemans. De Roo: “Ik vond dat al die componisten hun werk moesten kunnen horen en zien.” Ton de Kruyf, van wie in 1971 'Spinoza' werd uitgevoerd, spreekt zelfs van 'gouden jaren' omdat De Roo zich zo actief bezig hield met de voortgang van plannen, of uitgebrachte stukken een tweede kans bood.

De Roo kwam in functie bij de Nederlandse Opera op een moment dat die ontwikkeling al belangrijke impulsen had gekregen door de open mentaliteit van zijn voorgangers: Maurice Huisman en zijn waarnemer Jaap den Daas. Huisman, afkomstig uit Brussel waar hij opera-directeur was, zette voor de nieuwe Nederlandse Operastichting (eerste produktie september 1965) een programmabeleid op dat een moderner geest ademde dan de operaliefhebber tot dan gewend was.

Hij hield bovendien van experimenten; de ideeën over totaaltheater waar de piepjonge Peter Schat en zijn companen in de jaren zestig mee rond liepen, vonden bij Huisman een gewillig oor. Aan het einde van het eerste seizoen, in juni 1966, maakte het Amsterdams publiek kennis met 'een soort opera': 'Labyrinth'. Muziek, teksten (van Lodewijk de Boer), dans (Koert Stuyf), decors (Aldo van Eyck), kostuums, film, en regie (Peter Oosthoek) vloeiden samen in een veelomvattend kijk- en luisterspel in de piste van Theater Carré. Want ook de speelplaats moest alternatief zijn, wèg uit de burgerlijke schouwburg. We waren nog maar twee jaar verwijderd van revolte tegen de burgerlijke cultuur, die Pierre Boulez deed uitroepen: 'Steek alle operahuizen in brand'.

Nu viel er in Amsterdam en wijde omgeving geen operahuis te vernietigen, want we hadden zoiets niet. Er werden wel plannen gemaakt voor zo'n gebouw, maar de ideeën daarvoor ontwikkelden zich in de richting van een theater waar 'alles' mogelijk was. Muziektheater werd het toverwoord. Carré, van oorsprong een circusgebouw, paste door zijn open, ronde vorm heel goed in die nieuwe trend. Stónd hier niet al het opera-huis van de toekomst? In ieder geval bewezen Holland Festival en Nederlandse Opera samen dat er heel wat mogelijk was met zowel oude opera (Monteverdi's 'Orfeo' en Rameau's 'Platée') als met nieuwe. Na 'Labyrinth' volgde er in 1969 'Reconstructie': collectief produkt van vijf componisten en twee tekstschrijvers. Een menigte aan musici, acteurs en zangers bevolkte de piste waar in het beeld van Che Guevara gaande de voorstelling dominerend oprees.

Het maatschappelijk engagement puilde uit alle noten en letters. Net als bij 'Labyrinth' wisselden boeh en bravo elkaar af, en reageerde de pers negatief, alhoewel 'Reconstructie' welwillender werd ontvangen dan het rabiaat neergesabelde 'Labyrinth'. De avant-garde voelde zich echter in het muziektheater bevredigd. De opera-directie in Amsterdam had niets te vrezen, terwijl die in Parijs de Opéra een heel seizoen sloot onder druk van de maatschappelijke revolte! De onvrede over het verstarde burgerlijke muziekleven werd in Nederland uitgeleefd op de orkesten: de aktie Notenkraker.

'Labyrinth' en 'Reconstructie' staan aan de kop van een lijst van liefst 23 werken die tussen 1965 en nu ontstonden in de boezem van de Nederlandse Operastichting (sinds 1986 De Nederlandse Opera geheten). De lijst loopt zelfs tot ver over de dertig als de produkties meegerekend worden van andere instellingen. Die leverden onder meer op 'Blauwe Appel' (over de weduwe van Mao en de Bende van Drie) van Boudewijn Tarenskeen, 'Een ongelukkige in het zwart' (over Van Gogh) van Jan van Vlijmen, en 'Antigone' van Ton de Leeuw. Bovendien verstrekte de Nederlandse Opera ook opdrachten aan buitenlanders: Maderna ('Satyricon'), Philip Glass ('Satyagraha') en Schnittke ('Life with an idiot'). Vergelijk dat eens met opera-land België waar in dezelfde periode slechts een tiental premières genoteerd werden!

Ton de Kruyf wijst op een belangrijk feit waardoor in Nederland nieuwe opera zo kon opbloeien: “We hadden er de goede dirigenten voor zoals Bruno Maderna, Francis Travis, Edo de Waart, Hans Vonk en Lucas Vis. En er ontwikkelde zich een nieuwe generatie zangers in de Opera Studio die ook met moderne werken opgroeide.”

Een stimulerend klimaat biedt echter geen garantie voor louter meesterstukken. De componisten moesten zich het vak soms vallenderwijs eigen maken. Hans Kox herinnert zich dat hij uit eigen intiatief tot het schrijven van 'Dorian Gray' besloot, omdat hij gefascineerd werd door de roman van Oscar Wilde 'The picture of Dorian Gray'. “Een Engels regisseur wees mij eens op de dramatische kwaliteiten. Omdat ik geen geschikte schrijver kende, stelde ik zelf het libretto samen. Toen ik ook wat muziek had, legde ik Hans de Roo mijn opzet voor; hij was meteen enthousiast.”

Gewoon in het abonnementsseizoen 1973-1974 ging 'Dorian Gray' in wereldpremière. De titelrol was voor een countertenor geschreven. In de herlevende authentieke uitvoeringspraktijk van barokopera's (waarin de Nederlandse Opera voorop liep) een geaccepteerde stemsoort, maar daarbuiten een opvallende keuze. “Ik wilde voor die rol een stem met zo weinig mogelijk vibrato. Dorian Gray is een figuur zonder menselijke aandoeningen; hij streeft naar genot en schoonheid maar mist het menselijk contact.”

“In gedachten hoorde ik daar een stem bij, en ik had zelfs een voorkeur, James Bowman. Maar als beginnend operaschrijver realiseerde ik me niet dat een uitvoering ook afhangt van de keuze die een operaleiding maakt wat betreft zangers. De countertenor die voor mij was uitgezocht, kon die partij gewoon niet aan met een orkest er bij, hoe dun de instrumentatie ook was.”

Het publiek reageerde na de première in het Scheveningse Circustheater en bij de volgende drie opvoeringen in Amsterdam heel positief, maar de pers toonde vele bedenkingen (een krant stampte het werk zelfs de grond in), zowel over drakerige momenten in de enscènering als de vermeende vrijblijvendheid van de muziek.

Kox benutte zijn ervaringen en herzag zijn partituur en de opzet van zijn scènes. De Roo zorgde voor herkansing zodat 'Dorian Gray' in een vernieuwde versie met een lyrische tenor voor de titelrol (Philip Langridge in een uitstekende rolverbeelding) werd hernomen in 1977. Hans Kox dirigeerde nu zelf de vijf voorstellingen; de pers erkende de verbeteringen wel, maar was toch zuinig in de waardering, in tegenstelling tot het publiek, meldt Kox.

Hij genoot het voorrecht om in 1982 nogmaals, nu zeven voorstellingen, zijn opera opgevoerd te zien. In de lijst van hernemingen staat 'Dorian Gray' met drie series en 16 voorstellingen bovenaan. Twee series werden gehaald door 'Wintercruise' van Hans Henkemans (in 1979 en 1984), 'Houdini' van Peter Schat (in 1977 en 1981) en 'Aap verslaat knekelgeest' van Peter Schat (in 1980 en 1982).

In dat herhalingsbeleid onderscheidde Hans de Roo zich gedurende zijn vijftienjarig intendantschap evenzeer. Tot zijn spijt ontglipte hem één herhaling: 'Thijl' (over Thijl Uylenspiegel en zijn vrijheidsstrijd) van Jan van Gilse. Alhoewel gecomponeerd rond 1940 kon de scènische première pas in 1980 plaatsvinden. De Roo wilde die grootse produktie herhalen in het nieuwe Muziektheater, maar toen dat er stond, had hij om gezondheidsredenen zijn functie al neergelegd. Ook zijn opvolger Jan van Vlijmen zegt dat 'Thijl' op zijn wenslijst stond, maar het kwam er niet van omdat Van Vlijmen voortijdig het veld moest ruimen. Zo verdween 'Thijl' ten onrechte uit zicht.

Ton de Kruyf, wiens 'Spinoza' (op tekst van Dimitri Frenkel Frank, over de relatie tussen Rembrandt en Spinoza in zeventiende eeuws Amsterdam) in 1971 een weinig fortuinlijke première beleefde, had plannen voor een herziening. Hij zag echter zijn opera in rook opgaan toen in 1975 het pand uitbrandde waar de Nederlandse Opera haar decors en kostuums bewaarde.

Dat lot trof ook een experimentele produktie die voortkwam in samenwerking met het Haagse kunstenaarscollectief Scarabee. Onder meer Woody van Amen film, Adri Boon objecten, Bert Schierbeek teksten en Otto Ketting muziek, ontwikkelden een beeldend theater getiteld 'Dummies' met een vage verhaallijn over èchte mensen en over dummies (afgietsels), poppen. Het was vooral een prachtig kijkspel.

“Heerlijk aan gewerkt,” merkt Otto Ketting na twintig jaar nog verheugd op. “Er zaten originele dingen in. Er was belangstelling voor uit het buitenland, maar die brand vernietigde alle objecten en een macht aan techniek.” Niet minder tevreden kijkt ook de inmiddels bijna 81-jarige Hans Henkemans op zijn enige opera 'Wintercruise' terug. “Het is mijn lievelingsstuk, waarschijnlijk het beste wat ik ooit geschreven heb.” Hij baseerde het libretto van eigen hand op een novelle van Somerset Maughan. Een ongetrouwde Engelse vrouw reist op een Duitse vrachtvaarder mee. Vrouwe-veelpraat en zeemanszwijgen, broeiende gevoelens en een wat bleke afloop werden gehuld in sfeervolle orkestbegeleiding. Het publiek reageerde enthousiaster dan de pers.

'Spinoza', 'Dorian Gray' en 'Wintercruise' werden met overtuiging opgezet binnen de traditionele grenzen van het genre. Jan van Vlijmen, Reinbert de Leeuw en Harry Mulisch beoogden met hun symbolistisch drama 'Axel' (1977) juist een afrekening, vooral jegens Wagner, wat op een stoutmoedige mislukking uitliep. Indrukwekkend was wèl het decor, waarschijnlijk het mooiste uit de tijd van De Roo. Dat overkwam overigens meer floppende wereldpremières: ook 'Naima' van Theo Loevendie (mooie muziek) uit 1985 en die vreselijke 'Dr Faustus' van Konrad Boehmer, eveneens 1985, vielen op door de grootsheid van hun decors.

Peter Schat maakte onvergetelijk indruk met twee in alle opzichten geslaagde creaties: zijn circusopera 'Houdini' die in Carré met krachtige muzikale expressie en bloedstollende acts succesvolle opvoeringen beleefde, en zijn geestige 'Aap verslaat knekelgeest' waarvoor de Opera zelfs een èchte circustent opzette. Met vijf opera's en tal van andere vormen van muziektheater (zoals 'To you') groeide Schat uit tot de meest vruchtbare opera-componist. Wat niet wil zeggen dat de anderen de pen neerlegden na hun eersteling. Hans Kox hoopt nog eens een operadirecteur te interesseren voor zijn half voltooid ter zijde gelegde 'Lord Rochester' (een groots historisch drama) of voor zijn voltooide 'Das grüne Gesicht' voor vijf zangers en een kamerorkest. Avondvullend maar toch low budget. “Je leert je aanpassen, want opera is een dure onderneming.”

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden