EEN LABORATORIUM VOOR DE ZIEL

Lijstjes, cijfertjes, breukjes, sommetjes, registertjes, roostertjes - daarmee was toch geen vat te krijgen op 'de subtiele nuancen, die opwellen en wegkwijnen, ebben en afvloeien over de grenzen van het onbewuste naar het bewuste'. Dat meende althans de schrijver Aegidius Timmerman, toen hij hoorde over de psychologische experimenten van de Groningse hoogleraar Gerard Heymans. Toch werd die laatste er wereldberoemd mee, en de grondlegger van de experimentele psychologie in Nederland. Deze herfst wordt herdacht dat hij precies honderd jaar geleden zijn 'laboratorium voor de ziel' inrichtte en een eindeloze reeks experimenten begon. In het Groningse Universiteitsmuseum is een tentoonstelling ingericht over leven en werk van Gerard Heymans. De bijbehorende catalogus 'Een laboratorium voor de ziel' is verschenen bij de Historische Uitgeverij/Universiteitsmuseum, Groningen (151 blz., f 40,). Op 19 en 20 november houdt het Nederlands Instituut voor Psychologen in Groningen een jubileumcongres over het thema 'De volgende eeuw van de psychologie'.

DOUWE DRAAISMA

Dat laboratorium had een uiterst bescheiden, bijna huiselijke omvang. Heymans had de architect Berlage in 1894 een villa laten ontwerpen aan een van de Groninger singels en daarin een vertrek vrijgehouden waar de instrumenten werden bewaard en proeven konden worden gedaan. De meeste van die proeven hadden te maken met gewaarwordingen: Heymans experimenteerde uitvoerig met tast, geur en gehoorprikkels om zo de gevoeligheid van de zintuigen vast te stellen. Dat gebeurde met de prachtige koperen en messing apparaten die nu nog in het Groningse universiteitsmuseum zijn te bewonderen: stemvorken, resonantiebollen, balansen, etcetera.

Bij deze proeven fungeerde Heymans' vrouw Anthonia Barkey als proefpersoon. Enkele jaren lang heeft het echtpaar dagelijks een reeks van experimenten afgewerkt. Wie alle afzonderlijke proeven uit deze periode optelt, komt uit op 11 008 proeven. Mevrouw Heymans moet haar man zeer hebben liefgehad.

Gerard Heymans werd geboren in 1857 te Ferwerd, een dorpje aan de Friese waddenkust. Na in Leeuwarden de HBS te hebben gevolgd ging hij in Leiden rechten studeren. In 1880 promoveerde hij in de staatswetenschap en een jaar later - hij was toen vierentwintig - nog eens in de filosofie. Toen hij in 1890 in Groningen werd benoemd, ondernam hij direct stappen om de experimentele psychologie, die zich in Duitsland en Amerika al zo'n tien jaar aan het ontwikkelen was, in Nederland te introduceren.

Heymans zou zijn leerstoel, die behalve psychologie ook de filosofie omvatte, een ongeevenaarde glans geven. Vanaf 1892 kwam een gestaag wassende stroom publikaties op gang over het gehele bereik van de psychologie: gewaarwordingen, visuele illusies, geheugen, persoonlijkheid, de erfelijkheid van psychologische eigenschappen, geslachtsverschillen, dierpsychologie, intelligentie, toerekeningsvatbaarheid - er is nauwelijks een psychologisch onderwerp waar Heymans niet over heeft gepubliceerd. Deze enorme produktiviteit bleef ook in het buitenland niet onopgemerkt, maar Heymans heeft eervolle 'beroepen' uit Halle, Bonn en Berlijn altijd naast zich neergelegd. "De Groninger universiteit geeft mij de gelegenheid tot ongestoorde arbeid," was zijn overweging.

Wat het werk van Heymans, terugkijkend, een bijzonder karakter geeft, is dat hij aan de ene kant altijd 'harde' methoden heeft gebruikt, met exacte, kwantitatieve experimenten en scherpe statistische toetsen, en aan de andere kant die methoden heeft toegepast op 'zachte', vluchtige onderwerpen als dromen, deja vuervaringen en paranormale fenomenen.

Deze ongebruikelijke combinatie van hard en zacht heeft van twee zijden kritiek uitgelokt. Zo vond de classicus en schrijver Aegidius Timmerman ('Tim') het maar naief van Heymans te veronderstellen dat de psychologie door "lijstjes, cijfertjes, breukjes, sommetjes, hokjes, vakjes, hoofdjes, registertjes, roostertjes" vat zou kunnen krijgen op "de vluchtige geheimen, de subtiele nuancen, de lichtloze imponderabilia, die sluimeren en deinen, opwellen en wegkwijnen, ebben en afvloeien over de grenzen van het onbewuste naar het bewuste en omgekeerd" .

Anderen verweten Heymans juist te veel te verwijlen in de ijlere delen van de menselijke psyche. Heymans zelf heeft temidden van deze verwijten altijd een zekere onverstoorbaarheid aan de dag gelegd. Hij probeerde de verschijnselen van het menselijk bewustzijn binnen het bereik van maat en getal te brengen en koos daarvoor de middelen - enquetes, experimenten, tests die hem goeddunkten.

In die eerste tien, vijftien jaar van zijn aanstelling heeft Heymans vrijwel uit het niets een wetenschappelijke psychologie opgebouwd. In 1909 werd het laboratorium in het academiegebouw gevestigd en uitgebreid met een collegezaal voor honderdtwintig personen. De experimenteerkamers in het nieuwe laboratorium, volgestouwd met apparatuur, hielden het midden tussen een machinekamer en een werkplaats. Foto's uit die tijd geven picturale steun aan de verzuchting van een van Heymans' tijdgenoten dat het beoefenen van experimentele psychologie 'meer weg had van telegrafie dan van psychologie'. Uiteraard ontleende de psychologie aan een dergelijke inventaris ook het prestige van een exacte wetenschap.

De verhuizing van het laboratorium naar het academiegebouw kwam achteraf goed uit. In 1920 moest Heymans zijn Berlagevilla verruilen voor een bescheiden huis aan het Eemskanaal, naar de overlevering wil omdat de Russische spoorwegaandelen waarin hij zijn vermogen had belegd waardeloos geworden waren. In diezelfde periode vonden ook de parapsychologische proeven plaats waarmee Heymans internationale faam zou verkrijgen.

In de zomer van 1919 gaf de Oostenrijkse 'telepaath' Rubini een reeks voorstellingen in ons land. Rubini zocht geblinddoekt op het toneel verstopte voorwerpen op, geleid door de 'gedachtenkracht' van willekeurig uit het publiek gekozen personen. Dit kunststuk berustte waarschijnlijk op 'spierlezen', het opmerken van de onwillekeurige reacties van de 'zender'. Deze voorstellingen trokken veel aandacht in de pers en leidden tot initiatieven om een wetenschappelijk genootschap voor het onderzoek van paranormale verschijnselen op te richten. Dat genootschap kwam er: de Studiever eniging voor 'Psychical Research'. Heymans kreeg het verzoek voorzitter te worden. Twee van zijn persoonlijke vrienden, de psychiater Wiersma en de sterrenkundige Kapteyn, traden ook toe tot het bestuur, waarin verder onder meer de Leidse hoogleraar in de psychiatrie Jelgersma zitting had.

In het eerste nummer van het verenigingsblad verscheen het verslag van een serie proeven die Heymans in zijn laboratorium had afgewerkt met de 23jarige student natuurkunde Abraham van Dam. Geinspireerd door de voorstellingen van Rubini had Van Dam bij wijze van spel Rubiniachtige seances gehouden en bij zichzelf telepathische gaven opgemerkt. Toen hij na de zomer zijn studie hervatte, meldde hij zich bij Heymans als proefpersoon.

Op de avond van de 25ste december (eerste kerstdag!) werden een paar veelbelovende resultaten geboekt. De zitting begon met een Rubinitest. Heymans concentreerde zich op een opdracht - een sleutelbos van de schoorsteenmantel pakken en daarmee een kistje openen dat elders in de kamer stond - en zag de geblinddoekte Van Dam de handelingen feilloos uitvoeren. Ook gecompliceerde reeksen van handelingen, zoals een stempel pakken, een doosje met het inktkussen vinden en een elders neergelegd vel papier op een speciale plaats afstempelen, voerde hij zonder problemen uit. De prestaties van Van Dam inspireerden Heymans en zijn medewerkers tot een nieuwe serie experimenten.

Deze proeven werden afgewerkt tussen mei en september 1920 en vonden plaats in twee boven elkaar gelegen vertrekken in het Psychologisch Laboratorium. In de onderste kamer stond op een grote tafel een kast van zwart bordpapier die aan drie zijden en van boven was afgesloten. Aan de voorkant van de kast hing een gordijn. De in de kast zittende proefpersoon kon zijn hand onder het gordijn door naar voren steken. Direct voor de kast lag een bord op tafel dat als een schaakbord in 6 x 8 = 48 velden was verdeeld, aangegeven met de cijfers 1 tot en met 6 en de letters A tot en met H. Van Dam zat geblinddoekt in de kast, met zijn hand onder het gordijn door boven het bord.

"Elke proef bestond nu hierin," schrijven Heymans en zijn medewerkers, "dat door de proefleider een (door het lot aangewezen) veld in het oog werd gevat, en verder getracht, in gedachten de beweging der hand van de proefpersoon op zodanige wijze te besturen, dat zij op dat veld terecht kwam. De proefpersoon hield zich zoveel mogelijk passief, voerde (zonder het bord te kunnen zien) de bewegingen uit die hem invielen, en drukte, zodra hij het gevoel kreeg op de juiste plaats te zijn aangekomen, de vinger neer."

De onderzoekers hanteerden twee condities. Bij de nabijheidsproeven stond de proefleider ongeveer een meter van de kast vandaan. Bij de afstandsproeven bevond de proefleider zich in de bovenste kamer. In de vloer tussen beide vertrekken was een rechthoekige opening aangebracht, die met twee glasplaten was afgesloten. De bovenste kamer was tijdens de proeven geheel verduisterd. Het bord lag precies onder het venster op tafel. Het onderzoeksverslag vermeldt dat het "doordringen van geluid door de beide glasplaten zozeer werd bemoeilijkt, dat men zich van de ene kamer naar de andere zelfs door luid schreeuwen niet verstaanbaar kon maken."

Het resultaat van de proeven overtrof alle verwachtingen. Bij de afstandsproeven wees Van Dam in 32 van de 80 gevallen (40 %) het juiste veld aan. De kans dat door toeval 32 maal het juiste veld aangewezen zou zijn, bedraagt volgens Heymans minder dan 'een79 quintillioenste'. Ook naar huidige maatstaven is dit een significant resultaat. Merkwaardig genoeg waren de resultaten van de nabijheidsproeven iets minder goed dan die van de afstandsproeven: Van Dam wees in 23 van de 77 gevallen (30 %) het juiste veld aan, wat voor Heymans een aanwijzing te meer was dat het gewone zintuiglijke verkeer geen rol had gespeeld.

Over het geheel genomen luidde Heymans' slotsom dat "het bestaan van gedachtenoverdracht onder omstandigheden, die het gewone verkeer door tussenkomst der zintuigen volledig uitsluiten, door deze proeven buiten alle redelijke twijfel wordt gesteld" . Telepathie gold voortaan, in de visie van Heymans, als een experimenteel aangetoond feit, een verschijnsel waarvan de authenticiteit billijkerwijze niet meer in twijfel getrokken kan worden. Hij kondigde aan de proeven met zijn medewerkers voort te zetten.

Dit nadere onderzoek heeft Heymans hoofdzakelijk laten uitwerken door zijn leerling (en latere opvolger) Brugmans. Van Dam had op die kerstavond in 1919 al gemeld dat hij zich tijdens de proefnemingen bewust was van wat hij noemde 'een toestand van passiviteit'. In de meeste gevallen kon Van Dam deze toestand naar willekeur bereiken, maar in de enkele gevallen dat het hem niet lukte, bleven positieve resultaten uit. Om de fysiologische correlaten van Van Dams psychische toestanden op te sporen sleepte Brugmans nogal wat high tech de bovenste kamer binnen, zoals een pneumograaf, een chronograaf van Jacquet, een kymograaf, twee Mareysche tambours en een spiegelgalvanometer van Hartmann en Braun.

De experimentele machinerie wees uit dat het 'psychogalvanisch phenomeen' een betrouwbare fysiologische indicatie was voor het gevoel van passiviteit. Deze maat, die nu bekend staat als de galvanic skin response (GSR), registreert veranderingen in de huidweerstand en wordt onder meer gezien als een indicatie voor de activatie van autonome reacties (zoals zweten). Van Dams toestand van passiviteit kwam overeen met een verlaagd bewustzijnsniveau, niet ongelijk aan de sluimertoestand.

Heymans en Brugmans hebben geprobeerd nog meer fysiologische correlaten op te sporen, maar werden geconfronteerd met de omstandigheid dat Van Dam gaandeweg zijn telepathische begaafdheid begon te verliezen. Brugmans meldde in 1923 dat Van Dam op dat moment al geen geschikte proefpersoon meer was. Van verder onderzoek moest worden afgezien. "De gave der telepathie schijnt een onzeker bezit," schreef Brugmans mismoedig in wat zou blijken zijn laatste publikatie over Van Dam te zijn.

De experimenten met Van Dam kregen internationale vermaardheid. Het waren de eerste parapsychologische proeven onder auspicien van universitaire onderzoekers. De poging psychofysiologische variabelen te onderzoeken, met voor die tijd zeer geavanceerde apparatuur, was een novum. De experimentele condities die Heymans in acht nam waren uitzonderlijk streng. In de geschiedschrijving van de parapsychologie is Heymans dan ook veelvuldig eer bewezen.

De telepathieproeven zijn maar een episode uit het geschakeerde onderzoekersleven van Heymans. Ze illustreren hoezeer een psycholoog rond de eeuwwisseling nog zijn eigen traject door de menselijke psyche kon uitzetten. Hij hoefde geen onderzoeksaanvragen in te dienen, geen externe geldschieters te zoeken, geen voorwaardelijke financiering te regelen. Contractonderzoek bestond nog niet en de 'ondernemende universiteit' was nog veraf. In een artikel in 'De Gids' vergeleek Heymans - opgegroeid temidden van de uitgestrekte Friese polders - de psychologie met een "veld van wetenschappelijk onderzoek dat slechts voldoende werkkrachten nodig heeft om een rijke oogst op te leveren" . Het is een mooie, agrarische metafoor, op het landelijke af, waarin het rumoer van de psychologie als partij in een markt van welzijn en geluk nog niet is doorgedrongen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden