Een kluizenaar, op zoek in Parijs

Afbeeldingen van links naar rechts: Een reconstructie van Mondriaans atelier in Parijs. De beroemde roodblauwe stoel van Gerrit Rietveld (1918) Theo van Doesburg: Compositie X Theo van Doesburg: Peinture Pure (1920). (COLLECTION LINK; CMU/ERNST MORITZ; COLLECTION CENTRE POMPIDOU )

Piet Mondriaan beleefde zijn bloeiperiode in Parijs. Daar zette hij de belangrijkste stappen naar de zwarte lijnen en primaire kleuren waarmee hij beroemd zou worden. Een tentoonstelling in het Centre Pompidou belicht zijn Parijse leven.

Het is moeilijk te geloven dat Mondriaan verf gebruikte, als je zijn Parijse atelier binnenkomt. De strak geverfde muren, de verschillende felgekleurde vierkante tapijten op de smetteloze vloer, het is precies zoals collega-kunstenaar Cesar Domela Nieuwenhuis ooit zei: „Hij woonde in een schilderij. Alles had een vaste plaats, zelfs de asbakken hoorden bij de compositie. En zijn obsessie met het vierkant ging zó ver dat hij het oprecht betreurde dat zijn grammofoonplaten rond waren.”

De foto’s van de werk- en woonruimte van de kunstenaar aan de Rue du Départ in Parijs uit 1926 dienden als uitgangspunt voor de reconstructie van een van de bekendste ateliers van de moderne kunstgeschiedenis: tussen 1922 en 1936 schilderde Mondriaan in de kleine ruimte in Montparnasse zijn bekendste werken, de composities van vlakken in primaire kleuren met zwarte lijnen.

Het atelier neemt een belangrijke plaats in op de indrukwekkende overzichtstentoonstelling van Mondriaan, de eerste in Frankrijk sinds meer dan veertig jaar.

Al gaat het niet alleen om die ene kunstenaar, ’Mondrian/De Stijl’ is een dubbeltentoonstelling in het Centre Pompidou: deels gewijd aan het oeuvre van Piet Mondriaan (1872-1944), met de nadruk op de ’Parijse periode’, daarnaast ruim aandacht voor de kunstenaars rond het tijdschrift ’De Stijl’. Samen met Theo van Doesburg, Bart van der Leck en Vilmos Huszár richtte Mondriaan in 1917 het tijdschrift op waarin de kunstenaars de ’werkelijk anderen’ hun ideeën over ’bewust abstracte’ kunst konden toelichten. Later zouden met name architecten, zoals Gerrit Rietveld en J.J.P.Oud, zich bij het Nieuwe Bouwen aansluiten. Hoogtepunten uit hun werk uit die tijd, zoals het Rietveld Schröderhuis en het Café ’De Unie’ in Rotterdam, worden uitgebreid behandeld in het tweede deel van de tentoonstelling.

Maar wat zocht Mondriaan in Parijs. Waarom moest zijn atelier – dat hij nauwelijks verliet – juist dáár staan? En wat was de invloed van de Franse hoofdstad op zijn werk? Dankzij de Moderne Kunstkring, een kunstenaarsgroep die hij in 1910 oprichtte samen met Jan Sluijters en Conrad Kickers, kwam Mondriaan in contact met Franse kunstenaars. Bij zijn eerste bezoek aan Parijs in 1911 schreef hij aan een vriend: ’Het bevalt me erg hier. Alles is groot en grandioos’. Zijn symbolistische schilderstijl kreeg duidelijk kubistische invloeden.

Na een verbroken verloving (hij bleef zijn hele leven vrijgezel) verhuisde hij begin 1912 naar Parijs, waar hij deelnam aan tentoonstellingen. Vanaf dan ondertekende hij zijn werk met ’P. Mondrian’, op z’n Frans. De serie bomen, steeds op een andere manier geabstraheerd, tonen overduidelijk de invloed van Picasso’s grijze kubistische schilderijen. In 1926 zou Mondriaan de invloed van Parijs op zijn werk van die tijd beschrijven: ’niet alleen het kubisme was van invloed, ook Parijs als stad. De grote oppervlaktes van de gebouwen, vaak gekleurd door de affiches, dirigeerden me richting de abstractie.’

Als hij voor familiebezoek in Nederland is, breekt de Eerste Wereldoorlog uit. Mondriaan wordt gedwongen in Nederland te blijven, maar houdt zijn Parijse woning aan, vastbesloten na de oorlog terug te keren.

Zijn zoektocht naar de abstractie gaat verder met de onderwerpen die in het Zeeuwse Domburg zo voorhanden zijn: zee, lucht, de pier. Enkel nog zwarte lijnen op grauw karton. In 1914 schrijft hij: ’Ik construeer op een plat vlak lijnen en kleurcombinaties met ’t doel algemeene schoonheid zoo bewust mogelijk uit te beelden. [...] ik wil de waarheid zoo dicht mogelijk benaderen en daarom alles abstraheeren tot ik kom tot het fundament der dingen. Ik vermeen dat ’t mogelijk is door horizontale en verticale lijnen, geconstrueerd bewust maar niet berekenend [...] zoonodig aangevuld door andere richtingslijnen of gebogen lijnen, desnoods, te komen is tot een kunstwerk even sterk als waar’. Ook zoekt hij naar de juiste kleuren: composities met pasteltinten, of juist grauwe kleuren, wisselen elkaar af.

In 1919 verhuist hij weer naar Parijs, en De Stijl publiceert zijn artikelen waarin hij zijn werkwijze omschrijft als ’neo-plasticisme’. Het is een term afkomstig uit de theosofie, de religieuze stroming waar hij tot het eind van zijn leven sympathie voor blijft koesteren: de abstracte kunst kan volgens Mondriaan op dezelfde manier tot de essentie doordringen als de religie zelf.

De briefwisseling met zijn uitgever over de publicatie van zijn tekst in Frankrijk, het land waar hij de volgende twintig jaar zal wonen, is haast aandoenlijk. ’Het doet me deugd dat mijn ideeën een beetje beter bekend zijn geworden dankzij de brochure. Het is namelijk noodzakelijk om een ding te kennen, om het te kunnen begrijpen.’

Of dat begrip ook daadwerkelijk is ontstaan, is moeilijk te zeggen. Opvallend: afgezien van een paar schetsen komt geen enkel werk van Mondriaan in de tentoonstelling uit een Franse collectie.

De eerste jaren in Parijs zijn moeizaam. Mondriaan beperkt zich vanaf 1923 tot de primaire kleuren, zwart, grijs en wit, in vierkante vlakken. Steeds weer opnieuw, in nieuwe composities, zoekend. Om rond te kunnen komen, schildert hij bloemstillevens.

Hij leefde erg teruggetrokken in zijn atelier, vertelt Cesar Domela in een interview dat ook op de tentoonstelling is te zien. ’Hij had weinig geld. Mondriaan was de kluizenaar in zijn cel, Van Doesburg was degene die de contacten legde. Wel ging Mondriaan graag dansen.’

Na een lange periode van onenigheid breekt Mondriaan in 1924 definitief met Van Doesburg vanwege een meningsverschil over de diagonaal: Van Doesburg wilde de theorieën ook toepassen op de architectuur, in drie dimensies, Mondriaan bleef vasthouden aan het platte vlak. De doeken die hij in het Parijse atelier maakte, schilderde hij overigens ook letterlijk plat, liggend op tafel.

Op foto’s uit die tijd staat de Nederlander tussen internationale kunstenaars; in 1924 met Hannah Höch; bij een opening van een tentoonstelling van de van oorsprong Hongaarse fotograaf André Kertész met architect Piet Zwart naast de Oostenrijkse architect Adolf Loos. In 1926 maakt dezelfde Kertész een fotoserie die zowel de fotograaf als Mondriaan bekendheid zal brengen. In ’Chez Mondrian’ wordt het atelier daadwerkelijk als kunstwerk opgevat; de twee brillen en de pijp als stilleven, het doorkijkje van de gang naar de trap als neo-plastische compositie.

Een poging tot een nieuwe beweging, ’Cercle et carré’ (cirkel en vierkant) met twee Franse kunstenaars, loopt in 1930 uit op een fiasco. Vanaf 1932 stapt Mondriaan over op de ’dubbele zwarte lijn’ – het zoeken naar de ideale vorm is nog steeds niet volbracht.

’Nederland heeft drie grote schilders voortgebracht: Rembrandt, Van Gogh, en Mondriaan’. Dat schreef Kathrin Dreier, een Amerikaanse kunstenares en mecenas, in 1926 bij de eerste tentoonstelling van Piet Mondriaan in de Verenigde Staten.

Ook tegenwoordig is Mondriaan voor de Nederlandse kunstgeschiedenis nog één van die grote drie. Opvallend is wel, dat een paar uitzonderingen daargelaten, de Nederlandse collecties het al vanaf de jaren ’20 laten afweten. Was zijn werk misschien toch te modern?

Het beeldrecht van de kunstenaar is ook nu nog in handen van een Amerikaanse trust; na een kort verblijf in Londen, vanaf 1938, vertrok Mondriaan in 1940 naar de VS. Hij zou er een nieuwe weg inslaan, op 64-jarige leeftijd: afstand doen van de zwarte lijn en de structuur van de grotere metropool als voorbeeld nemen: de straten en het geluid van New York. Daar deed hij voor het eerst volledig afstand van de zwarte lijn. De tentoonstelling in het Centre Pompidou sluit af met ’New York City 1’, uit 1941. ’Victory Boogie Woogie’, Mondriaans laatste werk, is sinds 1998 te zien in het Gemeentemuseum, in Den Haag. Hij overleed in 1944, met in zijn inboedel slechts een paar persoonlijke bezittingen, en zijn schilderspullen.

(Trouw)
(Trouw)
Afbeeldingen van links naar rechts: Een reconstructie van Mondriaans atelier in Parijs. De beroemde roodblauwe stoel van Gerrit Rietveld (1918) Theo van Doesburg: Compositie X Theo van Doesburg: Peinture Pure (1920). (COLLECTION LINK; CMU/ERNST MORITZ; COLLECTION CENTRE POMPIDOU )
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden