Een kleine familiegeschiedenis

Het uitpluizen van je stamboom kan vreemde verrassingen opleveren, merkte historica Floor Bal. Ze ging op zoek naar haar 'illustere' overgrootvader.

FLOOR BAL

Mijn oma's onbekende vader, daar begint het mee. Ik zit naast mijn oma op de bank terwijl ze breit. Het wordt een roze trui met vleermuismouwen die ik als 13-jarige brugklasser naar het schoolfeest zal dragen. Het is 1990.

Terwijl ze ladders ophaalt en sokken stopt, vult ze mijn hoofd met verhalen. Over haar kleuterjaren, in de jaren tien van de vorige eeuw. Die brengt ze door bij verschillende pleeggezinnen. Ze vertelt over de hete zolderkamer waar ze wordt opgesloten terwijl de rest van de familie een zomers wandelingetje maakt. Over het restje water met bleekmiddel dat ze daar drinkt omdat ze zo'n dorst heeft.

Haar moeder, Stien Volkers, grijpt in: mijn oma hoeft niet terug naar het pleeggezin. Ze verhuist naar de benauwde arbeiderswoning van haar grootouders in de Amsterdamse Spaarndammerbuurt.

's Nachts slaapt ze op eetkamerstoelen die tegen elkaar worden geschoven. Een strozak dient als matras. Haar moeder Stien bezoekt ze af en toe in haar gehuurde kamer in een vervallen grachtenpand. Een echte band bouwen ze nooit op, daarvoor zien ze elkaar te weinig. Stien werkt hard en veel. Een kind is duur als je maar weinig verdient.

Oma vertelt over de schrijfwedstrijd die ze op de lagere school wint, het leven in de volksbuurt en de kinderen op straat die haar 'bastaard' noemen. Ze vertelt me wat dat woord betekent.

Ik ken niemand met een ongetrouwde moeder. Oma wel. Haar moeder Stien is 22 jaar als ze zwanger blijkt. Stiens vader, een voorman in de bouw, zet haar meteen op straat. Gaat het hem om de familie-eer of wil hij gewoon geen extra mond vullen? Als naaister op een atelier kan Stien overdag niet bij haar kind zijn. Een pleeggezin dat tegen betaling voor haar dochter zorgt, lijkt de oplossing. Van de vader, Pierre Moerbeek, hoeft ze weinig te verwachten.

Als oma bij dit deel van het verhaal aankomt, neemt ze altijd haar tijd. Ze vertelt over de moeder van Pierre, die tegen een huwelijk met Stien is. Over het statige huis van de familie Moerbeek in Den Haag waar ze als tweejarige toch mag logeren. Hoe ze van Pierre, die schilderijen restaureert, leert vloeken. Het is één van de weinige keren dat ze bij hem op visite gaat. Als hij met een ander trouwt, eindigen de bezoekjes. Oma is dertien als hij, 38 jaar oud overlijdt. Moeder Stien heeft ze het jaar ervoor al begraven.

Het is een verhaal dat mijn fantasie prikkelt, ook als ik ouder word. Wie is die onbekende overgrootvader? Dat hij succesvol is en misschien rijk, maakt het extra spannend. In de bibliotheek waar ik als puber zowat woon, zoek ik zijn naam op in de kaartenbak. Zo'n belangrijk man zal toch wel een indexingang hebben? Maar bij de M van Moerbeek vind ik hem niet. Zodra het internet wordt uitgevonden, typ ik zijn naam in de zoekschermen van Ilse en Yahoo. Niets.

Oma is al negentig als ik, inmiddels student geschiedenis, in 2002 het archief in Den Haag bezoek. Een vriendelijke medewerker wijst me de weg. Wie graag klaagt over Nederlandse service moet nooit een archief bezoeken. Geduldig legt de medewerker uit dat een zoektocht naar voorouders begint met het opzoeken van de geboorte-, trouw- en overlijdensaktes uit de burgerlijke stand. In het bevolkingsregister kan ik opzoeken of mijn overgrootvader ooit in Den Haag stond ingeschreven. Ik heb geluk: Pierre leefde zo lang geleden dat ik geen gesloten archiefstukken tegenkom. Veel informatie uit de afgelopen eeuw is vanwege privacy nog niet openbaar.

Ik ben niet de enige die in het archief zoekt naar familieleden. De archieven worden bevolkt door vaste klanten, echte archiefgravers. Hobbyisten zijn het, vooral mannen, die er hun dagen doorbrengen. De ene volgt de vaderlijke lijn van zijn stamboom helemaal tot 1400. Een ander achterhaalt in twintig jaar 15.000 voorouders en hun nazaten. Samen weten deze gravers alles van de lokale geschiedenis. Elke steeg die al een eeuw is verdwenen, elke gedempte gracht, kennen ze. Ze volgen de voetstappen van hun familieleden tot honderden jaren geleden.

Meestal zijn ze vriendelijk tegen toeristen zoals ik, de gasten die het oude land slechts een dagje komen bezoeken. Misschien dromen ook zij van een uitzonderlijke voorouder.

Iemand die meer achterliet dan een verzameling letters op papier. Een familielid om trots op te zijn.

Dat valt tegen. Zeggen dat 90 procent van onze voorouders uit sloebers bestaat, is overdreven. Maar een groot deel van de Nederlandse bevolking was in de negentiende eeuw vooral arm en onopvallend. Wie moeite heeft om aardappels op de plank te krijgen, heeft geen tijd om naam te maken. Ambachtslieden, boeren en dagloners komen vaker voor dan kooplieden en lange achternamen.

De bijzondere vondsten in het archief leveren vaker schrik op dan enthousiasme. Zo stamt de hele doet-geen-vlieg-kwaad theosofische familie van een bekende af van een eenogige soldaat. Die zich bovendien aan hun betovergrootmoeder vergreep. Een kennis durft zich niet meer in de zwarte-pietendiscussie te mengen, nu ze weet dat een betbetovergrootvader flink aan de slavenhandel verdiende.

Ook mij stelt het archief teleur. Pierre Moerbeek staat nergens ingeschreven. Wel een Petrus. Petrus Jacobus Johannes Moerbeek om precies te zijn. Kunstenaar is hij niet, hij is handelsreiziger. Aan de vele verhuizingen naar sjofele adressen te zien, is hij eerder een sjacheraar. Dit kan hem toch niet zijn? Mijn illustere voorvader? Zijn gegevens schrijf ik voor de zekerheid toch maar op.

Onderweg naar huis is het station al in zicht als ik een inval krijg. Wat zijn ook alweer de voornamen van oma? Ik bel, al lopend op straat, mijn moeder. Oma heet Petronella Jacoba Johanna. Vernoemd naar haar vader. De klaploper.

Als ik oma in haar verzorgingsflat bezoek, schudt ze haar hoofd als ik over mijn ontdekkingen vertel. Ze wil niets horen. Niet over haar vader. Niet over zijn vrouw. En ook niet over het halfzusje dat ze blijkt te hebben. Voor haar is het geen spannend verhaal, maar een pijnlijk deel van haar leven.

Haar weigering verwart me. Dat haar verhaal niet klopt, is normaal. Herinneringen zijn net grammofoonplaten. Elke keer wanneer je een beeld tevoorschijn haalt, tast het daardoor aan. Er komen krassen op en vette vingers. Met mijn feiten wil ik de vlekjes van de plaat poetsen. Daar heeft ze geen zin in, blijkt.

Het is een bakvissenroman die zij, de boekenwurm, in haar jeugd van haar herkomst heeft gemaakt. Alleen maakt ze van haar vader geen prins, maar een kunstenaar. Iemand van wie ze haar tekentalent kon erven. Misschien heeft ze hem daadwerkelijk zien tekenen. Hoe betrouwbaar is het geheugen van een tweejarige? Hoeveel fantasie heeft ze aan de feiten toegevoegd?

Het is 2010 als ik verder speur. Dit keer zoek ik niet naar een kinderfantasie, maar naar het ware verhaal. Een archief hoef ik daarvoor niet te bezoeken. Hadden de beginjaren van het internet mij weinig te bieden, nu is dat anders.

De archiefgravers blijken niet alleen behulpzaam op hun eigen grondgebied: het papieren archief. Zij zijn het die beetje bij beetje de kilometers aan archiefstukken ontcijferen en digitaliseren. Veel informatie die nodig is, staat nu online. Ik haal Pierre door geneaologiesites en databases en ik speur Google af. Ik ontdek geen rijkdom, geen mooie schilderijen. Wel armoede en wanhoop. Voor het eerst voel ik medelijden met de man die mijn overgrootmoeder verliet. Zijn verhaal maakt deel uit van een grotere vertelling over het leven rond de vorige eeuwwisseling. Een ploeterend bestaan is ook de moeite van het herinneren waard.

Op haar verjaardag wordt oma omringd door kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen. Ze is zo oud nu dat ze mij aanspreekt met de naam van mijn moeder. Haar vaders naam is ze vergeten.

Waarom zou ik haar nog vertellen dat hij zelf ook een buitenechtelijk kind was? Dat de Belgische politie hem als veertienjarige vagebond van de straat plukte? Dat hij geen prins was en geen bon vivant, maar een ontheemd kind, net als zij. Ik gun haar haar eigen beeld van haar vader, van haar leven. Een nacht later overlijdt ze in haar slaap, 98 jaar oud.

undefined

Reageren?

Bent u al eens in uw familiegeschiedenis gedoken? Wat kwam u tegen aan onverwachte feiten. personen en verhalen?

Mailt u ons, in maximaal 150 woorden,

op tijdpost@trouw.nl

undefined

Het grote familieboek

Geïnspireerd door haar eigen speurtocht naar het verleden, schreef Floor Bal 'Het grote familieboek'. In dit doe-het-zelfboek beschrijft ze stap voor stap hoe je je eigen familiegeschiedenis van de afgelopen tweehonderd jaar makkelijk online kunt achterhalen.

Bal legt niet alleen uit hoe je ontdekt waar je voorouders woonden, hoe ze eruit zagen en wat hun werk was. Ook familiegeheimen komen boven water. Wie zat er in de gevangenis of had een buitenechtelijk kind? Aan de hand van vragenlijsten ga je op speurtocht door de levens van deze mensen. Zo worden de gegevens van alle 62 voorouders van de vijf voorgaande generaties verzameld.

Het grote familieboek (uitgeverij Spectrum) kost 17,50 euro.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden