EEN KIKVORS, AARDBEIEN EN LEKKENDE CONDOOMS Electric boogie, ballet, acrobatie, atletiek, aerobic, isolations, tai chi, smijten en slepen, snoekduiken

Voor het eerst sinds jaren maakt Het Nationale Ballet deel uit van het programma van het Holland Festival. De toeschouwers zullen het weten ook. Electric boogie, ballet, acrobatie, atletiek, aerobic, isolations, tai chi, smijten en slepen, snoekduiken naar de grond - vier jonge choreografen en evenzovele jonge componisten tarten hun grenzen. Eén ding is zeker: op tederheid rust een taboe. Het Jonge Choreografen & Componisten Programma is te zien in de Stadsschouwburg Amsterdam van zaterdag 25 juni tot en met maandag 27 juni (zondag ook matinee om 14 uur)

Omziend naar een verleden van een kwart eeuw dat grotendeels door de drie 'Vans' werd ingekleurd, neemt het gezelschap deze maand definitief afscheid van een van hen, Rudi van Dantzig. De man die vanaf de oprichting van Het Nationale Ballet in 1961 huischoreograaf was en tussen 1968 en 1991 ook artistiek leider, geeft zijn choreograafschap het rode licht.

Glimlachend zo te zien. Het balletgezelschap was drieëndertig jaar zijn pleisterplaats en het wekt dan ook geen verwondering dat hij zijn afscheidsballet zo noemde. Nu hij besloot met de vut te gaan, maakt hij plaats. Maar voor wie? Het beantwoorden van die nijpende vraag laat hij graag over aan zijn opvolger, Wayne Eagling. Deze moet niet alleen bepalen aan wie de estafettestok moet worden doorgegeven. Minstens even ingewikkeld is de vraag hoe dit in banen van geleidelijkheid kan geschieden.

Eagling kreeg daarbij een duwtje in de rug van Marc Jonkers, scheidend dansprogrammeur van het Holland Festival. Al jaren voor Eaglings aanstelling als artistiek leider had Jonkers er geen geheim van gemaakt dat hij Het Nationale Ballet alleen in zijn programmering wenste op te nemen als dit gezelschap in nieuw choreografisch talent wilde investeren. Na zes jaar, waarin het HNB zich aan zijn nieuwe huis aan het Waterlooplein moest aanpassen, blijkt de tijd daar eindelijk rijp voor.

Eagling deinst er niet voor terug de krachten van het gezelschap aan een zware proef te onderwerpen. Deze maand worden namelijk twee programma's met elk vier balletten gepresenteerd. Het eerste, in het Muziektheater, valt onder de seizoensprogrammering van Het Nationale Ballet zelf; het tweede, in de Amsterdamse Stadsschouwburg is een co-produktie met het Holland Festival. In de wandelgangen worden zij enigszins smalend Vut en Fit genoemd. Weten de zestig dansers die voor Vut geselecteerd werden min of meer bij voorbaat wat zij van hun choreografen Van Dantzig en Van Schayk kunnen verwachten, voor de overblijvende twintig dansers, die aan het Fit-vierluik deelnemen, gaat dat geenszins op. Met de vier geselecteerde jonge choreografen - Bruno Barat, Johan Greben, Itzik Galili en Paul Selwyn Norton - staan zij klaar voor een sprong in een balletbad, waarvan de diepte allen onbekend is. Het enige wat voor iedereen duidelijk is, is dat zij een nieuwe slag moeten én willen ontdekken.

Het experiment onder de titel 'Jonge Europese Choreografen & Componisten programma' blijkt vele haken en ogen te hebben. De festivalprogrammeur verzon namelijk een hoogst ongebruikelijk produktieproces: aan de vier talentvol geachte choreografen, van wie twee uit eigen huis komen en twee van buiten zijn aangetrokken, werden pittige voorwaarden gesteld. Barat, Greben, Galili en Norton mochten namelijk niet muziek naar eigen keuze voorstellen, maar kregen vier mede door het te begeleiden Asko-ensemble aangewezen jonge componisten toegekend. Zij moesten het, anders gezegd, aandurven om hun choreografieën op nog te schrijven composities te zetten. Van hun kant moesten Peter van Onna, Jannis Kyriakides, Micha Hamel en Justin Billinger hun muzikale licht laten schijnen op de gedachtenwereld van de jonge dansmakers. Bovendien kregen de dans & muziekmakers een gemeenschappelijk te accepteren, maar hen onbekende decor- en kostuumontwerper toegekend, namelijk de Belg Johan Creten.

De vier choregrafen, die allemaal in de jaren zestig zijn geboren en in Frankrijk (Barat), Israel (Galili), Londen (Norton) en Friesland (Greben) opgroeiden, zegden willens en wetens toe. Nu in de studio's aan het Waterlooplein het uur van de waarheid heeft geslagen, betreuren zij alle vier de hen opgedrongen procedure, overigens om uiteenlopende redenen. Met verbazing en bewondering volgde ik gedurende twee repetitiedagen de manmoedigheid waarmee zij en hun dansers zich naar hun lot schikken. Vooral Galili steekt daarbij zijn gram niet onder stoelen of banken: “Dit eens, maar nooit meer!”. Niet dat hij componist Justin Billinger niet ziet zitten, maar een abstract ballet gelijktijdig met een componist maken is niet zijn pakkie an, hoe spannend ook. Galili, een pacifist in hart en nieren die niettemin door zijn omgeving een geschikte generaal van het Israëlische leger wordt genoemd, heeft zich de laatste jaren zo roekeloos in een heilige dansoorlog met zichzelf gestort, dat hij letterlijk een schijf tussen zijn onderste ruggewervels liet wegschuiven. Grimassend van de pijn, met een elastieken corset om zijn onderlijf en een bewegingsverbod van zijn medici heft hij ogen en armen ten hemel. “I'm a cd-player, you know, but I lost my disk.” Hij lapt dus die dokters aan zijn laars. Zijn bewegingsvrijheid is hem ontnomen en met al die professionele dansers om hem heen moet deze autodidaktische dans-drijver en gedrevene door een hel gaan. Zijn choreografie is opvallend ruimtelijk opgezet en abstracter dan zijn vorige creaties, die hij ondermeer bij Reflex, Scapino en het Nederlands Dans Theater maakte.

Greben, danser bij HNB, besloot na maandenlange ergernis zijn frustraties niet meer als een contra-produktieve kracht te ervaren. Voor hem was het wel schrikken toen hij de muziek van Jannis Kyriakides, vier weken voor de première, voor het eerst hoorde. Zijn sterk op ritme en swing gebaseerde motoriek wordt nauwelijks muzikaal beantwoord en dreigt geleidelijk in een ritmische overkill verstrikt te raken. Zijn vijf dansers vallen hem in vele toonaarden bij. Clint Farha: “Schrijf maar op: KUT KUT KUT muziek!”

Bruno Barat, van de vier choreografen de meest ervaren balletdanser, blijft het rustigst, maar aan zijn toegeknepen pretogen en krullende mondhoeken is te merken dat ook hij ongelukkig is. Hij wil de te traditioneel uitgevallen muziek van Peter van Onna met een zo bizar mogelijke kostumering compenseren: zwarte rozen zullen op de veertien gespitzte ballerinabenen worden gespeld. Paul Norton en Micha Hamel hebben de deal gesloten dat alleen het metrum en de lengte van hun samenwerking vast staat. Zij voelen zich zo vertrouwd met elkaar, dat zij volledig op elkaars creativiteit wensen te vertrouwen. De zeven door Norton ingeschakelde balletdansers zijn daar heel wat minder zeker van. Zolang er nog geen muziek van Hamel is, repeteert Norton zijn thuis grondig voorbereide fragmenten op muziek van Prince en anderen. Norton gelooft in deconstructie en demontage en dat staat haaks op de condities, coördinaties en conventies van het academische ballet.

Moesten de vier nieuwkomers al bij de definitieve keuze van hun cast genoegen nemen met die dansers die overbleven nadat Van Dantzig en Van Schayk hun 'krenten uit de pap' hadden gehaald, de jongeren kregen de laatste drie repetitieweken niet meer dan twee uur repetitietijd per dag toegedeeld. Daar zijn achter gesloten deuren dan ook heel wat woorden aan vuil gemaakt. Maar ja, zo'n kans om zichzelf met dansers van Het Nationale Ballet in het Holland Festival te presenteren, die krijg je als jonge choreograaf niet elke dag aangeboden. Alle vier besloten zij dus hun angsten en bezwaren te overwinnen, hun huiswerk zo goed mogelijk te maken en in elk geval zo beslagen mogelijk naar de dansers ten ijs te komen.

De jonge gardisten in balletland worden niet alleen gedwòngen anders te piepen dan de ouderen zongen. Zij willen dat ook duidelijk. Hun passie voor en door beweging, de wens om die nimmer aflatende behoefte aan zelftransformatie met collega's te delen deden hen de neergeworpen handschoen opnemen.

Ontwerper Johan Creten had dus heel goed een handschoen kunnen aandragen als zijn bindende toneelbeeld van dit klavertje vier in het kwadraat. Hij kwam echter met een aardbei en een enorme kikker op de proppen. De beeldsymboliek is duidelijk: de rode aardbei vervangt de te voor de handliggende passievrucht of appel van de boom der kennis. Bovendien, is het danspodium niet een strawberry field for ever? De kikker is natuurlijk het sprookjesdier dat wacht op de kus van kunst. Anno 1994 hoeft de verlangde gedaanteverwisseling niet meer per se een prins te zijn.

Galili zag de beeldsymboliek niet zitten, dus opent hij de serie met een kaal toneel voor vier dansers en vier danseressen in een rubber outfit met gaten. “Lekkende condooms”, reageerden de dansers smalend. Bruno Barat volgt, met een choreografie over het oplaaien van danspassie, voor zes in hysterie ontaardende langpootdames op spitzen die door een soliste worden gemanipuleerd. Tijdens hun vuurwerk op pointes gloeit de aardbei op tot knalrood en wordt ook het toneel door rode spots in vuur en vlam gezet. Paul Norton laat vervolgens zeven dansers een heksentour uithalen in een manipulatieve, totaal onvoorspelbare aanval op fysieke conditie en coördinatie. Dansers die zijn systeem niet aankonden, leggen uit: “Het is echt te gedeconstrueerd. Hij breekt lijnen af die er niet zijn.” Nortons gevecht met gewicht, tijd en ruimte speelt zich af tussen de aardbei en de enorme kikvors van vier meter hoogte. Greben tenslotte verklaarde de aardbei als visueel aanknopingspunt overbodig. Ook hij laat zijn drie vrouwelijke en twee mannelijke dansers het sekseverschil opheffen in de meest extreme, want ambachtelijk verst doorgevoerde aanval op ballet. Een rondedans rond de kikvors.

Kortom, hier worden vier varianten van een persoonlijke, innerlijk beleden strijdbaarheid tegen de hedendaagse conventies op zo'n twintig balletdansers overgedragen. Sommigen doen aan twee programmaonderdelen mee en erkennen ruiterlijk dat de stortvloed van nieuwe informatie zo groot is, dat ze de sequenties door elkaar halen. Elk der vier dansmakers is een voorbeeld van bezetenheid: de een nog extremer dan de ander, maar allen choreograferen zoals ze zelf dansen en vervangen het klassieke en moderne balletmodel door een nieuwe, uit hun eigen dansdrift en energie voortkomende motoriek. Het gaat er allerminst lyrisch of zachtzinnig aan toe. Op tederheid rust een taboe. De twee choreografen uit de HNB-stal communiceren voornamelijk in balletjargon, aangevuld met een geheimtaal. Barat is het minst extreem in zijn schriftuur, hoewel het vuurwerk op de pointes allerminst conventioneel is. Het meest organisch, bijna animalistisch in zijn poging om de bewegingen vooral zwaar en laag bij de grond te houden gaat Greben te werk. Maar wat op zijn eigen lichaam volkomen logisch en vanzelfsprekend lijkt, is dat niet direkt voor zijn dansers, met name de meisjes onder hen. Norton hamert er voortdurend op dat het niet extreem genoeg kan. “Het hele verhaal komt neer op manipulatie van beweging en de fascinatie dat je gemanipuleerd wordt.” Zelden zag ik zoveel gefronste brauwen, wanhopige blikken en verwoede pogingen om zijn per lichaamsdeel gefragmenteerde motoriek niet alleen met het brein maar ook met benen, bekken, schouders en armen en vooral alles daartussen te vatten.

Alle vier hebben lak aan het dansverleden en laten hartstocht en hardvochtigheid, swing en adem hun voedingsbodem zijn. Opmerkelijk is dat allen de traditionele sekseverschillen in partnering of typecasting volledig opgeven. Vrouwen zijn evenzeer krachtpatsers als mannen.

Drie van de vier maken daarbij dankbaar gebruik van een assistente, die tussen hun persoonlijke motoriek en de dansers interveniëert. Galili wordt terzijde gestaan door zijn vrouw Jennifer Hannah, voormalig danseres van het Nederlands Dans Theater. Norton zou hopeloos verloren zijn zonder zijn 'vertaalster' Anne Affourtit, die als klassiek getrainde, maar in moderne dans gespecialiseerde danseres exact aanvoelt waar de missing link tussen choreograaf en zijn instrumentarium zit. Greben laat zich terzijde staan door HNB-collega Kerrie Szuch. De drie vrouwen voelen perfect hun intenties aan. Alleen Bruno Barat verkoos het om er alleen tegenaan te gaan. Voor zijn onorthodoxe spitzentechniek blijkt hij zich echter heel goed rekenschap te hebben gegeven van wat wel en niet op dit priemende schoeisel haalbaar is aan zwiepende heupen, op knappen staande enkelbanden of overbelaste knieschijven.

Hoe weinig repetities in een studio ook vertellen over het resultaat op het toneel, vast staat dat dit project geslaagd is en om een vervolg schreeuwt. In deze viervoudige excursie naar onbekend terrein wordt met hart en ziel door de nog witte plekken van de global dance-village geploegd. Alle soorten beweging uit het dagelijks leven, maar ook de bijbehorende technieken worden door de dansers geannexeerd. Electric boogie, ballet, acrobatie, atletiek, aerobic, isolations, tai chi, smijten en slepen, snoekduiken naar de grond, zelfkastijding, rollen en tollen. . . zappend in een onnavolgbaar metrum of ritme worden de kanalen van het danskabelnet afgetast. Nu eens wordt de zwaartekracht ondermijnd in een poging tot vliegen, dan weer juist met het volle gewicht aanvaard. Op kousevoeten, slappe slippers, afgetrapte spitzen worden parameters aangedragen en verkend. Zoals deze balletdansers bewegen was twintig jaar geleden ondenkbaar, zelfs in de studio's van het zo eigenzinnige Nationale Ballet. Tussen passie, transformatie, persoonlijkheid en fysieke projectie ligt een gebied waarvan de grenzen nog altijd rekbaar zijn. Panta rhei. Ook in het ballet.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden