Review

Een keurig Duits gezin

Toen Gerda Oestreicher-Laqueur als jong meisje in 1918 met haar eerste dagboek begon was ze een fel patriottisch Duits meisje, in 1938 een angstige, opgejaagde Joodse vrouw. De zojuist gepubliceerde dagboeken laten volgens sociologe Jolande Withuis dankzij de scherpe waarnemingen van een opmerkzaam en intelligent meisje zien „hoe gewone mensen tot speelbal werden van de geschiedenis”.

Morgen precies vijfenzestig jaar geleden, op 30 mei 1945, stierf Gerda Oestreicher-Laqueur in het dorpje Tröbitz aan de gevolgen van vlektyfus. Ze was negenendertig jaar oud. Negen dagen later bezweek ook haar echtgenoot Felix, 51 jaar. Zij stierven in vrijheid, dat wel. Een week voor de bevrijding waren zij weggevoerd uit het kamp Bergen Belsen, waar zij de moeder van Felix stervend hadden moeten achterlaten. In een goederentrein waren zij vanuit Belsen tien dagen lang voortgesleept tussen de uit oost en west oprukkende geallieerde legers door. Vlakbij het oostelijk gelegen Tröbitz werd de trein door de Russen gestopt en kwamen ze ten slotte vrij. Van de 2500 gevangenen in de trein waren er onderweg nog meer dan vijfhonderd gestorven.

De jonge ouders Gerda en Felix Oestreicher-Laqueur lieten drie dochtertjes achter: Beate, geboren in 1934, en de tweeling Helly en Maria, geboren in 1936. Beate en Maria hadden met hun ouders de gang via Westerbork naar Bergen Belsen gemaakt. Helly had de oorlog overleefd in de onderduik bij een Nederlandse boerenfamilie. Beate stierf in 1997. Maria overleed vorig jaar.

Deze maand verscheen onder de titel ’Gerda’s Tagebücher’, de bewerking van de dagboeken van haar moeder waaraan Maria Goudsblom-Oestreicher de laatste jaren van haar leven werkte. Het boek werd na Maria’s dood voltooid door haar zus Helly en haar man, de Amsterdamse emeritus hoogleraar sociologie Johan Goudsblom. In 2000 had Maria al een uitgave van het kampdagboek van haar vader verzorgd.

De dagboeken van het echtpaar Oestreicher-Laqueur zijn heel verschillend van karakter. Dat van Felix beslaat de jaren 1943-1945. Het zijn korte potloodnotities in een zakagenda over het kampleven in Westerbork en Bergen Belsen. Hij beschrijft hoe het weer was, wat hij te eten en te drinken had gekregen, wat voor ziektes er heersten en wie er stierven. De aantekeningen lijken bedoeld als geheugensteuntje om later uit te werken tot een verslag van zijn gevangenschap en misschien zelfs om medisch onderzoek naar de gevolgen van het kamp op te baseren.

’Gerda’s Tagebücher’ beslaan een veel langere periode. Het nu verschenen boek is samengesteld uit negen dagboeken. Met diverse onderbrekingen beschreef Gerda Laqueur haar leven vanaf de dag dat zij als twaalfjarige een mooi leeg opschrijfboek met een slotje kreeg, tot het moment dat zij en haar man zich realiseerden dat ze in de val zaten: „Wir sehen keinen Ausweg mehr vor dem Unheil. Wir können nicht mehr frei atmen.” In Westerbork en Bergen Belsen schreef Gerda niet.

Niet zonder reden draagt het boek als ondertitel: ’Een Duits-Joods-Nederlandse familiegeschiedenis’. Dat is het. Maar behalve datde dagboeken het verhaal vertellen van een Duits-Joodse familie in de eerste helft van de twintigste eeuw, geven de dagboeken ook een prachtig beeld van de politiek, de cultuur en de sociale verhoudingen in het Duitsland van na de Eerste Wereldoorlog én van vooroorlogs Nederland. Wereldgeschiedenis van binnenuit, die laat zien hoe gewone mensen tot speelbal werden van die geschiedenis.

In Nederland spreken wij simpelweg over ’de oorlog’. De Tweede Wereldoorlog was nu eenmaal onze enige oorlog op eigen grondgebied sedert meer dan een eeuw, en de enige oorlog ook die in meer of mindere mate de hele bevolking trof. Elders ligt dat anders.

Als de kleine Gerda haar dagboek begint, op 16 oktober 1918, verblijft haar vader Ernst Laqueur in België. Hij heeft zich meteen bij het begin van de Eerste Wereldoorlog gemeld bij het Duitse leger en werkt als arts-farmacoloog aan de door de Duitsers bezette universiteit van Gent. Zijn gezin is achtergebleven in het Silezische stadje Brieg, dat toen in Pruisen lag en nu Pools is.

De eerste zin van Gerda’s dagboek luidt: „Vierde oorlogsjaar! Nog geen uitzicht op vrede!” Dat het gezin Laqueur van afkomst Joods is, maakt voor hun patriottische gevoelens niet uit. Zij voelen zich geheel en al Duits, meldden zich in 1906 als lid van de Evangelische Kirche en lieten hun kinderen Evangelisch dopen. ’Joods’ is bijna gereduceerd tot een kwestie van uiterlijk. Soms maakt Gerda in haar dagboek een tekeningetje van iemand die er volgens haar ’Joods’ uitziet.

Behalve om vader Ernst heerst in het gezin bezorgdheid om de Spaanse griep die overal om zich heen grijpt en uiteindelijk over de wereld meer slachtoffers zal vergen dan de Eerste Wereldoorlog. Onder het motto ’liever dom dan dood’, houdt Gerda’s moeder de kinderen thuis van school. Dom worden ze daar overigens niet van. De opvoeding van de kinderen is, overeenkomstig de burgerlijke waarden van die tijd, sterk gericht op hun intellectuele en culturele ontwikkeling. Met Kerst 1919 krijgt de dertienjarige Gerda een biografie van de grote Duitse schrijver Friedrich Schiller. Het motto voor haar dagboek ontleende ze aan Goethe: ’Edel sei der Mensch, hilfreich und gut!’ De kinderen lezen, tekenen, spelen toneel, maken muziek, zingen, dansen, tennissen en gaan naar de wintersport.

Gerda is een gevoelig en opmerkzaam, intelligent meisje, dat tot haar ellende in gezelschap vaak wordt overvallen door een verlammende verlegenheid. In haar dagboek schrijft ze over haar verlangen naar een hartsvriendin, school, de geboorte van haar zusjes Renate en Liselotte, de wederwaardigheden van haar jongere broertjes ’Heinzele’ en ’Peterle’, concert- en operabezoek, de talrijke visites van familieleden en notabele kennissen, haar eerste hoedje, de fabriek van opa, het werk van Vati, en over de maaltijden die de kokkin bereidt met kerst, een feest dat door de familie uitgebreid wordt gevierd. Het dagboek roept de sfeer op van een welvarend, gelukkig en actief gezin.

Gerda’s aantekeningen logenstraffen het cliché dat pubermeisjes louter geïnteresseerd zijn in een beperkt wereldje van familie, vriendjes en vriendinnen, en dat zij geen belangstelling koesteren voor de buitenwereld en in het bijzonder de politiek. Gerda houdt dat juist allemaal goed bij. Als het in november dan eindelijk vrede is, ziet ze dat er auto’s door de straten rijden die rode vlaggen uitsteken. „Bijna alle soldaten dragen een rode band om hun arm”, noteert ze; er wordt in Brieg zelfs een ’soldatenraad’ gevormd.

Duitsland leek na de Vrede van Versailles aan de vooravond te staan van een sociale revolutie. Zoals we recentelijk ook konden lezen in Annejet van der Zijls biografie van prins Bernhard en in Wibke Brühns familiegeschiedenis ’Het land van mijn vader’, kwam er in 1918 een einde aan de macht en de rijkdom van de Duitse adel. Het feodale stelsel stortte in. Volgens Gerda’s oma „vallen de koningen zoals rijpe pruimen uit de bomen”. Gerda bevestigt dat „ongeveer alle koningen zijn afgezet of afgedankt”.

Die sociale ontwrichting leidt onder de bevolking tot onzekerheid en woede. Er wordt op grote schaal gestaakt, ook bij de fabriek van Wilhelm Löwenthal, Gerda’s grootvader van moederskant.

Ondertussen is haar vader Ernst Laqueur tot hoogleraar benoemd in Amsterdam. Het gezin vindt een huis aan de Middenweg. Gerda blijft bij haar grootouders in Brieg om haar school af te maken, maar geniet van de vakanties die ze doorbrengt in Amsterdam. Nederland is voor haar luilekkerland dat leeft op chocola en slagroom. Ze bezoekt Marken en het tsaar-Peterhuis, is verrukt van het Amsterdamse IJ met zijn hoge kranen en drukke scheepvaart, en kan in het Rijksmuseum geen genoeg krijgen van Rembrandt en Terborch. Maar ze noteert ook dat een lunch drie gulden vijftig kost per persoon, wat wil zeggen: 800 mark. De inflatie van de Duitse mark baart haar zorgen.

In april 1922 verhuist ook Gerda. Ze zet haar schoolopleiding voort in Amsterdam op de Handels-hbs aan het Raamplein, houdt vakanties aan zee en gaat aan de universiteit van Groningen Duits studeren. Haar vader doet ondertussen goede zaken als directeur van het farmaceutische bedrijf Organon. De firma verwerft wereldfaam doordat het lukt het hormoon insuline te produceren, waardoor suikerziekte behandelbaar wordt. Het gezin slaagt er goed in zich in Holland nieuwe vrienden te verwerven. Veel vrienden zijn net als zijzelf afkomstig uit de geassimileerde, niet meer religieuze Joodse betere stand.

In november 1929 eindigt – voorlopig – Gerda’s dagboek. Ze trouwt kort daarop met de wat oudere Felix Oestreicher die ze heeft leren kennen via het werk van haar vader. Het paar vestigt zich in het Tjechische Karlsbad, waar hij al werkte als arts en waar de drie meisjes Beate, Helly en Maria worden geboren. In haar dagboeken schreef Gerda dat haar verlegenheid haar eenzaam maakte. Wellicht werd ze door haar huwelijk en haar kinderen minder eenzaam en verdween daardoor haar behoefte aan schrijven. In elk geval vallen haar negen jaar zwijgen samen met negen jaar geluk.

Het moment dat Gerda de pen weer oppakt is veelzeggend. Vertellen de eerste dagboeken ons over het Duitsland tijdens en na de Eerste Wereldoorlog door de ogen van een patriottisch meisje in een veilige, zelfbewuste omgeving, de latere aantekeningen verhalen van de jodenvervolging door de ogen van een angstige Joodse vrouw en moeder.

Gerda Laqueur herneemt haar dagboek als Gerda Oestreicher-Laqueur op 31 januari 1938. Haar man is net naar Engeland vertrokken – voor zijn werk maar vooral om te proberen een inreisvisum te veroveren voor zijn gezin. Ze voelt zich alleen. De situatie in de wereld is dreigend. Joden verlaten het land. Er vallen ’diepe schaduwen over hun geluk’: in buurland Oostenrijk wordt Seyss Inquart minister en krijgen alle nazi’s amnestie; in maart annexeert Duitsland het land. De vrees dat Duitsland ook Tsjechoslowakije zal binnenvallen, bezorgt Gerda slapeloze nachten. En met recht. Op 27 april, drie dagen nadat de regionale Gauleiter heeft geëist dat in Sudetenland de naziwetten worden ingevoerd, vertrekken Gerda en Felix met hun drie dochtertjes halsoverkop, zonder afscheid te nemen, uit Karlsbad. Naar het vertrouwde Nederland, waar ze een huis vinden in Leiden.

Van Duits naar Joods – het is een identiteitsverandering die Gerda niet heeft gekozen, maar die door Hitlers politiek over haar is gekomen. De Neurenberger rassenwetten van 1935 maakten dat mannen als haar vader en haar man, die in 1914 vanuit vaderlandsliefde dienst namen in het Duitse (en in het geval van Felix: Oostenrijkse) leger, gingen behoren tot een van zijn burgerrechten beroofde bevolkingsgroep die binnen enkele jaren door diezelfde legers zou worden vervolgd en vermoord.

Het verschil met het dagboek van twintig jaar eerder is dramatisch. De dertienjarige Gerda schreef woedend over het ’dictaat’ van Versailles. Ze leed om haar ’arme, geknechte vaderland’ en meldde: ’Het volk schreeuwt om wraak’, omdat het een vernederende vrede kreeg opgelegd. Twee jaar later voelde ze zich intens betrokken bij een volksstemming over de toekomst van Silezië. Zo woedend is ze als de ijzer- en steenkoolindustrie door de Volkerenbond aan Polen worden toegewezen, dat ze nu ook zelf de hoop uitspreekt dat de komende geslachten deze misdaad tegen de Duitsers zullen wreken.

Toen haar dochter Maria zeventig jaar later Gerda’s dagboeken bewerkte, liepen de koude rillingen haar bij deze passages over de rug, omdat zij ten volle wist welke gevolgen dit verlangen naar wraak voor had gehad.

Hoe anders dan in 1920 ervoer Gerda de wereld in 1938. Weliswaar kan een concert van Toscanini op de radio haar zorgen nog steeds voor een uurtje verdrijven, die zorgen keren met verdubbelde kracht weer als haar vader bij terugkomst uit Amerika meldt dat immigranten het ook daar bijzonder moeilijk hebben. Uit hun nagelaten papieren blijkt dat Felix en Gerda zich enorm hebben ingespannen om uit Nederland weg te komen. Vergeefs. Afwijzing volgt op afwijzing.

Eind september levert Chamberlain delen van Tsjechoslowakije uit aan nazi-Duitsland. Nu zijn, schrijft Gerda wanhopig, de Tsjechoslowaken en alle democratisch denkende mensen verraden. „Wat nu komt, elke nieuwe aanval van het fascisme zal een gevolg zijn van dit eerste toegeven en daarover hoeft niemand zich meer te verbazen. Hitler heeft niet alleen gewonnen, hij heeft de machtigste staten vernederd, elk fatsoenlijk mens voelt zich verraden.”

In november 1938 volgt de Kristallnacht. Geschokt constateert Gerda dat buitenlandse regeringen zelfs nu nog niets tegen Hitler ondernemen, al laat Nederland enkele duizenden extra vluchtelingen toe. Aan haar gelukkige leven in Karlsbad denkt ze maar liever niet terug: „denn das alles schmerzt wie eine Wundflüche”. Hoe het hun vrienden daar vergaat, weten ze niet. Familieleden in Berlijn leven in doodsangst. Maar ook Nederland is niet meer het paradijs van vroeger. In 1921 werden ze als buitenlandse bezoekers hoffelijk bejegend. Nu zijn ze vluchtelingen, ’ongewenschte vreemdelingen’: „Een vreemdeling zijn is net zo een bedrukkende last als Jood te zijn.”

Op 10 mei 1940 hoort de kleine Maria samen met haar moeder Gerda in een groentewinkel het bericht van de Duitse inval. Felix wordt als Duitser korte tijd geïnterneerd. Er volgen diverse verhuizingen. Van Leiden naar Katwijk, van Katwijk naar Blaricum, van Blaricum naar Amsterdam. Dankzij de invloed van vader Ernst Laqueur wordt het gezin Oestreicher betrekkelijk lang ongemoeid gelaten. Maar op 1 november 1943 worden zij alsnog uit hun huis gehaald. In Westerbork begint Felix in een oude zakagenda aantekeningen te maken. Blijkens zijn laatste notitie daar stompte hij in gevangenschap meer af dan hij had gehoopt. Op 15 maart 1944 volgt deportatie naar Bergen Belsen. Op 21 mei 1945 noteert Felix in Tröbitz dat Gerda koorts heeft. Op 22 mei volgt zijn laatste aantekening: haar toestand is verslechterd. De afloop kennen we.

Gerda’s zusjes Renate en Liselotte emigreerden na de oorlog naar de Verenigde Staten. Haar drie dochtertjes groeiden verder op in Nederland en brachten daar ook hun volwassen leven door. De papieren van hun ouders lieten zij een halve eeuw onaangeroerd. Met elkaar spraken de zusjes Beate en Maria, die nu allebei zijn overleden, zelden over hun oorlogservaringen.

Pas in 1994, toen haar eigen kinderen al het huis uit waren, vatte Maria de moed om haar vaders aantekeningen te ontcijferen. In 2001, een jaar na de publicatie van haar vaders dagboek, bracht ze voor het eerst na de oorlog een bezoek aan het voormalige kamp Bergen Belsen.

Met de uitgave van deze twee boeken heeft Maria Goudsblom-Oestreicher een indringend papieren monument opgericht voor haar vermoorde ouders. Zes miljoen Joden werden door de nazi’s vermoord. Dagboeken als deze herinneren ons eraan dat dat getal betekent: zes miljoen maal één mens zoals Gerda Laqueur. Een vrouw die hield van haar man, haar kinderen en haar familie; die genoot van muziek, schilderkunst en de natuur; die zich als meisje had gelaafd aan de Duitse literatuur en op school met verve had betoogd dat het leren van la Marseillaise voor het schoolvak Frans haar geen minder patriottische Duitse maakte. Een jonge vrouw die net voor haar dood nog nieuwe jurkjes naaide voor de drie meisjes die als wees zouden achterblijven.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden