Column

Een kaarsje voor de zonden van het monisme

Jelle Zijlstra luistert aandachtig naar een toespraak van Lubbers in de Eerste Kamer. Beeld anp
Jelle Zijlstra luistert aandachtig naar een toespraak van Lubbers in de Eerste Kamer.Beeld anp

Leefde Jelle Zijlstra nog maar, dan kon hij de huidige generatie politici, voorop de liberaal Van der Steur, wiens staatkundige bril het meest is beslagen, een lesje in dualisme leren. Zijlstra was minister in de jaren vijftig en premier in de jaren zestig. In die dagen bestond er nog een gezonde afstand tussen kabinet en Kamer die de zelfstandigheid en onderscheiden verantwoordelijkheden van deze staatsorganen beklemtoonde.

Enkele decennia later terugblikkend zei Zijlstra: 'Het rumoer van het Binnenhof drong slechts gedempt tot de vergaderzaal van de ministerraad door. Kamerleden zag je, behalve in het parlement dan, zelden of nooit. We konden in alle rust en vanuit de eigen opvattingen beleid ontwikkelen, niet gehinderd door de waan van de dag'.

Coalitie versus oppositie
Zet dat beeld eens af tegen een politieke cultuur, waarin een coalitie regeert die het onderscheid tussen een minister en Kamerlid nauwelijks nog ziet. Het gematigd dualisme, schreef ik vorige week, heeft plaats gemaakt voor een onversneden monisme: coalitie versus oppositie in plaats van Kamer versus kabinet.

De werkelijkheid zit uiteraard iets ingewikkelder in elkaar. Niet alleen nu, ook toen. Zijlstra stelde de politieke praktijk tijdens zijn ministerschappen zonder twijfel te rozig voor. Want wat zei een de machtigste politicus uit die dagen, KVP-leider Romme, in 1956 ter verdediging van een lange kabinetsformatie? Dat de Kamer als 'hoeder van de volksovertuiging' is gehouden voor de aanvang van de rit invloed uit te oefenen op program en samenstelling van het kabinet.

Hij voegde er nog wat aan toe: Laat de Kamer die mogelijkheid ongebruikt, dan is dat verzuim tijdens de rit niet meer in te halen. Aldus schetste hij een gemengd beeld, waarin de coalitie de richting van het beleid vaststelde, maar enige ruimte incalculeerde voor het kabinet.

Gematigd monisme
Dat Zijlstra het, in de jaren tachtig terugkijkend, wat mooier voorstelde, was begrijpelijk. Het was de regeerperiode-Lubbers (1982-1994), waarin het lange en gedetailleerde regeerakkoord opgang maakte en het Torentjes-overleg zijn intrede deed. Het gematigde dualisme maakte aldus plaats voor een gematigd monisme, dat iets meer garantie leek te bieden voor stabiel bestuur, noodzakelijk om de economische crisis te bestrijden.

Maar toen de crisis eenmaal over was, bleef de gegroeide praktijk bestaan, inclusief de beproefde hulpmiddelen als de binnenkamer, in oppositietaal: de achterkamertjes. Daardoor kon de mythe van het dualistisch walhalla in de jaren vijftig groeien en als vanzelf een tegenhanger ontstaan in het beruchte Torentjes-overleg. Maar zo gek veel is er niet veranderd in het wezen van de regeerpraktijk. Wel drastisch gewijzigd is de politieke situatie, waardoor de betrekkelijke ontspannenheid die Zijlstra schetste is getransformeerd in verkramptheid en een afnemend staatkundig zondebesef.

De belangrijkste veranderingen zijn het terreinverlies van de volkspartijen en de opkomst van populistische bewegingen. Drees (als premier) en Romme (als fractieleider in de Kamer) beschikten zestig jaar terug over ruimere marges, omdat zij op een vaste aanhang konden rekenen. In dezelfde rolverdeling opererend als hun verre voorgangers kunnen Rutte en Samsom dat niet, waardoor hun marges smaller dan smal zijn.

Populisme
Bovendien worden zij geconfronteerd met een populisme, dat zich niet alleen richt tegen het kabinetsbeleid, maar ook tegen ons democratisch bestel als zodanig. In dat licht krijgt het strategische doel van dit kabinet meer betekenis dan alleen herstel van de politieke stabiliteit. Tegelijk drukt het regeerakkoord in hetzelfde perspectief niet zozeer het 'gestolde wantrouwen' uit, zoals in de dagen van Lubbers, Kok en Balkenende, als wel een sterke gezamenlijke politieke wil de klus te klaren en de rit vol te maken.

Het duo Rutte-Samsom vertoont in dat opzicht gelijkenis met het duo Drees-Romme: zij zijn in moeilijke tijden op elkaar aangewezen. Een overeenkomst zit er ook in de coalitie. Achteraf lijkt het vanzelfsprekend, maar het was eind jaren veertig voor het eerst dat een coalitie het licht zag waarvan katholieken en sociaal-democraten de kern vormden. Die samenwerking kreeg de naam 'Nieuw Bestand', dat het twaalf jaar volhield, een zeldzaamheid in de Nederlandse politiek.

De huidige coalitie tussen VVD en PvdA is niet helemaal nieuw, maar heeft door haar ontstaansgeschiedenis en oogmerk een ander karakter dan de paarse coalities in de jaren negentig. Rutte II is, ondanks alle weerstanden, ook beter dan de kabinetten-Balkenende bestand gebleken tegen de turbulentie der tijden. Ik ben niet plotseling van dualist monist geworden, maar nu de politiek commentator van deze krant blijkens zijn column van afgelopen woensdag van zijn monistische geloof is gevallen, moet er toch iemand bij Trouw zijn die voor de zonden van het monisme enig begrip toont.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden