Een jaarlang literaire nieuwelingen

Debutanten, literaire nieuwelingen, zijn als spermatozoïden; je hebt er een heleboel van nodig voordat er een vrucht draagt. Maar je kunt natuurlijk proberen voor te dringen en misschien lukt dat beter als je een groepje vormt. Zo is het de laatste twee jaar in de jongste regionen van de Nederlandse literatuur gegaan, de 'discussie' werd vooral gevoerd door partijtjes. Iedereen die de nieuwelingen bijhoudt kent dan ook namen als 'Nix', 'Zoetermeer', 'MilleniuM'.

Niet altijd is het zo dat zich zulke groepjes aftekenen. In de tijd dat ik zelf debuteerde, eind jaren zeventig, was er van actieve groepsvorming onder jongeren geen sprake. Misschien was het een individualistischer tijdperk en in ieder geval was het voor debutanten eerder zaak om door de gevestigde garde geaccepteerd te worden dan om zichzelf als nieuwe generatie of iets dergelijks te profileren.

Door die groepsvorming van de laatste tijd lijkt het of het landschap opgedeeld is in kampen. Maar dat is niet zo. De meeste jonge schrijvers hebben met namen als 'Zoetermeer' en 'MillenniuM' niks te maken. Wie naar de oogst novieten van 1995 kijkt komt vooral namen tegen die nergens mee zijn te verbinden: Wim Chielens, Pierre Plateau, Bert Wagendorp, Didi de Paris, Nanne Tepper, Durk Wille, Russell Artus, Ingrid Verhelst, Jeroen Olyslaegers, Manon Uphoff. Het is maar een willekeurige greep. De gemiddelde lezer zal er wellicht weinig van onder ogen krijgen, wat niet wil zeggen dat hier niet de geslaagde spermatozoïde tussen zou kunnen zitten. Elk jaar grossiert nu eenmaal in massa's nieuwelingen, waarvan een groot deel na de start weer dooft.

Er wordt de laatste tijd wel geklaagd over het weinig kritische uitgavebeleid van veel uitgevers die allerlei debutanten te snel in het diepe zouden gooien, om te zien wat ervan komt. Wat vroeger in literaire tijdschriften langzaam gevormd en uitgeprobeerd werd, wordt nu maar direct op de markt gebracht, is het verhaal. Gevolg, een wildgroei aan meestal vermeende talenten. Ik geloof dat niet zo - er zou eens een kwantitatief onderzoek naar moeten worden gedaan. Dan zou wellicht blijken dat er al decennialang overvloedig gedebuteerd wordt. Misschien wordt het huidige gevoel van overdaad wel veeleer gestimuleerd door de enorme toename aan literaire prijzen en debuutprijzen, waardoor een groot aantal kritici en juryleden opeens lijfelijk ervaart wat er allemaal wordt uitgegeven.

Het lijdt geen twijfel dat vooral groepjes momenteel voor een belangrijk deel het aanzien van de jongste literatuur bepalen. Niet tot tevredenheid van de literaire kritiek, krijg ik de indruk. Er tekent zich een klassieke tegenstelling af tussen de gevestigde besprekers en de nieuwe gezichten in de literatuur. Dat is niet alleen en zelfs niet voornamelijk een literair probleem maar vooral ook een sociologische probleem. Veertigers en vijftigers begrijpen niet waar al die twintigers en dertigers het over hebben, ze verstaan het niet. Zoals ze niet van 'house'-muziek en 'zappen' houden, zo willen ze ook niet aan de nieuwste literatuur, omdat die hun literaire ideeën omver lijken te willen duwen.

Ik bespeur dat gevoel sterk bij mijzelf, zij het dat er bij mij niet zozeer sprake is van afkeer van veel van die debutanten alswel desinteresse in hun thema's en stijlen. 't Is niet mooi van me, ik weet het, maar er valt ook weinig aan te doen. Anderzijds moet de literaire kritiek een oekumenisch karakter hebben, vind ik; en ondanks een gebrek aan affiniteit moet ze toch aandacht weten op te brengen voor dat wat wellicht aan het begin van iets staat. Het is altijd goed om te bedenken dat Simon Vestdijk en A.F.Th. van der Heijden ook een eerste boek schreven.

Vooral de groep rond het tijdschrift 'Zoetermeer', schrijvers die een tijdje geleden door een literair journalist van De Groene onder de verzamelnaam 'Nix' werden gerubriceerd ('bename' en ordnen geeft mensen vrede', wist Henriëtte Roland Holst al) en die zich vervolgens schielijk aan die nihilistische naam poogden te onttrekken, roept controverses op. Enerzijds is duidelijk dat ze kunnen rekenen op de sympathie van veel lezende leeftijdgenoten (zo merk ik bijvoorbeeld onder mijn studenten), anderzijds vinden veel kritici hun werk zo plat als een dubbeltje, getuigen van een visieloos realisme.

De bekendste naam hier is die van Ronald Giphart, die alweer enige tijd behalve de literaire ook de kritische belangen behartigt (en ook verder, in de geest van zijn werk, een uitnemend bespeler van mediabelangstelling blijkt), in die zin dat hij zijn bentgenoten hoogprijst en de meeste tegenstanders diskwalificeert. Het werk van Giphart en zijn geestverwanten lijkt in sommige opzichten op een frontale aanval op alles wat naar de voormalige goede smaak riekt. Onder toeziend oog van Godfather Joost Zwagerman (die zichzelf intussen tot een vruchtbaar, min of meer traditioneel romanschrijver heeft ontwikkeld, maar wiens voormalige afwijzende kijk op de vorige generatie van hermetici en stilstaanders toch heel wat overhoop heeft gehaald) is de wereld van de snackbar, MTV en snelle seks de literatuur binnengehaald.

Ik moet als ik de boeken van Giphart zelf, Rob van Erkelens, Joris Moens, Paul Mennes of Arjen Witte lees, steeds denken aan het gedicht 'Sunny Prestatyn' van de Engelse dichter Philip Larkin, waarin het mooie postermeisje tegen een achtergrond van strand en palmen algauw overwoekerd raakt door het volgende commentaar:

'Een week of wat en haar gezicht had zwarte tanden, schele ogen; enorme tieten, een gespleten kruis kwamen erbij; door het gekras tussen haar benen leek het wel als zat zij schrijlings op een bonkig klok-en-hamerspel.

Was gesigneerd Jan Lul.'

Misschien ligt het voor de hand te veronderstellen dat het Larkin spijt dat het zo loopt, maar persoonlijk moet ik ook altijd om zulke snorren, brillen, borsten en pikken lachen; het is kennelijk een menselijke universale om iets wat mooi bedoeld is te bekladden. De schrijvers rond 'Zoetermeer' leveren een soort literatuur die met oude normen keet. Er wordt in gekankerd, gesnoven, geneukt, rondgehangen en op 'sufbubbels' neergekeken dat het een aard heeft en zonder dat je ook maar iets van hogere ideeën ontwaart.

Tegelijkertijd is het een vorm van snackbar-realisme die door generatiegenoten kennelijk herkend wordt; het is de literatuur van een generatie voor wie de archimedische punten computerspelletjes en 'house' zijn. Daarop neer te kijken, met de gedachte dat men veertig jaar geleden nog debuteerde met boeken over innerlijke kweestes (Cees Nooteboom) of als jongeling in een kwartetje speelde (Henk Romijn Meijer) getuigt van culturele arrogantie (waarmee ik niet wil zeggen dat die niet geoorloofd of zelfs vruchtbaar zou zijn). Deze schrijvers hebben in hun jeugd niet naar Mahler of zelfs The Eagles geluisterd maar naar 'The young ones' gekeken.

Het debuut van Arjen Witte, 'Rode zeep' is zo'n uiting van schijnbaar hyper-realisme. Rondhangen in Utrecht, vrijen tussen de vuile naalden, bezoekjes in illusieloze nieuwbouwwijken, het is er allemaal in een stijl die nadrukkelijk niets van zogeheten hogere literatuur moet hebben: 'Donderstraal jij nou gauw even op,' zei ze. Een knal deed de deur dicht die daarna vergrendeld werd. Coens begon verschrikkelijk te roepen en verschrikkelijk te vloeken met veel ge-'teef', en tegen de deur te schoppen. Toen ging hij aan de bel hangen en ik trok hem naar de auto toe.'

In ieder geval worden er weinig literaire illusies gewekt, de verhalen zijn vaak niet eens grappig, en op een hogere manier is dat misschien wel waar het in deze boeken om draait, de burgerlijk-artistieke leesverwachtingen wordt met harde hand de nek omgedraaid. Je kunt ook zeggen, ze zijn niet voor de ouders bedoeld.

Joris Moens, die met 'Zondagskind' zijn debuut 'Bor' een voortzetting gaf, is arts. Maar wie daar iets traditioneels bij verwacht komt bedrogen uit. Zijn literaire alter ego, die tijdens een weekenddienst een moeilijke stuitbevalling moet doen, heeft niets van de hoofdfiguren uit modale doktersromans (in de jaren zeventig nog ironisch te kijk gezet door Peter Andriesse in 'Zuster Belinda'- maar in de jaren negentig lijkt ook de ironie geen succesvol stijlmiddel meer). Deze denkt 'kom op, trut, persen!', vraagt zich af hoe het is om het 'met een hoofddoek' (= een allochtoon) te doen en beziet een toiletpot als 'een porseleinen kut'. Het doet wat aan Céline denken, die woordenrijke afgod van alle literaire dissidenten.

Voor de Vlaming Paul Mennes was het dit jaar een eersteling, 'Soap'. Een overmaat aan 'O fuck', en smakeloos grapjes als 'tante Treblinka', want ze rookt als een schoorsteen. Veel Engels trouwens in deze boeken: 'Er is een kortere weg, maar dan moet ik door het shopping center en na negen uur is dat wel behoorlijk creepy. Dan krioelt het er van de dealers, de skate-mutanten en andere weirdo's.'

Wie overigens meent dat deze schrijvers hun eigen wereld precies in kaart brengen zou zich wel eens lelijk kunnen vergissen. Het lijkt me eerder de wereld die ze van televisie en muziek-clipjes kennen, een overdosis New York in Vlaanderen en Utrecht. Het is als met Menno ter Braak die het Amerika van Sinclair Lewis in diens roman 'Main Street' voor een getrouwe weergave hield, terwijl de auteur meer een karikatuur bedoelde. Wat ik wil zeggen is dat er in dit schijnbaar 'smakeloze', hyperrealistische proza meer fictie en droom schuilgaat dan je soms zou denken.

Natuurlijk heeft 'Zoetermeer' geen monopolie op hedendaagse literatuur. Uit de hoek van uitgeverij De Arbeiderspers heeft zich een groepje losgemaakt, dat er tegen tekeergaat. In het aprilnummer van het tijdschrift Maatstaf werd de ruzie in de literaire kippenren gepubliceerd. De voornaamste woordvoerders, Arie Storm, die vorig jaar met 'Hémans duik' debuteerde en Hans Dekkers van 'Begrafenis van de sardine', krijgen alle kans om van zich af te bijten en Giphart c.s. vanwege literair nihilisme te kapittelen. Dat is op zichzelf al opvallend, de ruimte die er voor een 'controverse' als deze beschikbaar is.

Gepubliceerd ziet zo'n literair kroeggesprek er alsvolgt uit. Giphart in Het Parool: 'Zo presenteert De Arbeiderspers de laatste tijd haar overbodige wanhoopsdebuutjes (met als absoluut dieptepunt het onbeschrijflijk gammele would-be-geflodder van de mislukte intellectualo Arie Storm)', waarop Storm in Maatstaf over Giphart en de zijnen: 'wat ze produceren is grijze-muizenproza voor mavoscholieren die minstens twee maal zijn blijven zitten.' Geen polemiek waarvan de gearriveerde letterkundigen wakker zullen liggen.

Dat het over een fundamenteel verschil in letterkundige opvattingen gaat wordt intussen toch wel duidelijk. Storm en Dekkers vergelijken het Zoetermeer-proza met de realistische 'Welle' uit de jaren zeventig en ze verwijten de tegenstanders in feite gebrek aan fictioneel vermogen, 'literaire' aspiraties. Misschien is die kritiek juist, maar de kwaliteit van de argumentatie wekt geen vertrouwen en de beste reactie, namelijk zelf veel betere boeken schrijven, daarvan is het ook nog niet helemaal gekomen. VERVOLG OP PAGINA 21

Snackbar-realisme VERVOLG VAN PAGINA 15

Iets anders ligt het in het tijdschrift MillenniuM, waarvan de voornaamste woordvoerder, Serge van Duijnhoven, dit jaar maar liefst met twee prozawerken kwam. Ook hij verwijst, in een inleiding bij een nieuwe poëzie-anthologie van generatiegenoten 'Aan iedere spijker een regel', naar de rol van Zwagerman aan het eind van de jaren tachtig. Maar dit is dan toch literatuur in een wat traditioneler jasje. De verhalen in 'De overkant en het geluk' zijn zonder de invloed van Jack Kerouac niet goed denkbaar, maar in 'Dichters dansen niet' beweegt de hoofdpersoon zich, evenals Giphart in nogal wat van zijn boeken, als aankomend schrijver in de verstarde literaire wereld. Ik kom er zelf in vrij doorzichtige vermomming in voor, vandaar dat ik het met speciale belangstelling las, en hoewel het betreffende hoofdstuk voorzover ik mij kan herinneren grotendeels met de eraan ten grondslag liggende werkelijkheid correspondeert, kan men momenten eruit ook rustig als karakteristieke literaire ijkpunten beschouwen.

Een in kennelijke staat verkerende oudere auteur spreekt de jonge schrijver toe: 'En daar kom jij nou aan, met je kapsones. Waarom kkkun je nnou niet gewoon je eigen ppplaats kenne, nederigheid tonen, gewoon. (...) En jij, jij bent een nul. Een absolute nul. je komt net kijken man. wat kun jij nou, man. niks. Je kunt toch niks, man. Hou je commentaar dan ook voor je, Bbblaaskaak.' Het literaire generatieconflict gereduceerd tot z'n banale kern.

Misschien ligt het wat te veel voor de hand om de grootste talenten te verwachten buiten deze kringen van elkaar en de literaire grootmachten bestrijdende nieuwelingen. Het beste debuut van 1995 was mijns inziens 'Zonder wijzers' van Russell Artus, dat ik hier twee maanden geleden besprak. 'Zonder wijzers' ligt inderdaad ver weg van de in de media uitgevochten discussies en toont een schrijver die niet alleen kan vertellen maar vooral ook over fictioneel en structurerend vermogen beschikt, zonder dat zijn verhaal er steriel van wordt overigens.

Een ander boek dat alleen al vanwege de omvang de aandacht trok is de roman 'Gracchanten' van Pim Wiersinga, een 600 pagina's dikke klassieke pil die doet denken aan het werk van Couperus en aan Vestdijks 'De verminkte Apollo'; ook hier een conflict tussen dionysische en apollininische levensbeschouwing. In elk geval nemen deze schrijvers niet het eigen leven, of de televisie-variant daarvan, als voornaamste literair uitgangspunt.

Een derde roman van niveau, die niet aan de discussie meedoet, was Nanne Teppers 'De eeuwige jachtvelden'. Misschien speelt het feit dat de auteur zich op enige afstand van de randstad bevindt daarbij wel een rol. 'De eeuwige jachtvelden' gaat over een gevoelige jongeman die op zoek is naar een vorm van 'bewusteloosheid' en ''inspiratie, om met dat wat hij bezat iets aan te vangen'. Maar het belangrijkste ingrediënt is de liefde tussen hem en zijn jongere zusje, een romantische affaire zoals het hele boek van een romantisch-melancholieke inslag getuigt. Deze hoofdpersoon kijkt niet snuivend naar muziekclipjes maar oriënteert zich aan films als 'Paris, Texas' en romans als 'Under the Volcano'. De vier delen van De eeuwige jachtvelden dragen de titels van Mahlers eerste symfonie. Het ligt kortom allemaal heel ver van de snackbar vandaan.

Misschien wel het meest karakteristieke onderscheid tussen de spraakmakende Zoetermeer-, Arbeiderspers-, MilleniuM-schrijvers en de eenlingen is intussen de seksualiteit in hun boeken. Bij Giphart, Dekkers en Van Duijnhoven eenvoudige vormen van heteroseksuele geilheid en snelle nummertjes. Bij Artus en Wiersinga respectievelijk onduidelijke, biseksuele geaardheid en klassieke homoseksualiteit. Terwijl bij Tepper het incest-taboe op het programma staat.

Over het één praat je op straat, op house-parties en in de kroeg, al het ander is meer iets voor de besloten kring. En dat is nu net het verschil.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden