Een Italiaanse pelgrim

Ex-atheïst en ex-katholiek Paolo Giordano gaat naar Berg Athos, om te kijken of hij nog 'iets kan voelen'. Wat vindt de populaire Italiaanse schrijver tussen de monniken?

Paolo Giordano (1982) is natuurkundige en schrijver van 'De eenzaamheid van de priemgetallen' (verfilmd in 2010), 'Het menselijk lichaam' (2013) en 'Het zwart en het zilver' (2014).

Er bestaat een boekje dat onder westerse mystici en de monniken van de Heilige Berg vermaard is, van de hand van een 19de-eeuwse anonymus: 'Verhalen van een Russische pelgrim'. De hoofdpersoon, een boer, legt erin uit hoe hij de kunst van het innerlijk gebed leerde beheersen en hoe het gebed hem al snel van de wereld der levenden vervreemdde en hem een onmetelijk groter geluk in God deed vinden. Het mystieke recept dat hij voorschrijft is zowel eenvoudig als onder ieders handbereik: je moet 'onophoudelijk' bidden, altijd en overal, zesduizend gebeden per dag, en later twaalfduizend, en steeds met dezelfde woorden: 'Heer Jezus Christus, ontferm U over mij.' Daarna heb je niets en niemand meer nodig, behalve het gebed.

Ik denk dat dat boekje een grote rol heeft gespeeld in mijn besluit naar de Heilige Berg Athos af te reizen. Er heerst al jaren, minstens vijftien, een diepe stilte in mijn relatie tot het geloof. Eerst was ik atheïst, daarna gelovig, en daarna niets meer. Ik wachtte tot een of andere overtuiging uit eigen beweging in mij post zou vatten, maar dat is nooit gebeurd. Ik vond dat het moment was aangebroken om het heft in eigen hand te nemen en uit te zoeken of ik nog in staat was te 'voelen'.

Ik heb het diamonitirion op zak, het inreisvisum dat voor niet-orthodoxen maximaal drie nachten geldig is; ik heb de evangelische liedjes van de Britse folkband Mumford & Sons bij me, een hoofdlamp, een rol wc-papier en een pakje Tuc - zo ongeveer alles wat de enige min of meer serieuze gids over dit oord aanraadt mee te nemen.

Ik heb telefonisch alleen een bed voor de eerste twee nachten weten te regelen. Voor de derde nacht heb ik noodgedwongen besloten om de legendarische gastvrijheid van de Berg, de Voorzienigheid zelve, op de proef te stellen. Of ik ga gewoon voor een kloosterdeur liggen slapen. Geen enkele zichzelf respecterende pelgrim schrikt terug voor een nachtje in de buitenlucht.

Het eerste klooster waar ik onderdak vond, het Filotheou, wordt een van de strengste van het schiereiland genoemd. De ontvangst is niettemin allerhartelijkst. Ik krijg een glas water aangeboden, een shotje raki, en lukumi, ondefinieerbare blokjes roze gelatine bestrooid met poedersuiker. Terwijl ik van mijn raki nip komt de stokoude hegoumen (abt) binnen en vraagt me iets in het Grieks. Ik verontschuldig me: I'm Italian, I don't speak Greek. Hij kijkt me even vorsend aan en stelt dan de hamvraag: Italian orthodox or Italian catholic?

Dit ceremonieel herhaalt zich op vrijwel dezelfde manier met iedere monnik of pelgrim die ik zal spreken. De monnik of pelgrim zegt plompverloren iets in het Grieks, ik kijk hem beduusd aan, hij loopt teleurgesteld weg, of vraagt fronsend, als hij een half woord Engels kent: Orthodox or catholic? Ik besluit al gauw om catholic te antwoorden, ook al is dat strikt genomen niet waar. Maar alles wat de mannen op de Berg Athos niet zien als onvoorwaardelijk geloof - agnostisisme, atheïsme, ongeloof, ietsisme - bestaat gewoon niet voor ze.

De monniken bidden inderdaad onophoudelijk. Dat komt niet als een verrassing, maar je een voorstelling van iets maken is heel wat anders dan het echt meemaken, zo'n onafgebroken rite. In het Filotheouklooster wordt me gevraagd of ik de middagdienst wil bijwonen. Omdat ik 'katholiek' ben, word ik niet toegelaten tot de binnenste ruimten van de kerk maar moet ik in de voorhal blijven.

Ik zie de monniken en pelgrims een voor een binnendruppelen. Bij binnenkomst drukken ze hun neus tegen de iconen van Jezus en de Heilige Maagd, ze slaan meerdere keren een kruisje, knielen, werpen zich ter aarde. Ik voel me een indringer en aanvankelijk weet ik niet of ik ook een kruisje zal slaan, en of ik dat dan op de katholieke manier zal doen of van rechts naar links. Uiteindelijk doe ik niks. Ik sluit mijn ogen en laat me meevoeren door het onbegrijpelijke psalmodiëren van de celebrant.

Na het gebed worden we door klokgelui naar de refter geroepen voor de laatste maaltijd van de dag. Er wordt haastig en zonder te praten gegeten, terwijl een monnik vanaf de kansel voorleest uit de Heilige Schrift. Niemand zoekt ook maar een moment oogcontact met een ander, ik ben de enige die naar de zaal zit te gluren. De maaltijd bestaat uit kikkererwtensoep, een komkommer, olijven en een perzik. Ik kan niet zo goed tegen kikkererwten, maar ik heb al 24 uur praktisch niets gegeten, dus waag ik het erop en eet een paar lepels. Het lukt niet, ik geef het op. Ik kijk nog eens om me heen en ontdek dat ik de enige ben die zijn metalen bord niet heeft leeggegeten. Ik bedek de etensresten lafhartig met de komkommer- en perzikschillen.

Tegen de avond gaan de pelgrims naar buiten, waar je kunt roken en je iets losser, iets minder eerbiedig kunt gedragen. De poortwachter komt naar me toe om een praatje te maken. Het is een Fin met lichtblauwe ogen, maar hij is al dertig jaar niet in Finland geweest, en ook niet ergens anders dan in en om het Filotheou-klooster. Hij vergewist zich ervan dat ik katholiek ben en veel verder gaat onze conversatie niet. Gedurende de hele tijd dat we samen zijn is er geen emotie in zijn blik te bespeuren die je menselijk zou kunnen noemen.

Het is vijf uur 's ochtends als pater Pacomio, een monnik met een donkere huidskleur (die in Den Haag is opgegroeid) op de deur van mijn kamer klopt. Hij vertelt dat vandaag de naamdag van de apostelen Petrus en Paulus wordt gevierd, en dan maakt hij me, zonder veel omhaal van woorden, duidelijk dat ik niet welkom ben bij de speciale liturgie, ook al is het mijn naamdag. Ik kan beter meteen op weg gaan naar het volgende klooster.

De wandeling naar het Ivironklooster duurt ongeveer twee uur. Ik voelde de ogen van de piramidevormige, kale top van de Berg Athos bijna de hele tijd in mijn rug prikken. Ik kom niemand tegen onderweg. De zon komt op boven zee en het wordt plotseling warm. Gelukkig ligt het ezelpad in de schaduw van steeneiken, moerbei-, vijgen-, en aardbeibomen. Ik zie allerlei beelden uit mijn jeugd voor me. Bijna geen van die beelden heeft iets met het geloof te maken. Mijn familie is altijd op veilige afstand van de Kerk gebleven, bij mijn vader nam dat zelfs de vorm van pure afkeer aan. En toch hangt er een religieus zweem om mijn vroegste herinneringen. Toen ik klein was, gebeurde het me nog weleens dat ik iets buitenaards gewaar werd, vooral tijdens onze lange wandelingen in de bergen. Op zomermiddagen liepen we met mijn ouders vaak over een steil pad de berg af naar Mollières en daarna weer omhoog naar Solomiac, en vervolgens langs de helling tot aan het spookdorp Autagne - plaatsen die zich in mijn geheugen hebben gegrift en heilig voor me blijven. En kijk, nu loop ik weer in de natuur, de enige manier die ik ken om naar het transcendente te reiken. Een manier die vermoedelijk veel te heidens is, te simplistisch, iets voor hobbyisten.

Ook al is het niet ver, ik ben kapot als ik in het Ivironklooster aankom. De komkommer en de perzik zijn allang verteerd. Ik heb een half pakje Tuc opgegeten, en terwijl ik op mijn zoutjes liep te knagen moest ik denken aan Frodo en Sam die hun laatste elfenbrood delen. Er is geen levende ziel, behalve een Griekse jongen, Alex, met zijn vader. Alex is nog niet van de middelbare school, maar weet dat hij advocaat wil worden, net als zijn vader. In Griekenland is geen werk, legt hij uit, je moet doen wat je interesseert.

Terwijl ik naar hem luister denk ik dat ik hier misschien ook met mijn vader naartoe had moeten gaan. En dat het niet eens in me opgekomen is om hem dat te vragen. Het is te laat voor ons, of misschien nog te vroeg. Als ik er nu op terugkijk, was de abrupte bekering tot het katholicisme op mijn twaalfde vooral een onafhankelijkheidsverklaring ten opzichte van hem. Ik wist dat hij weinig teleurstellender zou vinden dan zijn zoon te zien opgaan in iets wat hij pure onzin vond. Misschien zag hij in mijn daad niets dan conformisme.

Ik probeerde een tijdje een zo goed mogelijke katholiek te zijn, maar dat duurde maar vier jaar. Ik denk dat mijn vader er meteen al van uit was gegaan dat het niet zou werken. Op een dag - ik was toen al 20 - deed hij iets wat ik niet meteen begreep. Hij legde een foto van zichzelf als jonge man op mijn bureau. De gelijkenis tussen ons tweeën was verbluffend. Ik weet niet of hij die foto toevallig had teruggevonden of hem had bewaard tot het juiste moment. De foto kon van alles betekenen, maar één ding was me meteen duidelijk: mijn vader wist zeker dat ik niet alleen de genen had geërfd waardoor we als twee druppels water op elkaar leken, maar ook het nogal lastige ongelovigheidsgen.

In het Ivironklooster eet ik, in een ruime refter vol fresco's, een steviger maaltijd dan de vorige. Daarna wordt er weer gebeden, tot de avond. Een oude monnik stapt in de kloosterhof op me af en stelt voor om me ter plekke orthodox te dopen. Ik leg uit dat ik bijna niets over hun leer weet. "Vergeet alles wat katholiek is!" zegt hij fel.

Die zondag word ik met een bedrukt gevoel wakker. Om 6.30 uur ben ik in de voorhal van de kerk. Ik laat me wiegen door het gemummel, het gezang - bidden, onophoudelijk bidden - en vervolgens richt ik mijn aandacht op de bijbelse taferelen op de muren. Een beest met zeven koppen wordt eerst door een engel met een lans doorboord en daarna bereden. Op elke kop draagt het monster een kroon. Pas als ik thuis ben ontdek ik dat het de draak is van de Apocalyps van Johannes: "En zijn staart vaagde een derde deel van de sterren des hemels weg en wierp ze op de aarde."

Ik dommel even weg. Volgens mij ben ik nooit goed geweest in bidden, ook niet toen ik me er als jongen toe dwong. Het was al gauw niet meer dan een reeks praktische verzoeken in ruil waarvoor ik iets minder kostbaars aanbood, tot ik een afkeer van mezelf kreeg en het bidden liet zitten. Ik was hier naartoe gekomen om er met een monnik over te praten, maar ik heb het opgegeven. Plotseling lijken alle verwachtingen waarmee ik naar de Berg Athos ben gekomen ridicuul.

"Als ik iemand tegenkwam", schreef de Russische boer, "had ik geen zin meer om te praten, ik had geen ander verlangen dan alleen te zijn en te bidden."

Meer om bidden geven dan om mensen... is dat wat ik wil? Ik zie de uitdrukkingsloze ogen van de poortwachter weer voor me, en die van alle oude monniken die ik op de Berg ben tegengekomen. Misschien geloof ik wel in de werking van het innerlijk gebed, maar als het dit tot gevolg heeft, wil ik er verre van blijven.

Voor de laatste nacht heb ik besloten mijn geluk te beproeven in het Simonopetraklooster. Het kost me de hele ochtend om er te komen. De monnik die het busje van Dafni naar het klooster bestuurt, wekt de indruk dat het er daar heel anders aan toegaat. Hij is jong, praatgraag, afgestudeerd in economie en heeft geen moeite met Engels. Hij belooft dat ze in het klooster wel een plek voor me hebben, ook al heb ik niet tijdig gereserveerd, en hij grapt dat ik zeker en vast naar de hel ga omdat ik 'katholiek én Italiaans' ben.

Het Simonopetraklooster is op de top van een hoge rots gebouwd, alsof het een voortzetting van de berg zelf is. Rondom de vesting zweven balkons boven de afgrond en je wordt duizelig als je je erop waagt. De monniken openen de kerk, om mij en een groepje Russische pelgrims de relikwieën te laten zien die ze er bewaren. Een splinter van het kruis waaraan Christus stierf. Een stukje bot van het onderbeen van een heilige wiens naam ik niet goed opvang.

De Russen buigen zich over de reliekschrijn

en kussen de relikwieën meermaals, terwijl het zweet over hun voorhoofd en langs hun hals gutst.Ik voel me op mijn gemak in het Simonopetraklooster. Ik eet lukumi en drink raki. Maar even later zegt een kosmopolitische monnik glimlachend dat ik niet kan blijven. Ze hebben het helaas allemaal ontzettend druk met het organiseren van een feest. Maar er is wel een ander klooster, Osiou Grigoriou, ruim een uur lopen hier vandaan, waar ze zeker plaats voor me hebben.

Het is weliswaar niet ver, maar het is twee uur 's middags en bloedheet. Na een kwartier moet ik al mijn eerste stop maken. Dat krijg je ervan als je extraverte monniken op hun woord gelooft. Het pad loopt in een lange V: eerst helemaal naar beneden, daarna helemaal omhoog. Recht onder de top sta ik ineens aan zee, op een kiezelstrandje waar het water kalm en helder is. Je mag op de Berg Athos niet zwemmen, maar ik ben kwaad op de monniken van het Simonopetra-klooster, en oververhit. Ik kleed me uit en glip snel het water in. Intussen let ik goed op of er niemand het pad af komt. Daarna ga ik, helemaal opgekikkerd, weer op weg en arriveer bij het Osiou Grigoriou-klooster.

Ik ga op een terras recht boven de zee zitten en wacht op het einde van de dienst, naast een monnik met rossig haar en een vlassige baard. Ik wil hem niet storen tijdens het mediteren, maar hij groet me zelf, verlegen. Hij heet pater John en komt uit Roemenië. Hij is pas negen dagen op de Berg Athos en wil er voor altijd blijven. Hij is 33, even oud als de Russische boer, even oud als Christus toen hij stierf, en toevallig ook even oud als ik. De zee onder ons varieert van groen tot donkerblauw.

Misschien om hem wakker te schudden wijs ik naar het water en vraag pater John of hij weleens heeft gezwommen. Forbidden, zegt hij. Daarna zegt hij het in het Grieks, apagorevete, alsof hij zich het woord goed wil inprenten. Om deel te kunnen uitmaken van de gemeenschap zal pater John eerst door de andere monniken moeten worden geaccepteerd. Als het niet zo mag zijn, zegt hij kalm, vindt hij wel een skite, een hut, of een grot, en gaat hij als heremiet leven.

Daar is hij dan eindelijk, mijn Russische boer van het boekje, pal voor mijn neus in heel zijn ascetisme. Zo jong nog. Ik merk dat ik er niet in slaag om hem te bewonderen. Ik heb eerder compassie met hem, en voel een vage woede. Misschien begrijp ik niks van hem, maar hij lijkt het zoveelste slachtoffer van de moedeloosheid die na je twintigste kan toeslaan, als je erg gevoelig bent. Die gevaarlijke behoefte aan zuiverheid. Dat merkwaardige verlangen om aan iets of iemand onderworpen te zijn. Als ik afscheid van hem neem, ben ik er nog sterker van overtuigd dat de enige manier om God te behagen is om nooit echt op te houden met zondigen.

Ik ga naar de avonddienst, maar ben er niet echt bij met mijn hoofd. Ik voel me overvoerd met iconen, psalmen, gezangen en de hele lading aan symboliek die zich in mijn hoofd heeft opgehoopt: God, de Berg, de Vader. Daarom trek ik me al vroeg terug met Mumford & Sons. Hun wereldse zendingsdrang krijgt makkelijker vat op een feilbare geest als de mijne. "En nu stuit mijn hart op dingen die ik niet ken", zingt Marcus Mumford, "ik voel dat ik nu toch mijn zwakheid moet laten zien."

Ik word wakker voordat het licht is, voordat de monnik op mijn deur klopt. Ik heb al bijna het metabolisme van de Berg Athos overgenomen, net voordat ik wegga. De hele nacht is de muziek door mijn koptelefoon mijn hoofd ingestroomd. Door het raam, achter het stoffige hor, zie ik pater John naar de berg lopen. Hij heeft alleen een stok en een piepklein rugzakje bij zich, kleiner dan het mijne, terwijl hij er een leven lang mee moet doen. Ik wou dat hij zich omdraaide zodat ik naar hem kon zwaaien, maar dat doet hij niet, dus wens ik hem in stilte veel geluk. Misschien kom ik hem, als ik ooit naar de Berg Athos terugga, nog eens tegen op een pad of in een van de kloosters. Misschien is hij dan wel een starec, met een lange, volle baard. Misschien brengt het onophoudelijk bidden tot God hem wat hij zoekt. Ik hoop het voor hem.

Kyrie eleison.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden