Een Italiaans-Indiase schertsvertoning

Wat wil Salman Rushdie eigenlijk met ’De verleidster van Florence’, dat van onwaarschijnlijk exotische geschiedenissen aan elkaar hangt?

Salman Rushdie: De verleidster van Florence. Uit het Engels vertaald door Karina van Santen en Martine Vosmaer. Contact, Amsterdam. ISBN 9789025470036; 384 blz. euro 24,95

Salman Rushdie moet onderhand weten hoe je met een matig boek toch een wereldsucces kunt bereiken, gezien zijn ’Duivelsverzen’ waarvoor hij nota bene een fatwa aan de broek kreeg, wel zo ongeveer het meest publieke literaire feit uit de laat-twintigste eeuw.

Opmerkelijk genoeg heb ik nooit ergens zien staan dat Rushdie ook een groot schrijver zou zijn, die je gelezen moet hebben om iets van onze tijd te snappen, al openbaarde de rel rond de ’Duivelsverzen’ onbedoeld voor het eerst iets van de gapende kloof tussen de fundamentalistische islam en de westerse wereld.

In zijn jongste roman, ’De verleidster van Florence’, speelt Rushdie naar hartelust met die kloof. Hij laat een ogenschijnlijk westerse avonturier, die zichzelf Mogor dell’Amore noemt, de zojuist gebouwde stad Fatehpur Sikri van de grote keizer Akbar binnentrekken, alwaar hij beweert de vrucht te zijn van een verbintenis tussen een geheimzinnig verdwenen Indiaas prinsesje en een Italiaanse huursoldaat.

De geïnteresseerde Akbar moet vervolgens het hele verhaal van de omzwervingen van die twee gelieven aanhoren, en wij mét hem, want ’De verleidster van Florence’ bestaat grotendeels uit de raamvertelling van de Europese schelm. Ik vermoed dat Rushdie het geheel heeft willen opzetten als een Duizend-en-één-nacht-geschiedenis, gesitueerd in de sinds enige tijd zo populaire Renaissance. Ik ga er tenminste niet van uit dat hij werkelijk van plan geweest is in dit boek de oosterse en de westerse cultuur met elkaar te verzoenen, al lijken ze in zijn versie wat betreft gewelddadigheid, fabelachtigheid en kleurrijkheid sterk op elkaar.

’De verleidster van Florence’ is een fantastische geschiedenis die zich beurtelings afspeelt in Fatehpur Sikri en Florence, vol wonderbaarlijke verschijningen, miraculeuze liefdesverwikkelingen, barokke veldslagen, tovenaarskunsten, intrigerende spiegelbeelden, wat niet al. Er lopen historische personages in rond, Andrea Doria, Machiavelli, Amerigo Vespucci, een stelletje Medici, zelfs Savonarola hangt ergens te bengelen en ook Michelangelo is in de stad; zij allen vermengen zich moeiteloos met de verzonnen helden, zoals de verborgen prinses Qara Köz, de Turk geworden Italiaan Argalia en nog een handjevol Rushdie-creaturen.

Behalve van Duizend-en-één-nacht – nogal obligaat voor dit soort romans dunkt me – heeft het boek ook wat weg van Baron von Münchhausens avonturen, het is een en al overdrijving en grand guignol. Ik heb niet alles van Rushdie gelezen maar het valt te hopen dat ’De verleidster van Florence’ zijn allerslechtste roman tot nu toe is, anders valt voor de overige te vrezen. Ik raakte in elk geval geregeld de draad kwijt te midden van al die onwaarschijnlijke histories.

Aan die desoriëntatie draagt ook de stijl van Rushdie ruimschoots bij. Hij wil zo nadrukkelijk mogelijk sprookjesachtig en exotisch overkomen met beschrijvingen als ’In Andizhan werden de fazanten zo dik dat vier mannen een maaltijd die van één vogel bereid was niet opkregen.’ Fiorituren noemen we dat, nutteloze versieringen.

Eerlijk gezegd werd ik tijdens het lezen voornamelijk op de been gehouden door de vrees dat Rushdie opeens een soort symbolische of allegorische verklaring voor het conflict tussen Oost en West uit de hoge hoed zou toveren, dat hij het kortom achter die operette-achtige façade nog serieus meende ook. Maar nee, het komt er niet van. Een heel enkele keer schrik je op van iets dat relevant lijkt te zijn, bijvoorbeeld als keizer Akbar uitroept „dat is al honderd jaren bekend (*) Wat lijkt dat herboren Europa van jou achterlijk, als een baby die een rammelaar uit zijn mandwieg gooit omdat hij niet wil dat de rammelaar lawaai maakt.” Maar even zo snel vervliegt de illusie van ernst ook weer. En zo naderen we, wankelend en half hallucinerend, tenslotte het einde van dit boek dat al even bizar en ongerijmd is als het begin.

Naar het schijnt heeft Rushdie zich voor deze roman laten inspireren door renaissancewerken als ’Orlando Furioso’ van Ariosto, hij geeft (much ado about nothing) achter in zijn boek een lijst van liefst tachtig bronnen waaruit hij zou hebben geput. Maar persoonlijk grijp ik toch liever naar die oude, authentieke avonturenromans.

Ik denk dat de auteur zich in zijn eerste historische roman heeft laten meeslepen door het succes van boeken als ’De Da Vinci Code’ van Dan Brown, en daar zijn eigen culturele tweespalt in heeft willen gieten. Het resultaat is een dubieus halffabrikaat: te geforceerd om vrolijk van te worden en te onsamenhangend en warhoofdig om ernstig te nemen. Maar gauw vergeten, dat lijkt me het beste.Rob Schouten

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden