Een intimiderend podium voor het Haagse licht

Bijnamen zijn niet moeilijk te verzinnen voor het het nieuwe stadhuis/bibliotheek-complex van de Amerikaan Richard Meier in Den Haag. 'De Koelcel van het Spui', 'IJzingwekkend Slagschip', 'Witte Kathedraal', de typeringen liggen voor het oprapen en duiken ook al op in de eerste commentaren en kritieken op het gebouw. Ze gaan echter alleen over de buitenkant, over de enormiteit van de schaal en over het alom aanwezige gebruik van wit. Wat ze negeren zijn de detaileringen, de vernuftige wijze waarop het complex in de omgeving is ingepast en vooral de manier waarop het gebouw een sokkel is voor het dartele schouwspel van zonlicht en schaduw dat zich op de wanden afspeelt.

ROBBERT ROOS

Richard Meier houdt van daglicht. Licht is voor hem de substantie die een gebouw tot leven wekt, hem inhoud en betekenis geeft. Het speelt een centrale rol bij het ervaren van een architectonisch volume. Dat licht wil Meier zo optimaal mogelijk zichtbaar maken in zijn gebouwen, vandaar het neutrale wit. “Wit is de kleur die de waarnemeing van alle andere scharkeringen in de natuur en het natuurlijk licht intensifeert”, noteerde Meier ooit. Maar er is meer. Wit symboliseert helderheid, zuiverheid, perfectie en absoluutheid. Het accentueert het sculpturale van architectuur. “Het wit is altijd aanwezig, maar nooit hetzelfde, helder en beweeglijk overdag, zilver en bruisend onder de volle maan van de nieuwjaarsnacht. Tussen de zee van het gevoel en de aardse materialiteit ligt deze constant veranderende lijn van wit. Wit is het licht, het medium van begrip en transformerende kracht”, zo stelt de architect poëtisch in een door uitgeverij Taschen uitgegeven monografie.

Hoe boeiend Richard Meier de weerkaatsing van het licht (en het neveneffect schaduw) op het wit van zijn gebouwen vindt, blijkt in het atrium van het High Museum of Art in Atlanta, Georgia. Een vierkant wit vlak, als loze zijwand aan een reling geplaatst, heeft hier geen andere functie dan een permanent veranderend schilderij te zijn van licht en schaduw, onderhevig aan niet alleen het verglijden van de tijd, maar ook de lichtintensiteit van de seizoenen en het moment van de dag. Een zelfde soort subliem moment creëert Meier in de kapel van het Hartford Seminary in Connecticut. Achter het spreekgestoelte is een witte wand door middel van een van boven aangelichte nis uitgekaderd, zodat het zonlicht en de schaduwen er in alle rust langs kunnen strijken.

In het Stadhuiscomplex van Den Haag zijn niet van dit soort verbijzonderde vlakken te vinden, of het zou de gebogen wand van de raadzaal moeten zijn in het eerste gedeelte van het atrium. Desondanks zijn ook hier de schaduwen en het weerkaatsend zonlicht een prachtig 'bijprogramma' van de architectuur. Op dit gebied toont Meier zich in Den Haag opnieuw een ware meester.

Richard Meier moest in Den Haag werken met een complex programma van eisen. Niet alleen moest aan het nieuwe stadhuis en de openbare bibliotheek onderdak verleend worden, er moest ook een 'commerciële' kantoorvleugel komen en een nieuwe ruimte voor meubelhandelaar Hulshoff, die niet van zijn stek aan het Spui weg wilde. Meier heeft uiteindelijk gekozen voor twee in elkaar geschoven L-vormen. In de korte kant van de L-vorm aan het Spui bevinden zich de bibliotheek en Hulshoff, terwijl aan de achterkant van het complex de kantoorvleugel is ondergebracht. Het stadhuis zit in de lange poten van de L aan weerszijde van het monumentale atrium (honderd meter lang, zevenenveertig meter hoog en daardoor het grootste van Europa). De langgerekte bouwlichamen wijken iets ten opzichte van elkaar, waardoor het atrium wig-vormig is. Twee pleintjes creëerde Meier binnen het complex: een tussen de bibliotheek en de hoofdingang van het atrium en een tussen de 'trouwingang' en de kantoorvleugel. 'Trouwingang', omdat zich helemaal achterin het atrium de trouwzaal met een statige trap er naar toe bevindt.

Het atrium wordt op twee plekken door strak boven elkaar liggende loopbruggen doorsneden, zodat het uit drie segmenten bestaat. In het eerste bevindt zich de halfronde raadzaal. In dit gedeelte van het stadhuis zetelen de burgemeester en wethouders, zodat dit het bestuurlijke deel is. Vervolgens komt het tweede en grootste segment: de bevolkingshal. Meier heeft ervoor gekozen een open rij balies voor ondermeer inschrijvingen en aangiftes te maken op de begane grond. Daarboven, op de eerste verdieping, bevinden zich de spreekkamers voor de privégesprekken. In eerste instantie waren die van boven open, maar in allerijl zijn die inmiddels dicht gemaakt, omdat gesprekken te duidelijk hoorbaar waren. Het derde segment tenslotte wordt, zoals gezegd, gedomineerd door de brede 'trouwtrap'. Hier bevinden zich op de begane grond ook een aantal winkeltjes.

'Architectuur is het onderwerp van mijn architectuur' is een van de stellingen van Richard Meier en dat is in Den Haag goed te merken. Het stadhuisgedeelte wordt gekenmerkt door grote gladde en ritmische gevelvlakken van glas en wit gemoffeld aluminium. Het is allemaal zeer precies en mooi vormgegeven, maar de ongenaakbaarheid van deze strakke gevels (gevangen in een streng ritmisch patroon van horizontalen en vertikalen), de massaliteit van het hoge open atrium en de kille associaties die het wit oproept, geven het stadhuisgedeelte een onaangeraakte uitstraling.

De esthetiek en de rede heersen over het gevoel en de levendigheid en dat is Meier aan te rekenen. Het gebouw was juist bedoeld om dit gedeelte van de stad tot leven te wekken. In de bevolkingshal wordt de gebruiker eerder geïmponeerd door de kantoren van de ambtenaren die streng boven hem uit torenen, dan dat hij zich geborgen voelt in de schoot van het gemeentelijke apparaat. Architectonisch en esthetisch gezien is het atrium subliem, als ruimte om in te verblijven is het intimiderend.

De hal is mede bedacht als onderdeel van de looproutes tussen Spui, Kalvermarkt, Turfmarkt en het 'cultuurplein'. Of het in de praktijk ook zo zal werken, valt te betwijfelen. Architecten en stedebouwkundigen denken vaak te optimistisch over dit soort functies van een gebouw. In Den Haag is het atrium een te afgesloten ruimte om werkelijk als voetgangersruimte te functioneren in de dynamiek van de stad. En als ontmoetingsplaats voor keuvelende en converserende Hagenaars zal het door de hierboven beschreven overdonderende grootsheid van de hal waarschijnlijk evenmin dienen. De mensen die er moeten komen, zullen er komen, maar voor de toevallige passant zal moeite moeten worden gedaan.

Dat het stadhuis niet als doorgangsroute zal functioneren - zoals bijvoorbeld wel het geval is bij de passage onder het even verderop gelegen Ministerie van VROM ontworpen door Jan Hoogstad - neemt niet weg dat Meiers complex wel heel inventief in de stedelijke omgeving is verankerd. Dit komt vooral door de eerder genoemde pleintjes. Zij zijn het verlengstuk van aan de ene kant het cultuurplein voor het Danstheater en aan de andere kant de Korte Houtstraat en de Fluwelen Burgwal. De omgeving is zodoende letterlijk in het gebouw doorgetrokken.

Het stadhuis/bibliotheekcomplex is niet het eerste gebouw van Richard Meier in Nederland. Die eer komt het hoofdkantoor van Koninklijke Nederlandse Papier/Bührmann Tetterode in Hilversum toe. Het ligt daar volledig autonoom in de bossen, met niets anders dan de natuur als referentiepunt. Meier had daardoor ook alle mogelijkheden om door middel van architectonische en ornamentele details het gebouw een geheel eigen sculpturaal karakter te geven. Met name het spel van balkons, luifels, ramen, rechthoeken en vierkanten die uit de gevel springen, naar achteren liggen of haaks op elkaar staan geeft het hoofdkantoor een grote allure. Het is een vormentaal analoog aan modernisten als Rietveld, Duiker en Dudok, maar dan wel in de glamour-stijl van Meier.

In Den Haag was de Amerikaan beduidend terughoudender in het verlevendigen van zijn gevels. In het stadhuisgedeelte veroorlooft hij zich spaarzaam bijzondere accenten. De liften deinen als blokjes heen en weer aan de liftkolommen en zorgen zo voor geometrische dynamiek in het atrium, de halfronde raadzaal heeft een kubus-vormig balkonnetje dat als een la uit de wand komt zetten en in de bevolkingshal heeft Meier een 'urban window' gemonteerd, een enorme doorkijk in de gevel aan de Turfmarkt, met helaas slechts uitzicht op het grauwe Ministerie van Binnenlandse Zaken.

Wat ornamenten betreft biedt verder eigenlijk alleen de ronde façade van de bibliotheek op de hoek van het Spui en de Kalvermarkt enig soelaas. Hierop laat Meier zijn complete repertoire van schijngevels, doorkijkjes, relingen en verspringende gevels los. De cirkelvormige wand is letterlijk gelaagd en vormt zo een soort schemergebied tussen de hectiek van het stadse verkeer op het verkeersplein buiten en de geconcentreerde rust van de bibliotheek binnen. De bibliotheek is het meest naar de stad gekeerd en is mede daardoor het meest expressieve element van het complex. Daar toont het gebouw haar stadse gezicht.

In zijn eerste plannen ging Richard Meier uit van een bibliotheek als stille tempel van kennis. Ook voor de bibliotheekleiding is kennisoverdracht een belangrijk streven, maar zij had meer een soort warenhuis in gedachten, een levendige plek, waar de Hagenaar binnen kan komen wandelen voor het lenen of lezen van een boek, voor het drinken van een kopje koffie in het leescafé en voor het bekijken van het rijke assortiment aan CD-ROMS. Voor pianospelers had men zelfs een oefenhok met heuse piano in gedachten. Al snel ging Meier overstag voor de ambities van de bibliotheek. Zijn verdiepingen zijn nu open en overzichtelijk, met een prominent blok van roltrappen die de potentiële lezers naar de verschillende verdiepingen voeren.

Meier eigen is de neiging om dit soort vervoersstromen binnen een gebouw voor een groot raam te plaatsen, zodat van buiten goed te zien is dat het gebouw ook daadwerkelijk gebruikt wordt. In het stadhuisgedeelte deed hij dit met de trappenhuizen, die symmetrisch verdeeld als vier transparante elementen in de gevel zijn geplaatst. Handig buit Meier hierbij de diagonaal van de trap uit als dynamisch element binnen het strakke rasterpatroon dat hij in de rest van de gevels hanteert.

Het stadhuis/bibliotheek-complex is een optelsom van factoren. Aan de realisatie van de plannen ging een heftig politiek steekspel vooraf, waarbij de betrokken wethouders Duivesteijn en Van Otterloo ruziënd ten onder gingen. Er moest met een buitengewoon krap budget worden gewerkt (Meier bouwde in Parijs voor dezelfde prijs - 320 miljoen gulden - een drie keer zo klein hoofdkantoor voor Canal+), zeer uiteenlopende functies moesten worden gecombineerd, er werd een gebouw met krachtige architectonische merites verlangd (waarin Meier zeker is geslaagd) en het complex moest het gebied rondom het Spui en het cultuurplein vitaliseren.

Om dat laatste was het wethouder Adri Duivesteijn - de aanstichter van al het 'kwaads' - allemaal in eerste instantie te doen geweest en dat lijkt te gaan lukken. Tussen het nieuwe stadhuis en het centraal station wordt hard gewerkt aan 'De Resident', een gebied met winkels, kantoren, ministeries en woningen, bedacht door de Oostenrijker Rob Krier en de Nederlander Sjoerd Soeters met gebouwen van onder meer Michael Graves en Cesar Pelli. Aan de andere kant van het stadhuis was al het eerder gememoreerde cultuurplein gerealiseerd met naast het Nederlands Danstheater ook het Theater aan het Spui, het onderkomen voor het World Wide Videofestival en een tentoonstellingsruimte van Stroom hcbk.

Het lelijke eendje is nu nog het Spui met zijn onoverzichtelijke en chaotische verkeersstromen. Als deze over een paar jaar ondergronds liggen, zoals de bedoeling is, en het lelijke eendje een zwaan is geworden, dan heeft Den Haag er een aantrekkelijke plek met internationale allure bij.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden