EEN IDEALE KABOUTER

De kleurenfilmpjes beginnen steevast met het overzicht van een bospaadje. Links een vogeltje, snel klapwiekend. De boskabouter Paulus komt aangelopen, wat onhandig, schommelend en houterig bewegend op de maat van de herkenningsmuziek. “Dat spreekt buitengemeen nogal wel zo tamelijk vanzelf.” 'Paulus de Boskabouter', woensdag 16.43 uur, Ned. 1.

Dulieu schreef de scenario's, maakte de decors en alle poppen en bespeelde ze voor de camera. En Dulieu deed, net als in de hoorspelserie die de Vara tussen 1955 en 1964 uitzond, de stemmen van alle karakters. Of het nu die van Paulus (hoge piepstem), de uil Oehoeboeroe (laag en zwaar) of de heks Eucalypta (gemeen kakelend) betrof. En er waren natuurlijk ook nog de uit duizenden herkenbare geluiden van raaf Salomo, Gregorius de das, de kraai Krakras en het konijn Wipper. De stem van het elfje Priegeltje werd door Dulieu's dochter Dorinde gedaan. Het is vermoedelijk zijn vrouw Kitty die de veldkabouter Pieter (Paulus' neef) laat spreken.

De kleurenfilmpjes maken na bijna dertig jaar een verouderde indruk. Ofschoon de auteur zelfs patent aanvroeg voor een nieuwe methode om de poppen voor de camera zonder draden te laten bewegen, brengt de televisieregistratie de karakters maar moeizaam tot leven. Sterker dan de beelden zijn het de stemmen en de muziek die de korte spanningsbogen opbouwen. Dat is overigens niet nieuws, aldus Fred Bosman, de regisseur van de filmpjes en inmiddels 74 jaar oud. Bosman: “De muziek is het belangrijkste gereedschap waar je mee werkt, zeker in combinatie met de gezichtsuitdrukking van - in dit geval - poppen. Zolang die door de kijker interpreteerbaar zijn, is er niets aan de hand. Zet maar cellomuziek op, zo van: baah-baah-baah.” Lacht: “Het wordt vanzelf al treurig.”

Belangrijk voor het succes van de eerste afleveringen was het vertrouwen dat Dulieu aan Bosman schonk. De schrijver deed eigenlijk het liefst alles zelf, maar was nu gedwongen zich aan de televisiemakers van Hilversum te conformeren.

De opnamen werden gemaakt in een kleine kamer die de NTS huurde in het Baarnse kasteel Groeneveld. Bosman: “Het was een smalle, verduisterde kamer. De set was net iets groter dan deze tafel, ongeveer tweeënhalve meter lang. En de poppetjes (Bosman houdt duim en wijsvinger van elkaar) waren zo groot.” Het miniatuurformaat van de decors en poppen zou enorme technische problemen met zich mee brengen. Het uitlichten van het decor werd er uitzonderlijk lastig door, en enige scherpte-diepte was er niet in te krijgen. “Een close-up was niet te doen. De afstand van neus tot oor van een poppetje was hooguit een paar centimeter, dus je kon òf een neusje òf een oortje scherp krijgen. Allebei ging niet.”

De stemmen werden van te voren op band opgenomen; live geluid zou de situatie nog onwerkbaarder maken. Op de stemmen uit de bandrecorder bewoog en playbackte het gezin Dulieu de marionetten, de hand- en stokpoppen. De opnamen waren eens in de veertien dagen. In de tussentijd werden geluiden opgenomen en maakte Dulieu thuis alle decorstukjes die voor de volgende aflevering nodig waren. Zoals de minuscule houtblokjes die Paulus met zijn bijltje mooi kon klieven.

Het succes van de televisieserie maakte dat de NTS na de geplande twintig afleveringen er nog een zelfde aantal bij wilde hebben. Vanaf dat moment moesten er in plaats van twee vier episodes per maand gedraaid worden. Bosman heeft die tweede serie niet meer meegemaakt, maar weet dat Dulieu na veertig afleveringen gebroken was, niet langer tegen de spanningen op kon.

Vijf jaar later probeerde Dulieu Paulus met een ambitieus plan om de smeden tot een tekenfilmfiguur. Hij kocht een camera en bouwde zijn eigen tructafel. Het bleek in de praktijk afgrijselijk werk. Voor vijf minuten film moest hij eerst 7500 beeldjes tekenen. De NOS trok zich vanwege de enorme kosten terug als belangstellende. Dulieu ging weer krantestrips maken om uit de financiële nood te komen. Dulieu, in een interview in 1984: “Later heeft de Avro nog eens een poging gewaagd, maar daar schrokken ze van het honorarium dat ik vroeg. Per uur omgerekend zou het op één gulden vijftig zijn uitgekomen.”

Jean Dulieu is vaak bekroond voor zijn creatie van de boskabouter. De eerste keer in 1956, toen hij in New York de Literatuurprijs van de Youth's Friends Association kreeg. Twee jaar later werd hij in Florence geëerd met het diploma van verdienste tijdens het vijfde internationale congres voor jeugdboeken. 'Paulus de hulpsinterklaas' werd in 1962 bekroond als het beste Nederlandse kinderboek. En ook was er dat jaar een Edison voor de grammofoonplaat 'Paulus is jarig'.

Jean Dulieu wordt in 1921 in Amsterdam geboren als Jan van Oort, zoon van een concertzanger en kleinzoon van Johan Braakensiek, politiek tekenaar van de Groene Amsterdammer. De jonge Van Oort wordt na een muziekstudie tweede violist bij het Concertgebouw Orkest. Het is dan vlak voor de Tweede Wereldoorlog. Als de oorlog ook de hoofdstad heeft bereikt moet Van Oort zijn werk opgegeven.

Hij begint met tekenen, en laat zijn vrouw Kitty uit twaalf schetsen een figuurtje kiezen, dat zij Paulus noemt. Na de bevrijding publiceert het Vrije Volk de eerste afleveringen van de strip Paulus de Boskabouter. De krant vraagt hem in 1947 in het land op te treden op propaganda-avonden met een poppentheater waarin Dulieu met een collega de Paulusverhalen opvoert. In 1948 verschijnt het eerste boek: 'Het Winterboek van Paulus'.

In de jaren die volgen blijkt Paulus goede handel. Paulusfiguren kleefden achter lollies, de stomerij verkocht een grammofoonplaatje voor 45 cent. En er waren Paulus-p.v.c.-poppen, pyjama's en pyjamazakken, Paulus-drop, Paulus-ballonnetjes, Paulus-gordijnen. Bij de hagelslag van Wessanen konden kinderen sparen voor een poppenkastpop.

Tussen 1955 en 1964 is de kabouter als hoorspel op de radio bij de Vara: Dulieu doet alle stemmen en verdient vijftig gulden per aflevering. “Eén scheldpartij van Eucalypta kan je stem grondig in de vernieling helpen”, schreef de auteur er zelf over. Regelmatig oefenen is noodzaak. “Klanken voortbrengen, precies zoals een zanger doet, op verschillende toonhoogte - aaaaa aaaaa aaaaa - ooooo ooooo ooooo - brrrp brrrp brrrp - het klinkt idioot, maar het helpt wel. Wanneer ik naar de studio reed voor een uitzending, galmde ik achter het stuur luidkeels toonladders, vaak tot verbazing van tegenliggers.”

Het aantal tegenvoeters van Paulus is in de loop van de jaren uitgegroeid tot ongeveer vijftig. In een interview met de Vara Gids in 1974 legde Dulieu ook uit hoe hij aan de stemmen kwam. Voor Paulus was dat een uitgemaakte zaak: “O, ik zag gelijk een bepaalde figuur voor me, een mengeling van mijn grootvader en onze buurman, een ideale kabouter. Die buurman was ongelofelijk beminnelijk en behulpzaam, die klom voor ons in het topje van de appelboom hoewel hij kogelrond was. En mijn grootvader, beminnelijk en vulcanisch tegelijk.”

Ook de 'echte' Oehoeboeroe heeft nooit geweten dat hij model heeft gestaan. “Het was een heel oude en zeer aardige boer die naast ons woonde op Terschelling. Hij had dat heel zware geluid in zijn stem. Het was een erg fijne vent, en dat is Oehoeboeroe ook voor mijn gevoel”, zegt Dulieu in een gesprek met 'Bzzletin' in 1974. Zo valt de stem van ieder karakter te herleiden tot iemand die hij ooit gekend heeft.

“Ik heb nooit een duidelijke moraal in mijn verhalen verwerkt. Dat is iets wat nooit de boventoon mag voeren. Uiteindelijk wint Paulus het altijd van Eucalypta. In feite is zij de hoofdpersoon. Paulus is de katalysator. Hij is braaf en verstandig, zoals dat hoort bij een hoofdfiguur”, zei Dulieu in 1981. “De heks heeft een poosje op zich laten wachten, want in de oorlog had je zoveel ellende en spanningen, dat je helemaal geen behoefte aan venijnige figuren had. Ik vind die heks oneindig veel boeiender dan de rest. Lekker slecht is zo mieters. Jeroen Bosch maakte ook zijn beste schilderijen als hij een doorkijkje op de hel gaf. Daar is gewoon veel meer te beleven dan aan de andere kant.”

Dulieu gelooft ook dat er altijd een plaats voor Paulus zal zijn. “Kinderen veranderen niet. Ik zou het zelfs willen omdraaien. Omdat de wereld harder is geworden is de behoefte aan dingen waarin ze weg kunnen kruipen, sprookjes in dit geval, volgens mij juist groter geworden.” En: “Ik geloof dat Paulus een vrij onverwoestbare kabouter is.”

Het is een van de laatste keren dat Dulieu zijn woorden laat noteren door een journalist. In de jaren die volgen overlijdt zijn vrouw en verliest hij het contact met zijn kinderen. Daarmee neemt de schrijver ook afscheid van Paulus. Het is een afgesloten hoofdstuk, hij wil er liever niet meer aan herinnerd worden. Ook na een indringend verzoek voor een interview verwijst hij naar oude interviews. “Daar staat alles in.”

Dulieu woont nu teruggetrokken in het oosten van het land. De enige die hem twee keer per jaar aan Paulus doet herinneren is Liesbeth van Houten, die voor uitgeverij Leopold zijn boeken uitgeeft. Ze beschrijft een vriendelijke, maar teruggetrokken man, die drie keer per dag met zijn hond een wandeling door het bos maakt. “Hij leest veel”, zegt ze, “maakt af en toe tekeningen van woordspelletjes of van bekende schrijvers als Hemingway. Achter het huis is een overwoekerde tuin met veel bamboe en een vijvertje, de inspiratie voor het een na laatste boek, 'Paulus en de insekten'. Maar er is niets meer dat aan Paulus herinnert. Alles is verkocht.”

Tijdens een wandeling in het bos heeft Dulieu volgens Van Houten afgelopen week toevallig gehoord dat de televisieserie door de KRO herhaald wordt. Ook de uitgeverij was niet op de hoogte. Een woordvoerder van de KRO vertelde afgelopen week nog dat zijn omroep beslist 'geen slapeloze nachten heeft' van de kosten die heruitzending van Paulus met zich meebrengt. In ieder geval verdient alleen de NOS, als opvolger van de NTS eigenaar van de filmpjes, aan de heruitzending.

Het laatste Paulusboek, 'Paulus en het beest van Ploemanác', gebaseerd op een van de krantestrips verscheen in 1982 bij Leopold. Dat was ook ongeveer het moment dat de laatste krantestrip verscheen. De uitgeverij publiceert binnenkort een herdruk van het allermooiste boek dat Dulieu over de boskabouter schreef: 'Paulus en de eikelmannetjes' (1965), een verhaal in de traditie van het sprookjesboek, 238 pagina's dik. Opvallend zijn vooral de kleurenplaten van het verhaal, gemaakt in een ongekende techniek. Het verhaal is ook opvallend door het doodsmotief dat Dulieu in het kinderboek vertelt. In een nacht houdt Paulus de wacht bij het stervende eikelmannetje Wor, de oude raadsman. Het sterven is niet triest, omdat uit de dood het nieuwe leven ontstaat.

Ze zaten naast elkaar en zwegen lange tijd. “Paulus”, fluisterde Wor tenslotte haast onhoorbaar. “U moet nu niet praten. U moet rusten tot morgen.” “Ik heb me vergist. Ik zal de morgen niet meer zien. Als ik je nu mijn raad niet geef, is het te laat.” “Dat kunt u niet menen! U hebt vast nog een heel lang leven voor u.” De wijze Wor glimlachte.# “Daarin heb je gelijk Paulus, een heel, heel lang leven. Vanuit de grond zal ik oprijzen en mijn takken uitspreiden en ruisen met mijn bladeren.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden