Een humor die niet lacht

Een voortreffelijke nieuwe Kafka-vertaling roept de vraag op hoe je de verhalen van deze geheimzinnige schrijver moet lezen. Na de - vaak te eenduidige - interpretaties die zijn werk te verduren kreeg, is het tijd om te wijzen op Kafka als humorist, vindt Wil Rouleaux.

Hoeveel verdraagt een lezer? Kafka’s beroemde verhaal ‘In de strafkolonie’ is een twijfelgeval, op de rand van de pijngrens of misschien nog iets meer: door de ogen van een sadistische officier, die op een exotisch eiland gestationeerd is, en een sceptische bezoeker uit Europa wordt een ingenieus martelwerktuig inclusief bloederige executie beschreven – opvallend gedetailleerd en hoogst aanschouwelijk. Geen wonder dat enkele aanwezigen tijdens een lezing van Kafka in München in 1916 flauwvielen, en dat zelfs de auteur, die toch wel iets gewend was, van een ’vies verhaal’ sprak.

Levenslang heeft Kafka zich verlustigd in schuld- en straffantasieën; ‘de schuld staat altijd vast’ zegt de officier in het bovengenoemde verhaal. Neem ’De Gedaanteverwisseling’, een van de beroemdste verhalen uit de wereldliteratuur, dat parallellen vertoont met het verhaal over de strafkolonie. „Toen Gregor Samsa op een ochtend uit onrustige dromen ontwaakte, ontdekte hij dat hij in zijn bed in een reusachtig ondier was veranderd”, luidt de klassiek geworden openingszin. De jonge handelsreiziger Samsa is plotseling een grote bruine kever geworden, die door zijn familieleden wordt opgesloten in zijn kamer. Als Gregor pogingen doet om zijn vertrek te verlaten, wordt hij door zijn vader teruggeschopt en met appels bekogeld waarvan er één in zijn huid blijft steken en langzaam gaat rotten. Na enkele maanden crepeert Gregor alias de kever, waarna ’die rommel’ door de werkster wordt opgeruimd.

Een volstrekt grotesk verhaal dat geen enkele ondubbelzinnige interpretatie toestaat – Nabokovs briljant geformuleerde visie dat de kever een symbool is voor het geïsoleerde en onbegrepen kunstenaarsgenie is dan ook veel te apodictisch.

Want beide verhalen, ‘De Gedaanteverwisseling’ en ‘In de strafkolonie’, ontlenen hun fenomenale zeggingskracht en verpletterende werking aan het contrast tussen de fantastische en wrede gebeurtenissen enerzijds en de eigenaardige, bijna klinische rust van Kafka’s stijl anderzijds. Met onmiskenbaar plezier (of moet je zeggen: duistere demonie?) dist de schrijver steeds weer nieuwe bizarre details op. Bijna zou je van humor kunnen spreken, een soort humor dan wel die niet lacht. Bekend is dat de stemming onder Kafka’s vrienden opperbest was als de schrijver voordroeg, en Thomas Mann zag blijkens zijn dagboeken Kafka vooral als humorist, al was hij oordeelkundig genoeg om van een ‘zeer diepzinnige, ingewikkelde vrolijkheid’ te spreken.

Van ’ingewikkelde’ humor zou je ook kunnen spreken in ’Een hongerkunstenaar’ (1922), een van de indrukwekkendste verhalen die Kafka heeft geschreven. Dit amper tien bladzijden tellende verhaal berust op een historisch gegeven: het zogenaamde ’show'-vasten’ vormde tot de Eerste Wereldoorlog in Europa en Amerika een circusachtig en door de kranten nauwkeurig bijgehouden attractie. De meestal rondtrekkende artiesten hongerden soms wel veertig dagen, waarna ze, uiteraard sterk vermagerd of bijna volledig van de graat gevallen, hun normale leven voor enige tijd weer opnamen.

„Zo leefde hij met regelmatige kleine rustperioden vele jaren, in schijnbare glorie, geëerd door de wereld maar intussen toch meestal in een sombere stemming, die nog somberder werd door het feit dat niemand in staat was haar serieus te nemen”, luidt het over de hoofdpersoon. Aanvankelijk wordt de hongerkunstenaar nog begeleid door een impresario, later vindt hij aansluiting bij een circus waar hij als attractie fungeert voor het publiek dat in de pauze een kijkje wil nemen bij de stallen van de roofdieren. Uiteindelijk wordt hij door niemand meer waargenomen en bijna zelfs door het personeel vergeten, dat hem na zijn wegkwijnen min of meer bij toeval in zijn kooi ontdekt. „Ze porden met stokken in het stro en vonden de hongerkunstenaar erin.”

Waarom heeft de hongerkunstenaar altijd zo hartstochtelijk gevast? Het even beroemde als cryptische antwoord – al een halve eeuw een kolfje naar de hand van de Kafka-exegeten - luidt in de nieuwe vertaling van Willem van Toorn: „Omdat ik geen voedsel kon vinden dat mij smaakt.” In de oude vertaling van Nini Brunt heette het nog: „Omdat ik het voedsel dat mij smaakt, niet vinden kon”, wat minder juist is omdat het impliceert dat er wel degelijk voedsel bestaat dat hem bevalt. In het origineel staat er: „Weil ich nicht die Speise finden konnte, die mir schmeckt.”

Willem van Toorns nieuwe vertaling is iets moderner in de woordkeus en letterlijker dan de soms tamelijk vrije, maar zeker niet slechte vertaling van Nini Brunt. Kleine fouten die zijn voorgangster nog maakte komen bij hem haast niet voor. Van Toorn werkt uiterst secuur, met veel gevoel voor details. Kortom, een excellente vertaling, ten zeerste aanbevolen. Wat een plezier om deze juweeltjes uit de wereldliteratuur in zulk voortreffelijk Nederlands te kunnen lezen.

Tot de onbetwiste glansstukken uit de bundel behoort ook Kafka’s lievelingsverhaal ‘Het vonnis’, in 1912 in één nacht geschreven, vlak na de eerste ontmoeting met zijn tweevoudige verloofde Felice Bauer. Voor Kafka betekende het zijn doorbraak als schrijver; vanaf dat moment wist de altijd door twijfels geplaagde meester wat hij in zijn mars had. De hoofdpersoon Georg Bendemann openbaart zijn autoritaire vader, die hij als ‘een reus’ beschouwt, dat hij wil gaan trouwen, waarna deze hem verwijten begint te maken en uiteindelijk over hem de staf breekt: „En daarom moet je weten: ik veroordeel je nu tot de verdrinkingsdood!” – opnieuw zo’n onvergetelijke Kafka-zin waarbij je niet weet of je moet lachen of huilen.

Als geen ander werk van Kafka heeft ‘Het vonnis’ aanleiding gegeven tot autobiografische speculaties: de aarzelende huwelijksplannen, het schuld- en schaamtegevoel en vooral zijn eeuwige vadercomplex – dat later zou culmineren in de monumentale, nooit verstuurde ‘Brief an den Vater’.

’De gedaanteverwisseling en andere verhalen’ bevat alle verhalen die Kafka tijdens zijn leven heeft gepubliceerd. Daartoe behoren ook de vele korte en ultrakorte verhalen, die een grote variatie vertonen en bewijzen dat de taalkunstenaar Kafka diverse registers moeiteloos wist te bespelen. Grotesk-humoristische vertellingen als ‘Een oude tekst’ of ‘Eerste smart’ worden afgewisseld met haast ondoorgrondelijke parabels als ‘De nieuwe advocaat’ en ‘Een boodschap van de keizer’. Vormbewuste prozagedichten van soms niet meer dan een halve bladzijde ronden het geheel af.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden