Een historische grabbelton

De Nederlandse band met het water uit zich ook in de kunst. De Kunsthal in Rotterdam probeert zes eeuwen nautische cultuurgeschiedenis in een tentoonstelling te vangen.

Kijkt u mee naar 'Storm op de Noordzee met enkele zeilschepen' (1900) van Hendrik Willem Mesdag. Het schilderij toont een stel minuscule zeilschepen op de Noordzee onder een donkere, zeg gerust inktzwarte lucht, die nog net niet helemaal is dichtgetrokken; een laatste zonnestraal breekt op het water. Het doek heeft iets dubbelzinnigs. Die bootjes staan voor plezier: voor zeilen en vissen en zwemmen. Maar die wolken, daar is niets plezierigs aan: die duiden op dreiging, gevaar, op schipbreuk en wrakhout misschien zelfs. Als ík daar op zee was, dan zou ik maken dat ik wegkwam.

Strijd en plezier zijn twee thema's op 'Zoet & Zout', een tentoonstelling in de Kunsthal in Rotterdam over Nederlanders en water. De andere thema's zijn verbond, gewin en mythe. Dit is een grote, ambitieuze expositie. Zij toont pakweg zes eeuwen nautische cultuurgeschiedenis aan de hand van zo'n 120 kunstwerken: schilderijen, prenten, tekeningen, foto's, film, geluidsfragmenten, veejay-kunst. De catalogus, een project op zich, gaat over de toekomst van de waterstaatkunde in Nederland.

Als historische grabbelton is dat zeker geslaagd. Hier vind je een keur aan mooie, interessante, soms ongeziene kunstwerken, in een van de aardigste Nederlandse genres: het zee- en poldergezicht. Een polygoon-journaal over de Elfstedentocht van 1963 ('ook de arrensleeën zijn present!') en een mopperende Godfried Bomans op Rottumerplaat: altijd fijn. Witsens 'Brug bij 's Gravenhekje' en Voermans arcadische 'Gezicht op de IJssel': prachtig. Je leest eens hier en je ziet eens daar; inderdaad: je steekt er iets van op.

Als kunsthistorisch exposé valt er wel iets op af te dingen. De samenstellers tonen oude en jonge meesters door elkaar. Zij laten die rijpe en groene artiesten graag rijmen. 'Een dialoog aan laten gaan' heet dat meen ik op z'n Rudi Fuchs: een stel bescheiden waterlelies van de negentiende-eeuwse schilder Paul Gabriël naast een knalharde foto van een donker kind in een vijver van eenentwintigste-eeuwer Ruud van Empel; Maarten Schets haute-couture-modellen naast twee morsige vissertjes van Van Gogh enzovoort. Het zijn makkelijke, soms vergezochte combinaties in een tentoonstelling die hier en daar toch al een stuurloze indruk maakt. Ik bedoel: de blote benen van Grietje Bosker (de eerste persoon die de net gesloten Afsluitdijk overstak) naar de blote borsten van Ellen ten Damme (als waternimf in een video): liggen toch wel erg ver bij elkaar vandaan.

Door de bank genomen vertelt Zoet & Zout een succesverhaal. Hoe Nederlanders de zee eerst vreesden (de Sint Elisabethsvloed, etc.), toen overwonnen en uiteindelijk, met dijken, polders, irrigatiesystemen en wat al niet meer om wisten te zetten in woon-, werk- en recreatieplek. Die mentaliteitsverandering resoneert in de kunst. Zagen middeleeuwse- en zeventiende-eeuwse schilders als Jheronimus Bosch en Hendrik Cornelisz. Vroom de zee als een dreigende kracht, met krullende golven en vervaarlijk ogende vissen; bij een Haagse Scholer als pak 'm beet Willem Maris, lijken zulke angstgevoelens nauwelijks aanwezig. Het water was getemd; voor zo lang het duurde, tenminste.

Vraag een Zeeuw naar de kroon op deze overwinning en het antwoord klinkt ferm: de Deltawerken. Dit stelsel van dijken, dammen, keringen en sluizen, begonnen na de Watersnoodramp van 1953 en voltooid met de Maeslantkering in 1997, verkleinde de kans op nieuwe overstromingen (tot eens in de vierduizend jaar), en maakte het mogelijk om het peil in de rivieren en watertjes rondom Rotterdam te reguleren.

Vraag een Noord-Hollander (of een Fries) naar diezelfde kroon en het antwoord klinkt niet minder krachtig: de Zuiderzeewerken, in het bijzonder 'de dertig kilometers naakte dijk', om met de essayist Maarten Asscher te spreken, die als 'een goddelijk mes de Waddenzee van de Zuiderzee snijdt'.

De bouw van de Afsluitdijk begon in 1920 - onder leiding van ir. C.J. Lely - en de cijfers zijn nog altijd indrukwekkend. 23 miljoen kubieke meters keileem. 18 miljoen bossen rijshout. 13,5 miljoen kubieke meters zand. En één molton onderbroek. Die laatste behoorde toe aan eerdergenoemde Grietje Bosker, de dochter van een aannemer uit Hippolytushoef, die toen Kraan nummer 6 van de Maatschappij tot Uitvoering der Zuiderzeewerken op 28 mei 1932 om twee minuten over één in de middag het laatste gat dichtte, haar sokken en schoenen uittrok, haar rok opschortte en als eerste de dijk overstak, daarbij niet alleen de aanwezige notabelen, maar ook de rest van het Nederlandse volk een blik biedend op haar Noord-Hollandse billen. Ze bleef de rest van haar leven ongehuwd.

De Afsluitdijk heeft tenminste een topstuk opgeleverd. Of beter: een serie topstukken: Johan Hendrik van Mastenbroeks Zuiderzeewerken. Zijn verhaal is interessant. Rotterdamse schilder; specialist in havengezichten. Van Mastenbroeks carrière was danig in het slop geraakt totdat het ministerie van waterstaat hem vroeg de werkzaamheden aan de dijk vast te leggen; een klus waar de schilder zich met het fanatisme en enthousiasme van een jonge hond op stortte.

"Van Mastenbroek heeft het gebeuren werkelijk meegeleefd en menigen kouen neus daarbij opgehaald," schreef een recensent over diens Zuiderzeewerken, "hij heeft schuiling in de keeten gezocht om daar zijn impressies uit te werken, met de kerels meegeworsteld, die daar gigantisch werk tot stand hebben gebracht."

Het resultaat van Van Mastenbroeks veldwerk zie je in 'De Machtige Grijper, overwinnaar in den strijd tegen de zee' (1932, te zien in Rotterdam). Het doek toont een graafmachine die met bulderend geraas een hoop keileem in zee stort; verderop, aan de horizon, dreigend als buitenaardse wezens in een rampenfilm, gloren de andere kranen. De kleuren zijn typisch Van Mastenbroek: bruin, grijs en dat typische ijzige blauw waarop de schilder het patent leek te hebben - het moest niet te gezellig worden allemaal.

Van Mastenbroek was misschien wel de laatste van een uitstervend type kunstenaar: de schilder als verslaggever, als chroniqueur. Hij toont de damp en de modder en de viezigheid, maar ook de onverschrokkenheid van de werkers. Al die bedrijvigheid is opwindend. Je krijgt bij wijze van spreken zin om zelf mee te helpen.

Sinds Van Mastenbroek 'menigen kouen neus' ophaalde, heeft de Afsluitdijk alleen maar aan populariteit gewonnen. Bezocht door toeristen; bezongen in gedichten; bereden door snelheidsduivels. En terecht: het is een prachtig ding, lang, leeg, minimalistisch; als je op een rustige dag van Harlingen naar Den Oever rijdt kun je zomaar in die aangenaam hypnotiserende toestand raken die door de dichteres M. Vasalis ooit zo treffend werd verwoord als 'dit wonderlijk gespleten lange heden'.

Maar zie: alles beweegt, en niets blijft bij het oude, zeker niet in Nederland, zeker niet bij publieke werken. In de catalogus staat een alarmerend verhaal over de ouderdomskwalen waarmee de dijk te kampen heeft - slijtage, stijgende zeespiegel - en worden in één moeite door enkele toekomstvisies ontvouwd: van een windpark met 109 turbines tot een wedstrijdzwembad voor de Olympische Spelen van 2028. Voorwaar: dat kan niet. Dat mag niet. De Afsluitdijk moet een plek zonder begin en einde blijven, waar je je kunt vergapen aan lucht en licht en stilte - én aan minuscule zeilbootjes, dobberend onder een dreigende, steeds donkerder kleurende lucht.

Zoet & Zout; De Kunsthal, Rotterdam; te zien tot en met 10 juni 2012.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden