Een Heimat van papier

In zijn vuistdikke epos ’De Toren’ beschrijft Uwe Tellkamp de ondergang van de DDR. Het is ook een liefdesverklaring aan zijn stad Dresden. Want socialistische dictatuur of niet, Heimat is Heimat. Een gesprek met een Saksische patriot.

Een beetje koket is het wel, dat Dresdense patriottisme. Uwe Tellkamp draagt een donker kostuum met daaronder een gele pullover. Zwart en geel zijn de kleuren van het wapen van Dresden. Hij draagt die graag bij officiële gelegenheden, zoals vandaag. Zijn uitgeverij Suhrkamp opent met bombarie haar nieuwe behuizing. Suhrkamp wilde niet langer in Frankfurt blijven, ze wilde daar zijn waar de schrijvers wonen, in Berlijn.

Uwe Tellkamp is topauteur van Suhrkamp. Hij woont niet in Berlijn, maar in, zoals hij zegt, „het Saksische provincienest Dresden”. Dat laat hij graag zien op de Suhrkamp-party. Hij heeft Dresden met zijn roman ’De Toren’ op de literaire kaart van Duitsland gezet. Veel media brachten het beeld hoe hij achter een kinderwagen over de blauwe loper het openingsfeest binnenschreed.

Tellkamp hecht aan zijn afkomst. Hij kleurt zijn Hoogduits met een Saksisch accent. Hij wekt met zijn Saksisch chauvinisme weleens ergernis. En met zijn uitspraak dat zijn schrijven het „opnieuw veroveren van de Heimat” is. Nu relativeert hij dat. „Voor schrijvers zoals ik bestaat die Heimat alleen maar uit papier.”

Sinds een half jaar woont hij weer in Dresden, de stad waarin hij opgroeide. Zit hij in de villawijk die hij in zijn succesroman ’De Toren’ doopte maar die in werkelijkheid ’Weisser Hirsch’ heet? „Ja, puur toeval,” zegt hij haast verontschuldigend, „daar konden we nu eenmaal een woning krijgen.” Maar de fraaie wijk op de hellingen langs de Elbe lijkt nog maar weinig op de wijk waarin hij opgroeide. „De huizen zijn gesaneerd, veel mensen die ik van vroeger kende, zijn weg.”

In ’De Toren’ beschrijft Tellkamp met uiterste precisie het leven in die wijk. Toen hij negen jaar was, verhuisden zijn ouders van een Plattenbau-flat naar een van de villa’s, die ze, heel socialistisch, met andere gezinnen deelden. „Dat was een enorme verandering. Grote, hoge kamers met gestucte plafonds. Je voelde dat zich daar een heel ander leven had afgespeeld. Daar begon mijn belangstelling voor de stad, de wijk, de mensen, de geschiedenis.”

Had hij er een gelukkige jeugd? „Ja en nee. Ik kom uit een familie met een pedagogische inslag. Ooms en tantes wilden je altijd wel iets bijbrengen. En ze hadden veel tijd voor me. Ik had een oom die mij muziek voorspeelde, die mij liet horen dat opnamen van het Concertgebouworkest met Bernard Haitink net zo goed waren als die van de Staatskapelle Dresden. Ik groeide op in wat je een ’burgerlijke cultuur’ zou kunnen noemen.”

„Aan de andere kant,” vervolgt Tellkamp, „was het ook zo dat je eigenlijk niet jong mocht zijn, dat je nooit uit de band mocht springen, iets uitproberen, op je bek gaan. Het was immers de DDR, je moest altijd opletten op wat je zei. Mij werd geleerd dat je in het openbaar niet hetzelfde kon zeggen als thuis. Je leerde al vroeg met dubbele tong spreken.”

Volgens Tellkamp was dat typerend voor de ’burgerlijke nis’ waarin hij opgroeide. „Onder arbeiders was dat anders. Ik ken ze uit mijn familie. Die zeiden: wij arbeiders liegen niet, wij zeggen onze mening. En als dat dan betekende dat een jongen van school vloog, dan accepteerde men dat. Een schijnbaar hoge, zuivere moraal. Maar grote kans dat die jongen later met verwijten aan zijn ouders kwam. Wat schiet ik op met jullie eerlijkheid, ik kan nu niet studeren!”

Tellkamp opereerde daarentegen tactisch. Zijn vader was arts, zelf wilde hij ook medicijnen studeren. Dat kon alleen als hij drie jaar in het leger diende. Zijn diensttijd eindigde in chaos. Hij weigerde het bevel om tegen demonstranten in Dresden op te treden. Toen kon hij zijn studie medicijnen wel vergeten. De val van de Muur redde zijn loopbaan. Tellkamp is nu arts én schrijver. „Net als Slauerhoff, een schrijver die mij daarom erg interesseert.”

Was de wijk een soort burgerlijke enclave in de socialistische DDR? „Ik geloof niet dat er ook maar iemand was die zich toen ’burgerlijk’ noemde, dat was een besmet begrip. Maar het was een vreemde zaak met dat socialisme van de DDR. Want ook de leidende elite, de nomenklatoera, hield er in feite een burgerlijke levensvorm op na. Men hechtte waarde aan culturele ontwikkeling, aan een zekere stijl.”

Uiteindelijk speelden de waarden van het klassieke Bildungsbürgertum een centrale rol in het hele systeem. „Neem de uitgeverijen. Die brachten goedkope reeksen klassieke literatuur op de markt. Dat was hun opdracht. Het land pochte met de titel ’Leesland DDR’. Het burgerlijke project was, geheel tegen de doctrine in, een ereproject van het socialisme. Maar uiteindelijk lazen de mensen vooral misdaadromans. Dat blijkt uit de oplagen.”

De burgerlijke cultuur zoals men die in ’De Toren’ alias ’Weisser Hirsch’ koesterde, met voordrachten, muziekavonden en leesclubs, was in zekere zin ook een overlevingsstrategie. „Dat besefte ik toen ik overal in het land uit ’De Toren’ voorlas. Dan kwamen er mensen naar me toe die zeiden: wat u beschrijft hadden we ook in het Derde Rijk. Mensen die niets met de nazi’s van doen wilden hebben, verscholen zich in een burgerlijke levensvorm.”

Men moet zich de wereld waarin Tellkamp opgroeide – en ook hoofdpersoon Christian uit ’De Toren’ – niet als een geïsoleerde, afgesloten wereld voorstellen. „In ’Weisser Hirsch’ woonde de loodgieter naast de professor, de balletdanseres naast de bakkersknecht. Dat was ook de opzet. Geestelijke ontwikkeling mocht geen privilege zijn. Dat was de kern van het ’humanistische project’ dat de DDR óók was. En dat was het goede eraan.”

Al met al speelde de burgerlijke levensvorm in de DDR een ambivalente maar bepalende rol. Is dat de reden waarom, zoals je regelmatig leest, de DDR meer en betere schrijvers voortbracht dan de Bondsrepubliek?

„Ik ben best patriottisch, maar ik maak hier toch enig voorbehoud. Ja, men nam in de DDR boeken veel serieuzer, men las preciezer, men las ook andere boeken, veel Russische boeken bijvoorbeeld. Maar wij hadden geen Günter Grass.”

Patriottisch? „Ja, maar daar bedoel ik geen staatspatriottisme mee. Ik had niets met de DDR-staat. Die was voor mij een kleinburgerlijk, Pruisisch-militaristisch experiment dat totaal mislukt is. Iets anders is het landschap, de rivier de Elbe, mijn Heimat Dresden, de mensen, hun verhalen, de lotgevallen die je met ze deelt. Met patriottisme bedoel ik: ik kom ergens vandaan waar ik een resonantie heb zoals ik die nergens anders heb.”

Opvallend is dat in andere boekprojecten van Tellkamp, zoals in het epische dichtwerk-in-wording ’Nautilus’, de beweging eerder van de Heimat af is dan er naartoe. Zojuist verscheen ’Reise zur blauen Stadt’, bedoeld als onderdeel van ’Nautilus’. Daarin komen in speelse verzen excentrieke bewoners van een onbestemde havenstad aan het woord. De stad lijkt op Venetië, op Stockholm, op Hamburg, soms ook op Amsterdam, maar daar is Tellkamp nog nooit geweest.

„Die zoektocht naar het verre is tegelijk een zoektocht naar mezelf, naar het verleden. Mijn ouders komen uit het Ertsgebergte, uit de diepste armoede. Wat hebben zij als kind gezien? Dan mijn grootouders, wat hebben die in de oorlog gedaan? Dan gaat het stroomafwaarts, naar Hamburg, Tellkamp is een Hamburgse naam. Dat zijn allemaal geschiedenissen die in kringen om me heen liggen en die ik met me meedraag.”

Dan komt Tellkamp met zijn favoriete metafoor op de proppen: het labyrint. Dat is voor hem een stelsel van wegen die rond een kern cirkelen maar die niet bereiken, alleen benaderen.

„Het dier dat men Nautilus noemt, heeft zo’n labyrintstructuur. De langspeelplaten uit mijn jeugd hebben die ook. En boren, ik was als kind altijd al gefascineerd door boren. Labyrint staat voor benadering, voor iets wat je niet kunt béschrijven maar alleen ómschrijven.”

Daarmee hangt ook zijn voorkeur voor eindeloze epische projecten samen. „Zo’n project als van de Franse schrijver Balzac, de hele samenleving in negentig boeken, dat vind ik fabelachtig. Als ik als kind geen zin had om te spelen, las ik op zolder de grote epische gedichten, de ’Edda’ bijvoorbeeld. De versvorm stoorde me niet. Ik ben gek op de Ilias, de Odyssee, het Nibelungenlied, sowieso op de projecten van Wagner.”

Tel je alles bij elkaar op – oude letteren, burgerlijke cultuur, liefde voor de Heimat, patriottisme – dan ontstaat het beeld van een conservatief auteur, die aan het verleden kleeft. In de pers zijn kwalificaties gevallen als ’rechts’, ’reactionair’, ’elitair’ en zelfs ’antidemocratisch’. Tellkamp schiet uit zijn slof. „Waarom denken ze dat? Hoe komen ze bij die vooroordelen? Zeker omdat ik een pak draag en een scheiding in mijn haar?”

Tellkamp windt zich zo op dat hij niet in de gaten heeft hoe schuin achter hem in het café, op een lederen bank, zijn vrouw heeft plaatsgenomen. Met hun dochtertje, dat drie maanden oud is. Terwijl hij op de critici foetert, geeft ze de baby de borst. Pas wanneer ze de luier begint te verschonen, draait hij zich om. „Ik dacht al, wat een vertrouwde geluiden”, zegt hij en kruipt bij de familie op de bank. De geluiden die hij vervolgens maakt, zijn off the record: „Toetoetoetoetoe.”

Tellkamps Heimat mag dan volgens hem louter van papier zijn, op dat moment is die van vlees en bloed.

(Trouw)Beeld ©Raymond Depardon / Magnum
Uwe Tellkamp: "Rechts Reactionair? Zeker omdat ik een pak draag." (FOTO AP)Beeld ASSOCIATED PRESS
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden