Een heilige van onze dagen

Ludwig Wittgenstein (1889-1951) heeft geen kans onbenut gelaten om het zich in zijn leven zo moeilijk mogelijk te maken. En dat terwijl hij voor een (althans in burgerlijk opzicht) gemakkelijk leven in de wieg leek gelegd. Toegegeven, geboren te worden in een gezin dat straf wordt geleid door een potentaat van een vader, kan de ontplooiing van de opgroeiende jongen ernstig belemmerd hebben. Maar Ludwig had het geluk de jongste van de vier zoons te zijn. Nadat vader Wittgenstein, die aan het hoofd stond van een immens staalimperium, tevergeefs had geprobeerd om zijn drie oudste zoons (die allen vóór hun veertigste om verschillende redenen zelfmoord pleegden) in zijn voetsporen te laten treden, leek hij bij Ludwig de moed te hebben opgegeven: hij werd vrij gelaten om zijn eigen leven vorm te geven.

Anders dan van zijn broers kunnen we van Wittgenstein zeggen dat hij vanaf het moment dat hij bewust levenskeuzes moest maken, dit ook in alle vrijheid heeft kunnen doen. En die vrijheid heeft hij ook genomen. Hij koos voor een leven dat atypisch was voor een telg uit de Weense haute bourgeoisie in het fin de siècle. Hij wilde in elk geval één ding vermijden: een nonchalant, slordig en liederlijk (in goed Oostenrijks: een schlampiges) leven te leiden; zijn leven moest op elk moment de toets van zijn geweten kunnen doorstaan. Daarmee sloot hij elke vorm van opportunisme uit: hij liet zich niet leiden door wat het meest voor de hand lag of wat hem het beste uitkwam, maar door wat zijn morele geweten, na zorgvuldig afwegen, hem ingaf te doen.

Als we afzien van zijn carrière van filosoof, die overigens grillig genoeg is en geenszins los kan worden gezien van zijn persoonlijke ontwikkeling, staat het leven van Wittgenstein in het teken van twee even simpele als moeilijke te verwezenlijken morele maximes: 1. een beter mens te worden dan men op welk moment ook is; 2. onder alle omstandigheden oprecht te zijn. Dat lijkt weinig opzienbarend, maar waar het op aankomt is in hoeverre die regels worden toegepast. Hoeveel dwang kan iemand zich opleggen om keer op keer niet de 'brede weg' van het burgerlijk comfort te kiezen maar het 'enge pad van de deugd'? Met andere woorden: hoe streng kan iemand voor zichzelf zijn?

Als we zijn levensgeschiedenis overzien, althans voor zover we die kennen, overdrijven we niet als we stellen dat Wittgenstein in strengheid jegens zichzelf erg ver ging. Zo doet hij afstand van het enorme vermogen dat hij van zijn vader erft en waarvan hij gemakkelijk had kunnen rentenieren. Als de Eerste Wereldoorlog uitbreekt meldt hij zich vrijwillig voor het front -niet uit krijgshaftigheid of patriottisme, maar om zichzelf onder extreme omstandigheden op de proef te stellen. Als hij in 1920 uit krijgsgevangenschap terugkeert, wordt hij geen ingenieur, waarvoor hij is opgeleid, maar tuinknecht in een abdij. Hij volgt een verkorte opleiding voor onderwijzer, een beroep dat hij vijf jaar zal uitoefenen in een van de achterlijkste streken van Oostenrijk, in compleet intellectueel isolement. Nadat hij om onduidelijke redenen -er is sprake van al te hardhandig optreden tegen de leerlingen- ontslag heeft genomen, wijdt hij zich twee jaar lang aan de bouw van een woonhuis voor zijn oudere zus -nog steeds als het 'Wittgensteinhuis' in Wenen te bewonderen. Vervolgens vat hij het plan op medicijnen te gaan studeren om zich als arts in Rusland dienstbaar te maken, maar de Russische autoriteiten weigeren hem een verblijfsvergunning. Pas nadat al deze pogingen om op een 'eerlijke' manier zijn brood te verdienen zijn spaakgelopen, keert hij terug in het milieu dat hij twintig jaar angstvallig gemeden heeft, en aanvaardt hij een leerstoel voor filosofie in Cambridge. Dat gaat niet van harte, sterker nog, alles wijst erop dat hij deze stap als nederlaag heeft ervaren.

Bij elke splitsing die zich op zijn levensweg aandient, verplicht Wittgenstein zich dus tot een keuze voor de weg van de meeste weerstand. Hij doet bewust afstand van luxe en comfort die voor hem voor het grijpen liggen, en kiest voor een soberheid die aan de ascese raakt.

Tekenend voor de oprechtheid die Wittgenstein nastreefde en de strengheid waarmee hij dat deed is de volgende brief uit 1936 aan zijn vertrouweling Ludwig Hünsel:

Beste Hünsel, Ik heb jou en verschillende anderen tijdens mijn Italiaanse gevangenschap een keer voorgelogen dat ik voor een kwart van joden afstam en voor driekwart van ariërs, hoewel het precies omgekeerd is. Deze laffe leugen heeft mij lange tijd dwars gezeten, en ik heb deze leugen, zoals vele andere, ook aan anderen verteld. Ik heb tot op heden niet de kracht gevonden haar te bekennen. - Ik hoop dat je me zult vergeven; ja ik hoop zelfs dat je verder en als tevoren met me om zult gaan en mij niet minder graag zult mogen. Ik weet dat ik veel verwacht, maar ik hoop het niettemin. Ik moet je ook nog voor menige andere leugen om vergiffenis vragen. - Ik wil dat je de inhoud van deze brief ook bekendmaakt aan je lieve vrouw en aan de kinderen, mijn broers en zusters en hun kinderen, aan Drobil en mijn overige vrienden en mevrouw Sjögren; d.w.z. dat je hem aan hen laat lezen. Dat ook zij mij allen mogen vergeven; ik weet dat ik jou en allen groot verdriet doe en toch moet ik het doen. Ik vrees dat sommigen mij misschien niet helemaal kunnen vergeven. Ik wil vandaag niet meer schrijven. Vaarwel!

In deze brief brengt Wittgenstein zijn strenge moraal in praktijk. Het zou in menig heiligenleven niet misstaan -dat is in alle ernst gesproken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden