Een heer hoeft niet te winnen

Dankzij de successen van hun sporters zijn de Britten in de ban van de Spelen. Sport is terug bij haar oorsprong: als bron van vermaak en gelegenheid tot gokken. Wat is er over van het victoriaanse ideaal van de atletische gentleman, voor wie meedoen belangrijker is dan winnen?

'Kijk, zie je die slagman? Hij is uit, maar blijft staan totdat de scheidsrechter hem wegstuurt. Vroeger liep een speler gewoon direct het veld af." Christopher Byrne (73), zijn zoon, broer en neef, kijken breed glimlachend met een pint in de hand hoe hun team, Kent, de slagmannen van Surrey in hoog tempo uit werpen. Het kleine balletje vliegt met zo'n 150 kilometer per uur de slagmannen om de oren. Het lijkt misschien een esthetische sport voor heren, maar dat wil niet zeggen dat het geen hard spel kan zijn.

Het is voor de verandering een droge donderdagavond, en het stadion zit zeker voor driekwart vol. Geen supportersvakken, spandoeken of gezang. Iets Engelser dan cricket is er bijna niet, ook al wordt er lang niet altijd meer in het wit gespeeld, werd de sport opgeschrikt door valsspelers, en maakt de korte versie 20/20 snel opmars: 20 overs voor elk team in plaats van een dagwedstrijd of een testmatch die wel vijf dagen kan duren. Misschien is het ook wel zo Engels, omdat het spel nauwelijks te volgen is voor iemand die niet met cricket is opgegroeid. Wedstrijden van vijf dagen gaan al helemaal de voorstelling van de moderne mens te boven.

Voor de Byrnes is cricket 'een manier van leven'. Ieder zomerweekend speelt de 44-jarige Eric Byrne met zijn neef voor hun lokale club, zoals zijn vader en oom daar ook samen speelden. De cricketwedstrijden op de 'green' in het hart van ieder Engels dorp zijn voor hen een dag uit voor het gezin. "Ieder team doet zijn best om de beste tea te maken", lacht Byrne. "Iedereen speelt met elkaar. Het is een goede sociale mix. Het gaat er niet zozeer om hoe goed je bent, het gaat om de teaminspanning." Een victoriaanse gentleman zou precies hetzelfde gezegd hebben.

Het is zijn eerste schooldag op Rugby School en de 11-jarige Tom Brown, de held uit de populaire victoriaanse roman 'Tom Brown's School Days', is direct gegrepen door de strijd op de close, het weiland waar omheen de school is gebouwd. Tijdens zijn rondleiding door de school wijdt een leerling hem direct in in de regels van het spel en stuurt hem het veld op.

'Klaar?' 'Ja.' En daar gaat de bal, hoog de lucht ingeschoten om het schoolteam de tijd te geven om naar voren te rennen en de bal te vangen. (....) Nu is de tijd om je karakter te tonen; er wacht een warme plek bij het haardvuur, en eer, en veel bier voor degene die nu zijn plicht vervult in het komende half uur.'

Nauwelijks door de poort van de school en Tom Brown voelt zich al trots een Rugby boy te zijn.

'Dit is het waard om voor te leven - de totale som van je schooltijd in een inspannend half uur van strijd, een half uur net zoveel waard als een jaar van een gewoon leven.'

Het wordt algemeen aangenomen dat de moderne sport is uitgevonden op de speelvelden van de Britse elitescholen in de negentiende eeuw; nergens meer dan op Rugby School in het gelijknamige stadje aan de Avon, bijna vijftig kilometer ten oosten van Birmingham.

De school verwierf een bijna mythische status. Als geboorteplaats van Rugby Football, maar vooral vanwege de karaktervormende rol die sport kreeg toebedeeld om van de jongens hoffelijke heren te maken.

Tom Brown's School Days werd geschreven door oud Rugby-leerling Thomas Hughes. Hij en de hoofdmeester van de school Thomas Arnold, werden rolmodellen in de victoriaanse tijd. Zij inspireerden andere scholen en, cruciaal: Pierre de Coubertin, de Franse pedagoog en grondlegger van de Olympische Beweging. Tijdens zijn tweede bezoek aan de school zou de Fransman een nacht hebben gewaakt in de kapel bij het graf van Arnold. Hij verafgoodde hem als de 'vader van de moderne sport' en als grondlegger van 'atletische hoffelijkheid'.

Arnold hield helemaal niet van sport, vertelt schoolarchivaris Rusty MacLean, over het lawaai heen van de grasmaaier op de close. Het cricketveld ligt er maagdelijk bij. "De hoofdmeester zag het als middel om zijn leerlingen om te vormen tot christelijke gentlemen. Mannen die zich als een heer gedroegen, zich ontwikkelden tot leiders, hun verantwoordelijkheid namen en uitblonken in kennis."

Arnold, die in 1828 hoofdmeester werd, bemoeide zich helemaal niet met de sportactiviteiten. Dat was de verantwoordelijkheid van de jongens. Die betaalden zelf voor de faciliteiten, materialen, en coaches.

De head boy ging jaarlijks over een budget met een huidige waarde van bijna 18.000 euro, een bedrag dat in de buurt komt van de bijna 25.000 euro schoolgeld die ouders per jaar moeten betalen. Kosten noch moeite werden bespaard, getuige de voorzieningen - nu allemaal monumenten - rond de close: een hal om rackets te spelen, een aparte hal voor Rugby fives (vergelijkbaar met een squash dubbel, maar de bal wordt geslagen met de hand, beschermd door een handschoen) en een zwembad. Rennen was ook erg populair. De nog steeds ieder jaar georganiseerde Crick Run is de oudste halve marathon. De school wordt niet alleen beschouwd als bakermat van de rugby, maar ook van de cross country (veldloop). Rugby-leerlingen waren de grondleggers van Australian en American Football.

De hertog van Wellington zou gezegd hebben dat 'de Slag om Waterloo gewonnen werd op de speelvelden van Eton', waar de waarden en ideeën die het Britse rijk vormgaven werden uitgedragen door de kostschoolleerlingen die voetbalden, cricket speelden en rugbyden.

Sport is, naast de taal, het belangrijkste Britse exportproduct. Overal in de voormalige koloniën vind je ten minste een cricketstadion en een paardenrenbaan. Hockey, tennis, boksen, zwemmen, golf, voetbal: ze vinden allemaal hun oorsprong in het Britse eilandenrijk. Het waren echter de Fransen die de internationale sportfederaties oprichtten. "De Britten waren aanvankelijk helemaal niet geïnteresseerd om tegen anderen te spelen", zegt Richard Holt, hoogleraar van het Internationale Centrum voor Sportgeschiedenis aan De Monfort University in Leicester. "Zij heersten over de wereld. Zij hoefden niet alles te winnen. Ze hadden de loterij al gewonnen: zij waren Brits."

Terwijl rugby en cricket al snel volkssporten werden, hielden de Britten nog lang vast aan het ideaal van de sportende amateur, die meedoen belangrijker vond dan winnen. Die amateurcode klinkt eervol en puur, zegt Holt, maar het was vaak ook een manier om het klassenonderscheid te handhaven en de arbeidersklasse buiten te sluiten van competities.

De theorie dat de moderne sport in de victoriaanse tijd begon, weerspreekt hoogleraar Holt. Het begon al veel eerder: in de achttiende eeuw, toen de Engelse aristocraten zich interesseerden voor het cricketspel dat de boerenknechten speelden. Terwijl de Fransen de Bastille bestormden, speelden knechten en landheren samen een cricketwedstrijd op de Hambledon Cricket Club.

De Britten hadden als eerste geïndustrialiseerde natie vrije handel omarmd, waarin de beste mag winnen. De aristocraten waren schatrijk, hadden geen eigen legers meer, en stonden open om zich, tot op zekere hoogte, met andere klassen te mengen. "Als de Franse adel in staat was geweest cricket te spelen met zijn boeren dan waren hun kastelen nooit in vlammen opgegaan", zo schreef de Britse historicus George Trevelyan. Het was voor het eerst dat de upper class van zijn paard klom en iets lichamelijks deed. Spelregels worden vastgelegd, clubs opgericht en competities georganiseerd. "Voor vermaak en om te gokken", zegt Holt. "Daarom was het noodzakelijk om de spelregels vast te leggen, anders kon er onenigheid ontstaan wie een weddenschap had gewonnen."

Werden er in de achttiende eeuw nog enorme bedragen verspeeld, een eeuw later verwierp de nieuwe middenklasse deze 'verderfelijke praktijk' volkomen. Gokken en professionalisme werden verbannen. Maar voor de Britten, van hoog tot laag, heeft wedden altijd behoord tot het DNA van de sport. De vele wedkantoren in de winkelstraten, sinds 1960 weer toegestaan, zijn daar getuigen van. Tegenwoordig komt 20 procent van de omzet in de sportindustrie uit wedden, slechts 3 procent uit kaartverkoop.

"We zijn nu weer waar de sport begonnen is", zegt Holt. Commercie en vermaak voeren de boventoon. "De cultuur van de amateur is tussen de jaren vijftig en tachtig totaal bezweken. Net zoals in de politiek en in the City. De waarden van fair play en sportiviteit worden nog altijd geassocieerd met de Britse cultuur. Dan is het een schok als je hooligans ziet, en de commercialisatie. Sport is nu een industrie waar de Amerikaanse cultuur geldt: Winnen is niet het belangrijkste; het is het enige. Ik denk dat het Europees voetbalkampioenschap met alle vermaak en commercie heel herkenbaar zou zijn voor de achttiende-eeuwse aristocraten."

Hetzelfde geldt volgens hem voor de Spelen. "We wonnen de organisatie met een moreel initiatief: het leven van arme kinderen zouden we verbeteren. Maar in de realiteit is het een zeer commercieel evenement, waarvoor gewone mensen zich geen kaartje kunnen veroorloven."

Schwalbes niet fair, met twee benen trappen wel
In fair play komen de waarden van de oude aristocratie en de nieuwe middenklasse in de victoriaanse tijd samen, zegt sporthistoricus Richard Holt. De ridderlijke waarden eer, hoffelijkheid, respect en rechtschapenheid, en het nieuwe idee van vrije concurrentie danwel competitie en eigen verdiensten. Dit was precies wat de grondleggers van de Olympische Spelen aansprak, aldus Holt.

Fair play had altijd zijn grenzen, zegt hij. Er was altijd strijd: de arbeidersklasse heeft altijd een harde vechtersmentaliteit gehad. "Nu hebben we een mix. In golf geldt nog het ethos van de gentleman. Kijk voetbal als je wilt weten hoe je vals moet spelen. In het stadion of in het park."

"Schwalbes zijn oneerlijk. Dat doen buitenlandse spelers. Zeuren dat je geschopt wordt is geen fair play", legt Simon Kuper uit, de deels in Nederland opgegroeide Britse sportschrijver. "Daarentegen vinden Engelsen wel dat het moet mogen om met twee benen in te komen op een speler. Dat vind ik niet eerlijk. De Engelsen hebben hun eigen definitie van fair play."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden